ECLI:NL:RBAMS:2026:6447

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
12162096 KK EXPL 26-208
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:206 BWArt. 21 RvArt. 611g lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Executiegeschil over dwangsommen bij herstel brandbeschadigde bedrijfsruimte

Spring Properties werd door de kantonrechter veroordeeld tot herstel van brandschade aan een gehuurde bedrijfsruimte, met dwangsommen bij niet-naleving. Het vonnis bepaalde termijnen voor funderings- en herstelwerkzaamheden, met een dwangsom van maximaal €200.000.

Spring Properties startte tijdig met funderingsherstel, maar de herstelwerkzaamheden waren pas in februari 2026 voltooid. BVD stelde dat daardoor dwangsommen waren verbeurd en vorderde executie. Spring Properties betwistte dit en stelde dat de dwangsommen verjaard waren en dat de funderingswerkzaamheden tijdig waren afgerond.

De rechtbank oordeelde dat de dwangsommen over de periode 4 april 2025 tot 3 september 2025 verjaard zijn vanwege het ontbreken van stuiting, waardoor incasso over die periode verboden is. Voor de periode daarna tot 20 oktober 2025 is incasso wel toegestaan. De proceskosten werden gecompenseerd en het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: BVD wordt verboden dwangsommen te incasseren over de periode 4 april 2025 tot 3 september 2025 en na 20 oktober 2025 wegens verjaring en misbruik van executiebevoegdheid.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 12162096 \ KK EXPL 26-208
Vonnis in kort geding van 19 juni 2026
in de zaak van
SPRING PROPERTIES G S.A.R.L.,
te Luxemburg,
eisende partij,
hierna te noemen: Spring Properties,
gemachtigde: mr. H.J. Hagemans,
tegen
BVD TWEEWIELERS OOST B.V.,
te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: BVD,
gemachtigde: mr. M. Cohen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 2 april 2026 met producties,
- de conclusie van antwoord met producties.
1.2.
Op 5 juni 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft BVD een aanvullende productie ingediend. Namens Spring Properties zijn verschenen [naam 1] en [naam 2] , bijgestaan door de gemachtigde. Namens BVD is verschenen [naam 3] , bijgestaan door de gemachtigde. Partijen hebben ter zitting hun standpunten toegelicht, de gemachtigden mede aan de hand van pleitaantekeningen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt. Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Op 19 januari 2024 heeft in een door BVD van Spring Properties gehuurde bedrijfsruimte een brand plaatsgevonden waardoor ernstige schade is ontstaan aan het gehuurde.
2.2.
Bij vonnis in kort geding van 5 november 2024 met zaak- en rekestnummer 11316773 KK EXPL 24-641 (hierna: het vonnis) heeft de kantonrechter te Amsterdam Spring Properties veroordeeld tot herstel van de gebreken in het gehuurde als gevolg van de brand. In het vonnis staat, voor zover van belang, het volgende:
“(…)
4.7.
Volgens een door Spring Properties overgelegde offerte van 14 september 2024 zijn met het herstel van het gehuurde ten minste de volgende werkzaamheden gemoeid:
  • Bouwplaatsvoorzieningen € 2.343,66
  • Stut- en sloopwerken € 6.694,02
  • Kozijnen, ramen en deuren € 24.381,00
  • Systeem trappen en -hekken € 5.702,19
  • Tegelwerk € 724,56
  • Gipsplafonds € 27.493,16
  • Systeemwanden € 6.361,29
  • Toilet en keukenblokje € 6.772,50
  • Elektra-installatie en loodgieterswerk € 9.594,38
  • Diversen € 2.659.66
Totaal: € 92.726,42
(…)
4.13.
Dat neemt echter niet weg dat óók BVD belang heeft bij een solide functionerende fundering en dat het voor de hand ligt dat eventuele herstelwerkzaamheden aan de fundering tegelijkertijd met de overige herstelwerkzaamheden worden uitgevoerd, te meer nu het pand op dit moment leeg staat. Gelet op de toezegging van Spring Properties dat de werkzaamheden aan de fundering op 1 november 2024 al zullen starten en de verwachte duur van de werkzaamheden ongeveer 12 weken bedraagt, zal de kantonrechter daar in de beslissing rekening mee houden.
Conclusie
4.14.
Dat betekent dat de kantonrechter Spring Properties een termijn van 12 weken na betekening van dit vonnis zal bieden om de herstelwerkzaamheden aan te laten vangen. Naar verwachting zijn de funderingswerkzaamheden dan afgerond. Voor het herstel van de gebreken zal vervolgens een termijn van één maand gelden.
