ECLI:NL:RBAMS:2026:6490

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
13/063546-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • B.J. Blok
  • P.K. Oosterling-van der Maarel
  • M. Bijleveld
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor mishandeling levensgezel, vernieling, diefstal en wederspannigheid met letsel

De rechtbank Amsterdam heeft verdachte veroordeeld voor mishandeling van zijn levensgezel, vernieling van een auto, diefstal van twee telefoons en wederspannigheid met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg. De mishandelingen vonden plaats tussen maart 2024 en januari 2025, waarbij ook sprake was van geweld terwijl de levensgezel zwanger was. Verdachte heeft zich tijdens zijn aanhouding krachtig verzet, waardoor een politieagent ernstig letsel opliep.

De rechtbank achtte de verklaringen van de aangeefster en getuigen betrouwbaar en baseerde het bewijs op aangiften, getuigenverklaringen, bekennende verklaringen en forensische vaststellingen. De verdediging voerde onder meer aan dat sommige mishandelingen niet bewezen konden worden en dat het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening bij de diefstallen ontbrak, maar deze verweren werden grotendeels verworpen.

De rechtbank legde een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaar op, gecombineerd met een taakstraf van 180 uren. Daarnaast werden schadevergoedingen toegekend aan de benadeelde partijen voor materiële en immateriële schade, met oplegging van schadevergoedingsmaatregelen als waarborg voor betaling.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden en een taakstraf van 180 uren voor mishandeling, vernieling, diefstal en wederspannigheid met zwaar lichamelijk letsel.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/063546-25
Datum uitspraak: 18 juni 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 2002 te Amsterdam,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres] , [woonplaats] ,
thans uit andere hoofde gedetineerd te: [naam PI] .

