Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:6443

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
13/259287-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 47 SrArt. 151 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen lijkbegraving ter verberging van doodsoorzaak

De rechtbank Amsterdam heeft op 25 juni 2026 een 31-jarige man veroordeeld voor het medeplegen van het begraven, verbergen en wegvoeren van het lichaam van een slachtoffer, met het oogmerk het feit en de doodsoorzaak te verhullen. Verdachte handelde op verzoek van medeverdachten die worden vervolgd voor de gewelddadige dood van het slachtoffer en kreeg hiervoor geld en drugs.

De verdediging voerde het non-punishment-beginsel aan wegens dwang en mensenhandel, en stelde dat verdachte psychische overmacht had vanwege zijn verslaving en kwetsbare positie. De rechtbank verwierp deze verweren omdat de dwang niet aannemelijk was en de verklaringen van verdachte pas laat in het proces waren afgelegd. Er was geen sprake van een zodanige druk dat verdachte redelijkerwijs geen weerstand kon bieden.

De rechtbank nam het strafblad en het reclasseringsadvies mee in de strafoplegging. Verdachte had een geschiedenis van vermogensdelicten en een ernstige verslavingsproblematiek, met een hoog risico op recidive. De rechtbank legde een gevangenisstraf van 18 maanden op, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden zoals meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, begeleid wonen, schuldaflossing en middelenbeheersing. Het contactverbod met medeverdachten werd niet opgelegd.

De straf weerspiegelt de ernst van het feit en de rol van verdachte, die mede verantwoordelijk was voor de mensonterende behandeling van het lichaam. De rechtbank achtte toepassing van artikel 9a Wetboek van Strafrecht niet passend. De tijd in voorarrest wordt in mindering gebracht op de straf.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/259287-25
Datum uitspraak: 25 juni 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,
wonende op het adres [adres] , [woonplaats] ,
thans gedetineerd in de [naam PI] .

1.Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. A. Kerkhoff, en wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. A.M.S. Jumelet, advocaat te Rotterdam, naar voren hebben gebracht.
De behandeling van de zaak tegen verdachte heeft gelijktijdig maar niet gevoegd plaatsgevonden met de behandeling van de zaak tegen medeverdachte [medeverdachte] (parketnummer 13/245396-25).

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is - kort weergegeven - tenlastegelegd dat hij zich in Nederland en/of België schuldig heeft gemaakt aan het onttrekken van het lijk van [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) aan nasporing.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Voorvragen

3.1.
Ontvankelijkheidsverweer in verband met het non-punishment-beginsel
De raadsvrouw heeft de rechtbank primair verzocht om de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging van verdachte, gelet op het
non-punishment-beginsel. De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte terecht is gekomen in een criminele uitbuitingssituatie. Verdachte is door toedoen van de medeverdachten slachtoffer geworden van mensenhandel en is als gevolg daarvan gedwongen tot het plegen van dit feit.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is geweest van dwang en dat de door de raadsvrouw aangehaalde dwangmiddelen slechts blijken uit de verklaring van verdachte zelf. Dat de medeverdachten misbruik hebben gemaakt van de drugsverslaving van verdachte, levert geen criminele uitbuitingssituatie op.
De rechtbank verwerpt het verweer en overweegt daartoe als volgt. Uit het dossier volgt dat verdachte, verdeeld over meerdere dagen, telkens beslissingen heeft genomen om een bijdrage te blijven leveren. Dat deze beslissingen telkens zijn genomen onder invloed van uitgeoefende dwang is niet aannemelijk geworden. Daarbij is van belang dat de gestelde dwang uitsluitend berust op de eigen verklaring van verdachte en dat deze verklaring pas in een laat stadium is afgelegd, namelijk pas nadat verdachte kennis had genomen van de inhoud van het dossier. Het misbruik maken van de drugsverslaving van verdachte, waardoor hij zich in een afhankelijkheidspositie bevond, levert bovendien niet zonder meer een criminele uitbuitingssituatie op.
De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden tot schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde kan worden bewezen.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft geen bewijsverweer gevoerd.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierna omschreven in rubriek 5.
Aangezien verdachte het tenlastegelegde feit heeft bekend en de raadsvrouw geen vrijspraak heeft bepleit, kan op grond van artikel 359 derde Pro lid van het Wetboek van Strafvordering met de hierna genoemde opgave van bewijsmiddelen worden volstaan:
 Een proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] van 27 januari 2025 met nummer 989 (documentcode AMB.506), in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 1] en [opsporingsambtenaar 2] , pag. 54-80 van persoonsdossier 06.
 Een geschrift, namelijk een pro justitia navolgend proces-verbaal van 18 augustus 2025 met nummer 101329/2025 (documentcode AMB029), opgemaakt door [naam rechercheur] , rechercheur, officier van gerechtelijke politie en [naam gerechtelijk commissaris] , gerechtelijk commissaris, officier van gerechtelijke politie, pag. 0255 - 0262.