(…)
5. De beslissing
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt Spring Properties tot herstel van de gebreken in het gehuurde als gevolg van de brand in de nacht van 18 op 19 januari 2024, in die zin dat de brandschade aan het gehuurde volledig wordt hersteld alsook voortvarend en onafgebroken,
5.2.
bepaalt dat de herstelwerkzaamheden uiterlijk aan dienen te vangen binnen 7 dagen na betekening van dit vonnis en dat het gehuurde in goede en deugdelijke staat uiterlijk 1 maand na de start van de herstelwerkzaamheden aan BVD ter beschikking moet worden gesteld, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per dag voor iedere dag dat Spring Properties na betekening van dit vonnis in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen tot een maximum van € 200.000,- is bereikt, hetgeen alleen anders kan zijn als per 1 november 2024 de funderingswerkzaamheden zijn gestart en binnen twaalf weken zijn afgerond, waarbij de herstelwerkzaamheden direct daar aansluitend dienen aan te vangen,
(…)
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
(…)”
2.3.
Bij exploot van 11 november 2024 heeft de deurwaarder het vonnis aan Spring Properties betekend. In het exploot is Spring Properties bevel gedaan aan de inhoud van het vonnis te voldoen, met aanzegging dat zij een dwangsom van € 1.000,00 per dag, met een maximum van € 200.000,00, verbeurt indien zij daarmee in gebreke blijft.
2.4.
Spring Properties heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis.
2.5.
Bij e-mail van 8 april 2025 heeft Spring Properties aan BVD meegedeeld dat het gehuurde met inachtneming van enkele werkzaamheden van beperkte omvang gereed was. Daarop heeft BVD, onder meer, gereageerd dat het geheel er nog steeds hetzelfde uitziet als in april 2024 met uitzondering van de vloer en er niets is terecht gekomen van de herstelwerkzaamheden.
2.6.
Bij e-mail van 23 juni 2025 heeft de voormalig gemachtigde van BVD aan de gemachtigde van Spring Properties, onder meer, het volgende geschreven:
“(…) Verder geldt dat het gehuurde nog steeds niet gereed is zodat mijn cliënte een aanvang zal nemen met het incasseren van dwangsommen. (…)”
2.7.
Op 19 september 2025 heeft tussen partijen een gesprek in het kader van mediation plaatsgevonden.
2.8.
Op 11 november 2025 heeft het gerechtshof Amsterdam arrest gewezen met zaaknummer 200.351.249/01 SKG (hierna: het arrest). In het arrest heeft het hof, voor zover van belang, als volgt overwogen en beslist:
“(…)
5.13.
Als hiervoor overwogen geldt dat de hoofdregel van artikel 7:206 lid 1 BW Pro van toepassing blijft: Spring Porperties is gehouden om gebreken te verhelpen. (…)
5.16.
Het hof overweegt als volgt. De kantonrechter heeft de termijn voor het aanvangen van de herstelwerkzaamheden afgestemd op de door Spring Properties zelf aangekondigde planning, te weten een start van de funderingswerkzaamheden op 1 november 2024 met een verwachte duur van twaalf weken, waarna het herstel van de brandschade kon volgen. Dat uitgangspunt was destijds reëel en sloot aan bij de stukken die Spring Properties had overgelegd. Dat zich in de uitvoering nadien vertragingen hebben voorgedaan, kan niet zonder meer aan BVD worden tegengeworpen, nu Spring Properties geen concrete stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat daadwerkelijk sprake was van onvoorziene omstandigheden die een langere duur noodzakelijk maakten. Het hof merkt daarbij op dat van een professionele partij als Spring Properties bovendien mag worden verwacht dat zij bij het plannen en uitvoeren van herstel- en funderingswerkzaamheden rekening houdt met constructieve onzekerheden of vergunningsprocedures. Dat achteraf herberekeningen nodig bleken of aanvullende werkzaamheden zijn uitgevoerd, maakt niet dat de door de kantonrechter vastgestelde termijn bij voorbaat onredelijk was. Het hof zal de startdatum 1 november 2024 daarom niet wijzigen.
5.17.
De termijn van één maand voor de binnenafbouw zal het hof wel stellen op tien weken. Die termijn is vermeld in de herstelofferte. Niet goed valt in te zien hoe herstel synchroon kan lopen met funderingsherstel. In zoverre slaagt de grief.
(…)
6. Beslissing
Het hof:
In de hoofdzaak en het incident:
6.1.
vernietigt het bestreden vonnis, voor zover daarbij in het dictum onder 5.2. in de 2e en 3e regel “uiterlijk 1 maand” is vermeld en stelt daarvoor in de plaats: “uiterlijk tien weken”;
6.2.