1.Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 4 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.T.A. de Ridder, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. A.C. Vingerling, naar voren hebben gebracht. Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] en van wat [naam 1] van Slachtofferhulp Nederland namens de benadeelde partij [benadeelde partij 2] hierover ter terechtzitting naar voren heeft gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn levensgezel in de periode van 22 maart 2024 tot en met 3 januari 2025 (
feit 1), vernieling van een autoraam en portier op 22 maart 2024 (
feit 2), diefstal van een telefoon op 12 oktober 2024 (
feit 3), diefstal van een telefoon op 3 januari 2025 (
feit 4) en wederspannigheid met lichamelijk letsel als gevolg op 26 februari 2025 (
feit 5). De feiten zouden hebben plaatsgevonden in Amsterdam, Diemen, Driemond en/of Almere.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat feit 1 wettig en overtuigend kan worden bewezen op grond van de verklaring van verdachte ter terechtzitting, de aangifte van [benadeelde partij 2] (hierna ook: aangeefster) en de getuigenverklaringen.
Ten aanzien van feit 2 en feit 4 heeft verdachte een bekennende verklaring afgelegd. Deze feiten kunnen, in samenhang met de overige bewijsmiddelen in het dossier, eveneens bewezen worden verklaard.
Voor de als feit 3 primair ten laste gelegde diefstal dient vrijspraak te volgen, omdat aangeefster haar telefoon beschadigd heeft teruggekregen. De subsidiair ten laste gelegde vernieling kan daarom wel worden bewezen.
Tot slot kan feit 5 worden bewezen op basis van de aangifte van [benadeelde partij 1] en het proces-verbaal van bevindingen. Door het hevige verzet van verdachte tegen meerdere politieagenten tijdens zijn aanhouding, heeft agent [benadeelde partij 1] zwaar lichamelijk letsel opgelopen.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1 voor zover dit betrekking heeft op de incidenten van 22 maart 2024 en 24 september 2024, omdat de verklaringen van aangeefster niet overeenkomen met de overige bewijsmiddelen in het dossier. Ten aanzien van de ten laste gelegde mishandeling op 12 oktober 2024 onder feit 1 verzoekt de raadsman om partiële vrijspraak voor het trappen tegen de buik, nu dit onderdeel geen steun vindt in het dossier. Met betrekking tot de mishandeling op 3 januari 2025 merkt de raadsman op dat bij aangeefster geen letsel is waargenomen.
Voorts dient verdachte te worden vrijgesproken van feit 3 primair en feit 4, omdat niet kan worden bewezen dat hij het oogmerk had om de telefoon zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Ten aanzien van feit 2 en feit 3 subsidiair refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.
Tot slot heeft de raadsman bepleit dat voor feit 5 niet kan worden vastgesteld dat sprake is van een causaal verband tussen het ten laste gelegde handelen van verdachte en het letsel van de verbalisant, de gebroken vinger. Daarnaast kan niet worden vastgesteld dat er sprake is van zwaar lichamelijk letsel.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
Feit 1
Mishandeling 24 september 2024 (tweede gedachtestreepje)
De rechtbank acht, net als de raadsman, de mishandeling op 24 september 2024 niet bewezen, nu de verklaring van aangeefster op dit punt geen steun vindt in de overige bewijsmiddelen in het dossier.
De rechtbank acht de overige gedachtestreepjes onder feit 1 wel bewezen en overweegt daartoe als volgt.
Anders dan de raadsman acht de rechtbank de verklaringen van aangeefster betrouwbaar. Deze verklaringen vinden op wezenlijke punten steun in de overige bewijsmiddelen in het dossier. De enkele omstandigheid dat aangeefster bekend raakte met het vreemdgaan van verdachte, vormt onvoldoende aanleiding om aan de betrouwbaarheid van haar aangifte te twijfelen.
Mishandeling 22 maart 2024 (eerste gedachtestreepje)
De rechtbank stelt op basis van de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting vast dat verdachte en aangeefster een relatie met elkaar hadden. Verder blijkt uit de aangifte dat verdachte op 22 maart 2024 tegen de enkels van aangeefster heeft getrapt, waardoor zij op de grond is gevallen. Daarna heeft verdachte nog een trap aan de rechterkant van haar lichaam gegeven. Haar verklaring vindt steun in de getuigenverklaring van [naam getuige 1] , waaruit blijkt dat er ruzie was tussen verdachte en aangeefster waarbij de getuige heeft gezien dat verdachte aangeefster een klap gaf waardoor zij op de grond viel.
Mishandeling 12 oktober 2024 (derde, vierde, vijfde en zesde gedachtestreepje)
Uit de aangifte volgt dat verdachte aangeefster meermalen tegen haar enkel heeft geschopt. Voorts volgt uit de aangifte dat verdachte een trap tegen de rechterkant van haar lichaam gaf. Toen aangeefster op de grond lag, heeft verdachte haar meermalen tegen haar benen, rug, buik en in haar gezicht geschopt, terwijl verdachte wist dat aangeefster zwanger was. Vervolgens heeft verdachte haar over de parkeerplaats gesleept en haar in de bosjes gegooid, waarnaar hij haar bleef trappen tegen haar gehele lichaam. Toen aangeefster vervolgens in haar auto zat, heeft verdachte haar met een vlakke hand op de linkerwang geslagen en wederom tegen haar enkel getrapt. Daarna pakte verdachte de voorkant van de jas van aangeefster en trok haar de auto uit, waarna hij haar op de grond gooide. Bij het verhoor door de rechter-commissaris heeft aangeefster verklaard dat verdachte zijn nagels in haar wang heeft gedrukt. De letselverklaring ondersteunt de aangifte en de verklaring van aangeefster. Ook de verklaring van verdachte op de terechtzitting, inhoudende dat hij aangeefster heeft geduwd en geschopt, ondersteunt de aangifte.
Mishandeling 3 januari 2025 (zevende gedachtestreepje)
Uit de aangifte volgt dat verdachte aangeefster met vlakke hand en met gebalde vuist in het gezicht heeft geslagen. De aangifte wordt ondersteund door de getuigenverklaring van [naam getuige 2] , die heeft verklaard dat verdachte aangeefster heeft geslagen. Uit de getuigenverklaring van [naam getuige 3] volgt voorts dat verdachte en aangeefster met elkaar in worsteling waren, waarbij verdachte aangeefster met beide armen tegen het portier aan de passagierszijde van de auto drukte.
Feit 2
De rechtbank stelt op basis van de bekennende verklaring van verdachte, de aangifte en de foto’s van de auto vast dat verdachte het raam van de auto heeft vernield en het portier van de auto heeft beschadigd.
Feit 3 en 4
Op basis van de bekennende verklaring van verdachte en de aangifte stelt de rechtbank vast dat verdachte de telefoons van aangeefster heeft meegenomen. Anders dan de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat verdachte de telefoons van aangeefster met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen. Verdachte is immers als heer en meester over de weggenomen telefoons gaan beschikken, door deze bij zich te houden en vervolgens op enig moment te besluiten deze weg te gooien. Daarmee is sprake van diefstal. Dat verdachte de telefoons heeft weggegooid (met het risico dat ze worden beschadigd) en aangeefster een van die telefoons (feit 3) naderhand beschadigd heeft teruggevonden, doet hier naar het oordeel van de rechtbank niet aan af.
Feit 5
Op basis van de aangifte van [benadeelde partij 1] en de processen-verbaal van 26 februari 2025 stelt de rechtbank vast dat verdachte probeerde te vluchten voor verbalisanten, onder wie [benadeelde partij 1] en [naam verbalisant] . Dit begon toen verdachte de deur van zijn woning wilde sluiten na het zien van de politie. Toen verbalisant [naam verbalisant] zijn voet tussen de deur deed en verdachte bij zijn bovenarm greep, trok verdachte zich met kracht los, duwde [naam verbalisant] voor zich uit en rende weg. Ook toen verbalisant [benadeelde partij 1] hem bij zijn jas vastgreep, bleef verdachte zijn arm meermalen met kracht terugtrekken, waardoor een worsteling ontstond. Meerdere verbalisanten hebben verdachte naar de grond moeten werken terwijl verdachte zich met kracht bleef verzetten. Tijdens dit verzet voelde verbalisant [benadeelde partij 1] een hevige pijn en nam hij een onnatuurlijke stand van zijn linker ringvinger waar. De vinger bleek na onderzoek in het ziekenhuis op meerdere plaatsen gebroken te zijn. De rechtbank is van oordeel dat dit letsel het rechtstreekse gevolg is van de handelingen en het hevige verzet van verdachte. Nu verbalisant [benadeelde partij 1] als gevolg van het feit geruime tijd zijn werk niet heeft kunnen uitvoeren, hij medisch ingrijpen (onder meer bestaande uit het aanbrengen van een spalk) heeft ondergaan en anderhalf jaar na het incident nog steeds pijn heeft aan zijn vinger en deze niet meer volledig zal kunnen bewegen, oordeelt de rechtbank dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel.
Op grond van het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan meerdere mishandelingen van zijn levensgezel (feit 1), vernieling (feit 2), twee diefstallen van telefoons (feit 3 en 4) en aan wederspannigheid met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg (feit 5).