5.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
in de periode van 5 augustus 2025 tot en met 10 augustus 2025 te Amsterdam en in België, tezamen en in vereniging met anderen, het lijk van [slachtoffer] heeft begraven, verborgen, weggevoerd en weggemaakt, met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden te verhelen.

6.Strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7.Strafbaarheid van verdachte

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat aan verdachte een beroep toekomt op de schulduitsluitingsgrond psychische overmacht, omdat hij niet in staat is geweest zijn vrije wil te bepalen, aangezien er psychische druk op hem is uitgevoerd waaraan hij geen weerstand kon bieden. Verdachte dient daarom te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte geen beroep toekomt op psychische overmacht, omdat de van buiten komende drang niet dermate zwaar was dat hij hiertegen redelijkerwijs geen weerstand kon bieden.
De rechtbank is van oordeel dat er geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Ook hier geldt dat de gestelde psychische druk uitsluitend berust op de eigen verklaring van verdachte en dat deze verklaring pas in een laat stadium is afgelegd, namelijk nadat verdachte kennis had genomen van de inhoud van het dossier. Hoewel er aanwijzingen zijn dat verdachte zich vanwege zijn drugsverslaving in een afhankelijkheidspositie bevond, levert dit niet de vereiste extreme en acute vorm van een stresssituatie op waaronder verdachte gebukt gaat en waaraan hij uiteindelijk toegeeft. Evenmin is hiermee sprake van een van buiten komende drang waaraan verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet hoefde te bieden. Verdachte is dan ook strafbaar.

8.Motivering van de straf

8.1.
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.
8.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit om, op grond van de feiten en omstandigheden waaronder verdachte tot het feit is gekomen, toepassing te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, dan wel geen langere onvoorwaardelijke straf op te leggen dan het voorarrest, eventueel aangevuld met een voorwaardelijk deel.
8.3.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van het feit
Op 15 augustus 2025 werd in een kuil in een maisveld in Hoogstraten (België) het overleden lichaam van [slachtoffer] aangetroffen. Verdachte heeft, op verzoek van medeverdachten die worden vervolgd voor de gewelddadige dood van [slachtoffer] , geholpen bij het ophalen, vervoeren en uiteindelijk begraven van het lichaam. Verdachte zou hiervoor geld en drugs hebben gekregen. De wijze waarop verdachte en de medeverdachte met het lichaam van [slachtoffer] zijn omgegaan is zeer schokkend en getuigt van een totaal gebrek aan respect voor de waardigheid van het lichaam van [slachtoffer] .
Verdachte heeft ter terechtzitting meermaals spijt betuigd en verklaard dat hij pas bij het betreden van de woning waar het lichaam van [slachtoffer] lag, begreep waarvoor hij “een ritje” moest maken en zo erg schrok dat hij niet meer terug kon. Hierbij heeft verdachte benadrukt dat hij constant onder invloed was van heroïne.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 18 december 2025. Hieruit blijkt dat verdachte verschillende keren is veroordeeld voor vermogensdelicten, maar niet eerder voor een soortgelijk feit. Gelet hierop zal het strafblad niet als een strafverhogende omstandigheid worden aangemerkt.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies betreffende verdachte van 3 juni 2026. Hieruit blijkt dat verdachte vaker in beeld is geweest bij de politie, voornamelijk wegens het plegen van vermogensdelicten om zijn verslaving te bekostigen. Deze verslaving lag ook ten grondslag aan het plegen van dit feit. Verdachte kampt met een verslaving aan diverse middelen, zoals alcohol, cocaïne, heroïne en cannabis. Dit middelengebruik wordt daarom gezien als delictgerelateerde factor. Daarnaast worden het psychosociaal functioneren, de financiën en het sociaal netwerk van verdachte gezien als delictgerelateerde factoren. Verdachte zegt te kampen met diverse trauma’s en dempt de hieruit voortkomende negatieve gevoelens met het gebruik van middelen. Na het verbreken van zijn relatie in 2023 is het middelengebruik toegenomen, waarna verdachte op meerdere leefgebieden is afgegleden. Hij raakte zijn woning kwijt, kreeg schulden en kwam steeds meer terecht in een omgeving waarin middelengebruik centraal stond. Het lukte de hulpverlening niet om grip te krijgen op verdachte en zodoende raakte hij steeds verder uit beeld. Verdachte heeft familie die hem mentaal en financieel steunt, en onderdak kan bieden, maar dit blijkt onvoldoende bescherming te bieden tegen herhaling. Ook heeft de reclassering de indruk dat het verdachte destijds aan lijdensdruk ontbrak, daar hij steeds kon terugvallen op zijn ouders.
Verdachte is in detentie (voorarrest) afgekickt en ontvangt nu methadon. Hoewel dit een positieve verandering is die kan bijdragen aan stabiliteit bij meerdere leefgebieden, acht de reclassering het risico op herhaling vooralsnog onverminderd hoog.
Gelet op bovengenoemde factoren, het hoge herhalingsrisico en de eerdere ingezette hulpverlening, acht de reclassering een fors plan van aanpak noodzakelijk om toe te kunnen werken naar gedragsverandering en risicoverlaging. Daarom adviseert de reclassering om aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met daaraan als bijzondere voorwaarden verbonden: een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling met mogelijk kortdurende opname, verblijf in begeleid wonen of een maatschappelijke opvang, een contactverbod met medeverdachten, aflossing van schulden en beheersing van het middelengebruik.
Verdachte heeft zich ter terechtzitting bereid verklaard om te voldoen aan deze voorwaarden.
Strafoplegging
De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf rekening gehouden met straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De maximumstraf die de rechtbank voor onderhavig feit kan opleggen is een gevangenisstraf van 2 jaren. Verdachte is niet betrokken geweest bij de dood van [slachtoffer] . Verdachte is evenmin degene die het initiatief heeft genomen tot het wegmaken van het lichaam, aangezien het plan door anderen is bedacht. Bij het uitvoeren van het plan heeft verdachte echter een grote rol gehad en hij is dan ook mede verantwoordelijk voor de mensonterende behandeling van het lichaam van [slachtoffer] . Uit het dossier kan worden afgeleid dat de medeverdachten bewust hebben gekozen om verdachte om hulp te vragen vanwege zijn kwetsbare persoonlijkheid en verslavingsproblematiek. De rechtbank vindt gelet op de aard en de ernst van het feit de toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht niet aan de orde. Een gevangenisstraf van aanzienlijke duur is wel op zijn plaats. De rechtbank zal een deel voorwaardelijk opleggen als stok achter de deur, om te voorkomen dat verdachte weer, al dan niet voor geld of drugs, strafbare feiten zal plegen.
Alles overwegende legt de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf op van 18 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van twee jaren. Aan de proeftijd zullen de bijzondere voorwaarden worden verbonden zoals door de reclassering is geadviseerd, met uitzondering van het contactverbod met medeverdachten.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikelen 14a, 14b, 14c, 47 en 151 van het Wetboek van Strafrecht.