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;
(…)”
2.9.
Bij exploot van 3 maart 2026 heeft de deurwaarder het arrest aan Spring Properties betekend en aan Spring Properties bevel gedaan om binnen twee dagen het bedrag van
€ 200.000,00 aan verbeurde dwangsommen te voldoen, te vermeerderen met de explootkosten. In het exploot staat, voor zover relevant, het volgende:
“(…)
dat blijkens het ten deze betekende arrest het Gerechtshof de hersteltermijn van twaalf weken met tien weken heeft verlengd tot totaal tweeëntwintig weken;
Dat rekwirante heeft moeten ervaren dat het herstel eerst op 18 februari 2026 was voltooid, immers was op dat moment de vloer geëgaliseerd en daarmee voor het eerst bruikbaar voor afbouw door huurder.
Dat de rerekwireerde daardoor in het tijdvak 4 april 2025 tot en met 18 februari 2026 dwangsommen heeft verbeurd.
Dat derhalve door gerekwireerde het maximum aan opgelegde dwangsommen, derhalve € 200.000,00 is verbeurd;
(…)”

3.Het geschil

3.1.
Spring Properties vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, BVD te verbieden om over te gaan tot executie van het vonnis tezamen met het arrest, althans de executie te staken en gestaakt te houden, in ieder geval voor zover dat ziet op de executie van eventueel door Spring Properties verbeurde dwangsommen, totdat in een eventuele bodemprocedure daarover is besloten, op straffe van een dwangsom, met veroordeling van BVD in de proceskosten.
3.2.
Spring Properties legt aan de vordering, kort gezegd, ten grondslag dat zij geen dwangsommen verbeurd heeft. Uit het exploot van 3 maart 2026 blijkt niet, althans onvoldoende, waarvoor en op grond waarvan BVD meent tot het treffen van executiemaatregelen jegens Spring Properties over te mogen gaan. De fundering was tijdig gereed en Spring Properties heeft BVD na uitvoering van de aanvullende herstelwerkzaamheden op 8 april 2025 uitgenodigd het gehuurde weer in gebruik te nemen. Bij goede lezing van rechtsoverweging 5.2 van het vonnis blijkt dat er geen dwangsommen worden verbeurd indien de funderingswerkzaamheden per 1 november 2024 zijn gestart en binnen twaalf weken zijn afgerond, waarbij de herstelwerkzaamheden direct aansluitend dienen aan te vangen. Spring Properties heeft de funderingswerkzaamheden binnen twaalf weken afgerond en de herstelwerkzaamheden zijn direct daarna aangevangen zodat er in het geheel geen dwangsommen zijn verbeurd. Voor zover er al dwangsommen zijn verbeurd, kan de gestelde aanvangstermijn van 4 april 2025 en de eindtermijn van 18 februari 2025 niet worden vastgesteld. Bovendien omvat deze periode 320 dagen, terwijl na 200 dagen het maximum van te verbeuren dwangsommen is bereikt. Volgens Spring Properties kunnen dwangsommen niet worden verbeurd op grond van een arrest dat niet eerder betekend is en is er ook sprake van verjaring. Tot slot wijst Spring Properties op het bestaan van een reëel restitutierisico.
3.3.
BVD voert verweer. BVD concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Spring Properties, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Spring Properties, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Spring Properties in de kosten van deze procedure.
3.4.
BVD voert daartoe, samengevat, het volgende aan. Uit het vonnis en het arrest volgt dat Spring Properties vanaf 1 november 2024 twaalf weken de gelegenheid kreeg voor funderingsherstel, om daarna binnen tien weken het gehuurde te herstellen, aan welke verplichting een dwangsom is verbonden. Het gehuurde had daarom uiterlijk op 4 april 2025 volledig hersteld moeten zijn. Spring Properties heeft niet aan haar herstelplicht voldaan. Op 4 april 2025 was het gehuurde verre van gereed. Spring Properties heeft nog tot eind oktober 2025 werkzaamheden in het gehuurde laten uitvoeren. Omdat de vloer ondeugdelijk en niet geëgaliseerd was, zag BVD zich eind februari 2026 genoodzaakt deze werkzaamheden zelf te laten verrichten. De herstelwerkzaamheden zijn toen dus pas voltooid. Van verjaring kan geen sprake zijn omdat de procedure bij het hof liep. Bovendien is er sprake van stuiting van de verjaring, nu de voormalig gemachtigde van BVD op 23 juni 2025 aanspraak heeft gemaakt op de dwangsommen en de dwangsommen ook tijdens de mediation in september 2025 aan bod zijn gekomen. Het beroep op een vermeend restitutierisico is onredelijk. Tot slot voert BVD aan dat bij de beoordeling van de stellingen van Spring Properties er rekening mee gehouden moet worden dat Spring Properties haar verplichting uit artikel 21 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) geschonden heeft.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De spoedeisendheid in deze zaak vloeit voort uit de aard van de vordering.