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
feit 1
op een of meer tijdstippen in de periode van 22 maart 2024 tot en met 3 januari 2025 te Amsterdam en te Diemen en te Driemond, zijn levensgezel, [benadeelde partij 2] , heeft mishandeld door
-op 22 maart 2024 te Diemen met kracht te slaan en/ te trappen tegen de enkels en lichaam van voornoemde [benadeelde partij 2] en
-op 12 oktober 2024 te Diemen meermalen met kracht te schoppen en te trappen tegen de enkel en buik en het lichaam van voornoemde [benadeelde partij 2] (zulks terwijl hij, verdachte wist, dat voornoemde [benadeelde partij 2] ongeveer 5 weken in verwachting was) en
-voornoemde [benadeelde partij 2] uit de auto te trekken en over de grond te slepen en in de bosjes te gooien en
-met zijn, verdachte's nagels in de wang van voornoemde [benadeelde partij 2] te drukken en
-te slaan tegen de wang van voornoemde [benadeelde partij 2] en
-op 3 januari 2025 te Driemond meermalen te slaan en te stompen tegen het gezicht van voornoemde [benadeelde partij 2] en in worsteling te geraken met voornoemde [benadeelde partij 2] ;
feit 2
op 22 maart 2024 te Diemen, opzettelijk en wederrechtelijk een raam en een portier van een auto (kenteken [kenteken] ), die geheel aan [naam 2] , toebehoorde heeft vernield en beschadigd;
feit 3
op 12 oktober 2024 te Diemen, een telefoon, die geheel aan [benadeelde partij 2] , toebehoorde) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
feit 4
op 3 januari 2025 te Driemond, een telefoon, die geheel aan [benadeelde partij 2] , toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
feit 5
op 26 februari 2025 te Almere zich met geweld heeft verzet tegen ambtenaren, [benadeelde partij 1] en [naam verbalisant] (hoofdagenten bij de Eenheid Amsterdam), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten, ter aanhouding van verdachte, door toen hij, verdachte, werd aangehouden en vastgepakt
-zich met kracht los te trekken en zijn arm terug te trekken uit de greep van voornoemde [naam verbalisant] en [benadeelde partij 1] en
-voornoemde [naam verbalisant] te duwen en
-in worsteling te geraken met voornoemde [naam verbalisant] en [benadeelde partij 1] terwijl dit misdrijf en daarmede gepaard gaande feitelijkheden zwaar lichamelijk letsel, , te weten meerdere breuken van het middelste vingerkootje van linker ringvinger (comminutieve fractuur, middenfalanx vierde straal, doorlopend tot in articulaire proximale basis) bij die [benadeelde partij 1] ten gevolge heeft gehad.