10.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
het medeplegen van een lijk begraven/verbergen/wegvoeren/ wegmaken met het oogmerk om het feit/de oorzaak van het overlijden te verhelen.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
18 (achttien) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte,
groot 6 (zes) maanden, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een
proeftijd van 2 (twee) jarenvast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna te melden
bijzondere voorwaardenvoldoet:

Meldplicht bij reclassering
Veroordeelde meldt zich gedurende de proeftijd op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Fivoor op het adres Westerstraat 5-9 in Rotterdam;

Ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname
Veroordeelde laat zich gedurende de proeftijd behandelen door Stichting Ontmoeting of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik/bij overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van veroordeelde dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie / stabilisatie / observatie / diagnostiek / crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat veroordeelde zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing;

Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang
Veroordeelde verblijft gedurende de proeftijd, of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, in Stichting Ontmoeting of een soortgelijke instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start zo spoedig mogelijk. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;

Aflossing schulden
Veroordeelde werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;

Beheersing middelengebruik
Veroordeelde werkt gedurende de proeftijd mee aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), lijst II (softdrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek
van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten
behoeve daarvan te begeleiden. Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
 ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het
nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel
1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
 medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14e, zesde lid,
van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan
huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de
reclassering dit noodzakelijk acht.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.R.J. van Wel, voorzitter
mrs. H.J. Bos en M.P.N. Gommers, rechters
in tegenwoordigheid van mr. A. Fransen, griffier
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 juni 2026.
De griffier is niet in staat om dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I – Tenlastelegging
Aan verdachte [verdachte] is tenlastegelegd dat hij
in of omstreeks de periode van 5 augustus 2025 tot en met 10 augustus 2025 te Amsterdam en/of elders in Nederland, in elk geval in Nederland, en/of te Hoogstraten in België en/of elders in België, in elk geval in België, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, het lijk van [slachtoffer] heeft begraven, verborgen, weggevoerd en/of weggemaakt, met het oogmerk om het feit en/of de oorzaak van het overlijden, te verhelen.