4.2.
Bij de verdere beoordeling geldt dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat Spring Properties in strijd met artikel 21 Rv Pro essentiële voor de beslissing van belang zijnde feiten onvermeld heeft gelaten en aldus de kantonrechter onjuist en onvolledig heeft voorgelicht.
4.3.
Het gaat in dit kort geding om de vraag of er aanleiding bestaat om BVD
voorlopig het recht te ontzeggen om over te gaan tot tenuitvoerlegging van het vonnis in samenhang met het arrest. De aangezegde tenuitvoerlegging strekt tot inning van dwangsommen die Spring Properties volgens BVD heeft verbeurd, omdat zij niet heeft voldaan aan het haar opgelegde bevel. In dit executiegeschil beperkt de kantonrechter zich ertoe de ter uitvoering van de veroordelende beslissing verrichte handelingen te toetsen aan de inhoud van de veroordeling, zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. Daarbij dient de kantonrechter het doel en de strekking van het bevel tot richtsnoer te nemen in die zin dat het bevel niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel. De rechter kan geen eigen oordeel geven over de juistheid van de rechterlijke beslissing die ten uitvoer wordt gelegd of van de onderliggende rechtsoverwegingen.
4.4.
Het vonnis, waarbij Spring Properties op straffe van een dwangsom veroordeeld is tot het uitvoeren van herstelwerkzaamheden is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. BVD heeft dit vonnis op 11 november 2024 aan Spring Properties betekend. Daarmee kan BVD in beginsel aanspraak maken op verbeurde dwangsommen. Vervolgens heeft het hof uitsluitend de termijn waarbinnen Spring Properties aan de veroordeling moest voldoen verruimd en het vonnis verder in stand gelaten. Partijen verschillen van mening over de uitleg van de veroordeling van het vonnis, zoals hierboven onder 2.2. weergegeven, tezamen met de veroordeling van het arrest, zoals hierboven onder 2.8. weergegeven.
4.5.
Naar voorlopig oordeel van de kantonrechter volgt uit het vonnis, anders dan Spring Properties stelt, niet dat er geen dwangsommen worden verbeurd als de funderingswerkzaamheden uiterlijk op 1 november 2024 zijn gestart, deze binnen twaalf weken zijn afgerond en er vervolgens direct is aangevangen met de herstelwerkzaamheden. Het vonnis bepaalt dat herstelwerkzaamheden uiterlijk binnen 7 dagen na betekening van het vonnis moeten aanvangen, of, indien de funderingswerkzaamheden voor 1 november 2024 starten en binnen twaalf weken zijn afgerond, dat de herstelwerkzaamheden direct daarop moeten volgen, en vervolgens binnen één maand dienen te zijn voltooid. Al deze termijnen zijn gekoppeld aan een dwangsom. Het hof heeft alleen de termijn voor de herstelwerkzaamheden verlengd van één maand naar tien weken.
4.6.
Gelet op de overwegingen van zowel de kantonrechter als het hof kan het dictum van het vonnis niet zo worden uitgelegd dat de dwangsom zich beperkt tot het enkel afdwingen van het tijdig starten van de herstelwerkzaamheden direct na de funderingswerkzaamheden, zonder ook te waarborgen dat deze binnen de gestelde termijn worden afgerond. Een dergelijke uitleg zou Spring Properties onbeperkt de tijd geven tot uitvoering en afronding van het herstel, wat niet strookt met de bedoeling van het vonnis. In het vonnis (en in het arrest) is duidelijk overwogen dat zowel de funderings- als de herstelwerkzaamheden binnen bepaalde termijnen moeten worden uitgevoerd.
4.7.
Niet in geschil is dat Spring Properties voor 1 november 2024 is aangevangen met het funderingsherstel. Op basis van het vonnis en het arrest diende Spring Properties de funderingswerkzaamheden binnen twaalf weken af te ronden en vervolgens de gebreken in het gehuurde als gevolg van de brand binnen tien weken te herstellen, op straffe van verbeurte van een dwangsom. Dit betekent dat het gehuurde uiterlijk op 4 april 2025 hersteld had moeten zijn. In 4.7 van het vonnis is een overzicht opgenomen van de herstelwerkzaamheden die volgens Spring Properties ten minste met het herstel van het gehuurde gemoeid waren (hierboven weergegeven onder 2.2.) Een redelijke uitleg van het vonnis brengt mee dat Spring Properties in 5.2. van het vonnis tot uitvoering van die herstelwerkzaamheden is veroordeeld.