5.Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straffen en maatregelen

7.1.
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd om een gevangenisstraf van 9 maanden op te leggen waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
7.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de rol die aangeefster heeft gespeeld in de ruzies met verdachte. Verder heeft de raadsman verzocht een voorwaardelijke gevangenisstraf en een forse taakstraf op te leggen en rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
7.3.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere mishandelingen van zijn toenmalige vriendin. Daarnaast heeft hij tweemaal haar telefoon gestolen en heeft hij de auto van haar moeder vernield. Verdachte heeft hiermee zijn ex-vriendin pijn, angst, schade en verdriet bezorgd binnen hun relatie waarin zij zich juist veilig moest kunnen voelen. Voor zover sprake is geweest van een toxische relactie, zoals door verdachte en zijn raadsman naar voren is gebracht, dan is dat geen rechtvaardiging voor gewelddadig gedrag. Ook heeft hij zich tijdens zijn aanhouding zo verzet dat een politieagent daaraan zwaar lichamelijk letsel heeft overgehouden. Verdachte heeft hiermee het gezag ondermijnd van ambtenaren die een publieke taak verrichten. Agenten moeten onder normale omstandigheden hun werk kunnen doen zonder met dergelijk gedrag geconfronteerd te worden. De rechtbank vindt het agressieve gedrag van verdachte ernstig en neemt dit verdachte kwalijk.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 22 april 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke geweldsdelicten, wel voor vermogensdelicten.
Strafoplegging
Om te bevorderen dat landelijk door rechtbanken voor dezelfde feiten ongeveer dezelfde straffen worden opgelegd, zijn door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) oriëntatiepunten opgesteld. De rechtbank heeft bij de oplegging van de straf voor het bewezenverklaarde feit gekeken naar deze oriëntatiepunten. Voor een mishandeling, lichamelijk letsel ten gevolge hebbend, is het uitgangspunt een geldboete van € 1.000,-, terwijl in huiselijk geweld situaties qua strafmodaliteit vaak een taakstraf met al dan niet een voorwaardelijke gevangenisstraf in beeld komt. Voor een diefstal van een telefoon is het uitgangspunt een taakstraf van 30 uren. Voor vernieling met aanzienlijke schade en voor wederspannigheid bestaan geen oriëntatiepunten, maar wordt niet zelden een taakstraf opgelegd.
De rechtbank houdt in strafverzwarende zin rekening met het feit dat verdachte op meerdere momenten mishandelingen heeft gepleegd tegen zijn toenmalige levensgezel, ook terwijl zij zwanger was. De rechtbank houdt in strafverzwarende zin rekening met de omstandigheid dat verdachte geen inzicht toont de ernst van zijn gedragingen. Deze strafverzwarende omstandigheden maken naar het oordeel van de rechtbank echter niet dat de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf – in het licht van de hiervoor genoemde uitgangspunten – passend is. De rechtbank zal aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf opleggen. De rechtbank vindt een voorwaardelijke gevangenisstraf noodzakelijk vanuit het oogpunt van generale en speciale preventie, als stok achter de deur om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaar passend. Daarnaast zal de rechtbank een taakstraf van 180 uren opleggen.

