Uitspraak
RECHTBANK Amsterdam
2.
[gedaagde 2],
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
4.
[gedaagde 4],
1.De zaak en de beslissingen van de rechtbank in het kort
2.De procedure
3.De feiten
Geldboetes voor handel met voorwetenschap
[ [datum 3] -2024, 16:04:39] [gedaagde 4]: Concept
[ [datum 4] -2024, 11:25:32] [eiser]: FYI mijn boet was 20k
[ [datum 4] -2024, 12:30:23] [gedaagde 2]: dan zetten we er ‘kennelijk’ voor. Dan nemen we nog meer afstand. En dat je het weet moge wel duidelijk zijn na deze zaak: Naar aanleiding van uw vragen bericht ik u als volgt. Ik heb mij niet schuldig gemaakt aan hetgeen u beweert. Door een wat onhandige gang van zaken ben ik, samen met mijn schoonzus, enkele jaren geleden verdachte geworden en heeft een onderzoek plaatsgevonden. Er was geen sprake van het bewust delen of gebruik maken van verboden informatie. Maar een familielid heeft destijds kennelijk zonder mijn medeweten helaas toch gehandeld op basis van een onschuldig bedoeld gesprek. Omdat ik mijzelf, mijn naasten en mijn werkgever, een jarenlange procedure wilde besparen, die gepaard zou gaan met grote kosten, onzekerheid en reputatieschade, heb ik ingestemd met een schikking. Ik wil wel benadrukken dat ik van mening ben dat ik in een procedure uiteindelijk zou worden vrijgesproken. Maar door te schikken konden ik en de hiervoor bedoelde personen de zaak snel afsluiten. Een en ander is afgestemd met mijn werkgever. Alles is uitdrukkelijk geschied zonder schulderkenning en ook onder de voorwaarde dat daaraan geen ruchtbaarheid zou worden gegeven. Ik constateer nu dat deze vervelende zaak toch bij u terecht is gekomen en dat betreur ik. Ook omdat de officier van justitie heeft ingestemd met een geanonimiseerd persbericht. Dat was voor mij een belangrijke voorwaarde om deze schikking aan te gaan. De boete was overigens 20.000 euro. Ik ga ervan uit dat u prudent met mijn personalia zult omgaan.
OM beboet [bedrijf] - directeur en ABN AMRO-bankier in voorkenniszaak
4.Het geschil
5.De beoordeling
hem[ [eiser] , rechtbank]
hebben gevraagd bij welke gelegenheid hij dat gesprek[met ['schoonzus / aangetrouwd familielid' eiser] , rechtbank]
dan heeft gevoerd”, dat
“Alle per WhatsApp gewisselde conceptreacties aan [naam 3] tot stand zijn gekomen op basis van de toelichtingen van [eiser] .”en
“Ik ben er altijd vanuit gegaan dat het klopte wat ik had begrepen. Ik ben namelijk ook nooit gecorrigeerd.”.[gedaagde 1] heeft tijdens de zitting verklaard dat [eiser] toen ook heeft gezegd dat hij voornoemde mededelingen beter niet had kunnen doen. Kort na dat telefoongesprek heeft [gedaagde 4] een eerste conceptcommentaar opgesteld en dat in het WhatsApp-groepsgesprek tussen partijen gedeeld in zijn bericht van 16:04:39 (zie 3. 15 ). De inhoud van het eerste conceptcommentaar strookt ook met wat [eiser] – volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 3] – in het daaraan voorafgaande telefoongesprek tegen hen heeft gezegd. Daarin staat onder meer het volgende:
Maar een familielid heeft destijds zonder mijn medeweten toch gehandeld op basis van een onschuldig bedoeld gesprek” kon worden begrepen als een bekentenis van schuld aan het mededelen van voorwetenschap (zie 3.18). [eiser] heeft die opmerking van zijn broer vervolgens in het WhatsApp-groepsgesprek gedeeld. Daarop heeft [gedaagde 2] gesuggereerd aan die zin het woord ‘
kennelijk’toe te voegen, zodat die – in het derde conceptcommentaar van zijn hand – als volgt kwam te luiden: “
Maar een familielid heeft destijds kennelijk zonder mijn medeweten helaas toch gehandeld op basis van een onschuldig bedoeld gesprek” (zie het bericht van [gedaagde 2] van [datum 4] 2024 van 12:30:23 in 3.19).
kennelijk’in het derde conceptcommentaar, niet is overgenomen in het vierde conceptcommentaar (vergelijk de berichten van [gedaagde 2] van [datum 4] 2024 van 12:30:23 en 13:30:23 in 3.19). Volgens [eiser] had het woord ‘
kennelijk’niet mogen worden weggelaten, omdat zonder dat relativerende woord de passage nog stelliger als schuldbekentenis kon worden gelezen. Voor zover [eiser] bedoelt dat [gedaagde 1] en [gedaagde 3] hierdoor zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun verplichtingen tegenover hem, wordt hij daarin niet gevolgd. Uit de brieven van [bedrijf] van 15 november 2021 en [datum 5] 2024 (zie 3.8 en 3.24) blijkt afdoende dat deze passage niet redengevend is geweest voor het ontslag.
onschuldig bedoelde gesprek” niet zag op een gesprek tussen hemzelf en ['schoonzus / aangetrouwd familielid' eiser] , maar op het gesprek tussen [de vader van schoonzus] en zijn vermogensbeheerder (zie 3.5), omdat hij gedurende het strafrechtelijk onderzoek meermaals geluidsopnamen heeft gehoord van dat gesprek.
schoonzus’(zie 3.19). Verder heeft [gedaagde 1] onweersproken toegelicht dat [eiser] een telefoongesprek met [gedaagde 2] ook over het gebruik van het woord ‘
schoonzus’heeft gesproken. Partijen zijn het erover eens dat het woord ‘
schoonzus’in de eerste drie conceptcommentaren werd gebruikt om ['schoonzus / aangetrouwd familielid' eiser] aan te duiden en dat dit – op initiatief van [eiser] – is veranderd in ‘
aangetrouwd familielid’. Dit alles wijst erop dat het in de passage genoemde “
onschuldig bedoelde gesprek” zag op een gesprek tussen [eiser] zelf en ['schoonzus / aangetrouwd familielid' eiser] . Bij deze stand van zaken valt dan ook niet in te zien dat [eiser] heeft mogen begrijpen dat het in de passage genoemde “
onschuldig bedoelde gesprek” zag op het gesprek tussen [de vader van schoonzus] en zijn vermogensbeheerder.
€ 189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
€ 189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)