4.8.
Spring Properties stelt dat de herstelwerkzaamheden op 8 april 2025 zijn afgerond, maar uit het door BVD overgelegde chronologische verslag met foto’s (productie 6 bij de conclusie van antwoord), waarvan Spring Properties de juistheid niet heeft weersproken, blijkt dat de installaties en voorzieningen in het gehuurde op die datum nog volledig ontbraken. Uit het voorgaande volgt dat voldoende aannemelijk is dat op 4 april 2025 de eerste dwangsom is verbeurd. Het maximum van € 200.000,00 aan verbeurde dwangsommen is na 200 dagen, zijnde op 20 oktober 2025, bereikt. Uit eerdergenoemd chronologisch verslag blijkt dat de elektrische installaties pas op 28 oktober 2025 zijn aangebracht. Dat betekent dat Spring Properties in beginsel over de periode vanaf 4 april 2025 tot en met 20 oktober 2025 dwangsommen verschuldigd is, tenzij sprake is van verjaring zoals Spring Properties heeft bepleit.
4.9.
Artikel 611g lid 1 Rv bepaalt dat een dwangsom verjaart door verloop van zes maanden na de dag waarop zij verbeurd is. Een dwangsom wordt verbeurd zodra een verbod of gebod na betekening van het vonnis waarbij dat verbod of gebod is opgelegd wordt overtreden of niet wordt nageleefd. Zodra het maximum is bereikt, wordt geen dwangsom meer verbeurd. Binnen de verjaringstermijn moet aanspraak op de verbeurde dwangsommen worden gemaakt.
4.10.
BVD heeft bij exploot van 3 maart 2026 aanspraak gemaakt op de verbeurde dwangsommen. Hierdoor zijn alle dwangsommen die vóór 3 september 2025 verbeurd zijn, verjaard. Het verweer van BVD dat van verjaring geen sprake kan zijn omdat de procedure bij het hof liep, faalt. Het instellen van een rechtsmiddel voorkomt niet dat de verjaring van reeds verbeurde dwangsommen aanvangt voordat op dat rechtsmiddel is beslist. Verder is niet gebleken dat de verjaring door stuiting is onderbroken. De e-mail van 23 juni 2025, waarin alleen wordt meegedeeld dat het gehuurde nog niet gereed is en dat cliënte een aanvang zal nemen met het incasseren van dwangsommen, vormt geen stuitingshandeling. Dit is immers geen schriftelijke aanmaning of een schriftelijke mededeling waarin BVD zich ondubbelzinnig haar recht op nakoming voorbehoudt. Daarnaast is niet aannemelijk geworden dat de dwangsommen tijdens de mediation zijn besproken, en zelfs als dat het geval zou zijn, levert het enkele bespreken van dwangsommen geen stuitingshandeling op.
4.11.
De kantonrechter concludeert op basis van het voorgaande dat aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat de dwangsommen die zijn verbeurd tussen 4 april 2025 en 3 september 2025 verjaard zijn. Tegen deze achtergrond levert de aanspraak op betaling van dwangsommen over die periode misbruik van executiebevoegdheid van BVD op. Dat geldt echter niet voor de dwangsommen die in de periode vanaf 3 september 2025 tot en met 20 oktober 2025 zijn verbeurd. Voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter Spring Properties zal veroordelen tot betaling van die verbeurde dwangsommen, zodat de gevraagde schorsing van de executie over die periode niet toewijsbaar is. Het mogelijke restitutierisico doet daar niet aan af, nu het vonnis waarbij de dwangsom is opgelegd uitvoerbaar bij voorraad is verklaard en het risico mede is ontstaan doordat Spring Properties zich niet aan het bevel heeft gehouden.
4.12.
Een en ander leidt tot de conclusie dat de vordering toewijsbaar is op de wijze zoals hierna in de beslissing is vermeld. Hieraan zal geen dwangsom worden verbonden. Een deurwaarder zal niet tot tenuitvoerlegging van het vonnis en het arrest overgaan, indien hij in kennis wordt gesteld van het vonnis in dit executiegeschil.
4.13.
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
verbiedt BVD om op grond van het kort geding vonnis van de kantonrechter te Amsterdam van 5 november 2024 en het arrest van het hof Amsterdam van 11 november 2024 dwangsommen te incasseren over de periode van 4 april 2025 tot 3 september 2025 en over de periode na 20 oktober 2025;
5.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Sissing, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2026.
51447