8.Benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

8.1.
Benadeelde partij [benadeelde partij 2]
De benadeelde partij [benadeelde partij 2] vordert voor een bedrag van € 2.675,26 aan materiële schade en € 3.000,- aan immateriële schade, met vermeerdering van de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Op de zitting heeft [naam 1] van Slachtofferhulp Nederland de vordering nader toegelicht.
Standpunt van de officier van justitie en de verdediging
De officier van justitie heeft verzocht de benadeelde partij [benadeelde partij 2] in haar vordering met betrekking tot de reparatiekosten van de auto niet-ontvankelijk te verklaren en de vordering voor het overige toe te wijzen.
De raadsman heeft zich ten aanzien van de materiële schadevergoeding op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet gemachtigd is om schadevergoeding voor de auto te verzoeken, omdat de auto van haar moeder is. Daarnaast is de vordering op dat punt onvoldoende onderbouwd. Ten aanzien van de vordering tot immateriële schadevergoeding heeft de raadsman verzocht de vordering te matigen.
Oordeel van de rechtbank
Vaststaat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht.
De vordering bestaat uit € 319,- reparatiekosten telefoonscherm, € 825,07 dagwaarde gestolen telefoon, € 1.381,19 offerte reparatie voor de auto en € 150,- taxatiekosten. De omvang van de schade als gevolg van het wegnemen van de telefoons is niet betwist en de rechtbank acht de gevorderde bedragen ook redelijk. De offerte voor de reparatie van de auto en de taxatiekosten zien op de auto van de moeder van [benadeelde partij 2] , maar [benadeelde partij 2] heeft voldoende toegelicht dat zij die kosten moet dragen. Ook deze bedragen vindt de rechtbank redelijk. De rechtbank wijst de materiële schadevordering dan ook volledig toe.
Verder staat vast dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade, aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen. De rechtbank oordeelt dat daarnaast voldoende onderbouwd is dat de benadeelde partij ook geestelijk letsel aan de bewezenverklaarde mishandelingen heeft overgehouden. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schade naar billijkheid op € 1.500,- en wijst dat toe. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige deel van die vordering niet-ontvankelijk.
De benadeelde partij kan het deel van de vordering waarin zij niet-ontvankelijk wordt verklaard bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
SchadevergoedingsmaatregelIn het belang van [benadeelde partij 2] wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht) aan verdachte opgelegd.
8.2.
Benadeelde partij [benadeelde partij 1]
De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert voor een bedrag van € 435,- aan materiële schade en € 2.100,- aan immateriële schade, met vermeerdering van de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de officier van justitie en de verdediging
De officier van justitie heeft verzocht de benadeelde partij [benadeelde partij 1] in zijn vordering met betrekking tot de huishoudelijke hulp niet-ontvankelijk te verklaren en de vordering voor het overige toe te wijzen.
De raadsman heeft eveneens verzocht [benadeelde partij 1] in zijn vordering met betrekking tot de huishoudelijke hulp niet-ontvankelijk te verklaren. Ten aanzien van de vordering tot immateriële schadevergoeding heeft de raadsman verzocht de vordering te matigen.
Oordeel van de rechtbank
Vaststaat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht.
De rechtbank wijst de materiële schadevordering volledig toe. Het gevorderde bedrag bestaat uit kosten voor huishoudelijke hulp. De rechtbank zoekt aansluiting bij de Richtlijn Huishoudelijke Hulp van de Letselschade Raad en neemt een normbedrag van € 123,- per week als uitgangspunt. [benadeelde partij 1] heeft toegelicht dat hij (tenminste) vier weken hulp nodig heeft gehad, zodat de rechtbank het gevorderde bedrag redelijk acht.
Verder staat vast dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade, aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de zogenoemde Rotterdamse schaal en vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schade naar billijkheid op € 2.100,- en wijst dat toe.
SchadevergoedingsmaatregelIn het belang van [benadeelde partij 1] wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht) aan verdachte opgelegd.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 63, 181, 300, 310, 350 van het Wetboek van Strafrecht.

10.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek vier is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Feit 1
Mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel, meermalen gepleegd
Feit 2
Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen, meermalen gepleegd
Feit 3 en 4
Telkens: diefstal
Feit 5
Wederspannigheid, terwijl het misdrijf of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebben
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
taakstraf van 180 (honderdtachtig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van
90 (negentig) dagen
Bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf naar rato van 2 uur per dag.
Veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.
Beveelt dat
deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later iets anders wordt gelast.
Stelt daarbij een proeftijd van
2 (twee) jarenvast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Benadeelde partij [benadeelde partij 2]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] toe tot een bedrag van
€ 2.675,26 (tweeduizendzeshonderdvijfenzeventig euro en zesentwintig cent)aan vergoeding van
materiële schadeen een bedrag van
€ 1.500,- (duizendvijfhonderd euro)aan vergoeding van
immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 3 januari 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 2] voornoemd en veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in haar vordering.
SchadevergoedingsmaatregelLegt verdachte de
verplichtingop om ten behoeve van [benadeelde partij 2]
aan de Staat € 4.175,26 (vierduizendhonderdvijfenzeventig euro en zesentwintig cent)te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (3 januari 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van
40 (veertig) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover veroordeelde aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Benadeelde partij [benadeelde partij 1]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] toe tot een bedrag van
€ 435,- (vierhonderdvijfendertig euro)aan vergoeding van
materiële schadeen een bedrag van
€ 2.100,- (tweeduizendhonderd euro)aan vergoeding van
immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 26 februari 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 1] voornoemd en veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
SchadevergoedingsmaatregelLegt verdachte de
verplichtingop om ten behoeve van [benadeelde partij 1]
aan de Staat € 2.535,- (tweeduizendvijfhonderdvijfendertig euro)te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (26 februari 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van
25 (vijfentwintig) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover veroordeelde aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. B.J. Blok, voorzitter,
mr. P.K. Oosterling-van der Maarel en mr. M. Bijleveld, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. F.F. Wormhoudt, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 juni 2026.