ECLI:NL:RBAMS:2026:6584

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
C/13/783260 / HA ZA 26-120
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:15 lid 1 BWArt. 2:15 lid 3 BWArt. 93 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid rechtbank Amsterdam in geschil over schorsingsbesluit Koninklijke Nederlandse Dambond

In deze civiele bodemzaak vordert eiser, een Nederlandse topsporter in het dammen, de vernietiging van een schorsingsbesluit van de Koninklijke Nederlandse Dambond (KND) en een schadevergoeding wegens gemiste wedstrijden. De KND heeft eiser geschorst voor de duur van één jaar en heeft bezwaar en beroep tegen deze schorsing afgewezen.

KND verzoekt in een incident de zaak te verwijzen naar het team kanton van de rechtbank Amsterdam, omdat de vordering lager is dan € 25.000,- en daarmee volgens artikel 93 Rv Pro binnen de bevoegdheid van de kantonrechter valt. Eiser betwist dit en stelt dat de rechtbank Amsterdam, team handelszaken, bevoegd is op grond van artikel 2:15 lid 3 BW Pro.

De rechtbank overweegt dat de vordering tot vernietiging van het bestuursbesluit van KND valt onder artikel 2:15 lid 3 BW Pro, waardoor de rechtbank van de woonplaats van de rechtspersoon bevoegd is. Dit leidt tot de conclusie dat de rechtbank Amsterdam, team handelszaken, bevoegd is en dat verwijzing naar het team kanton niet aan de orde is.

De rechtbank wijst het verzoek van KND tot verwijzing af en veroordeelt KND in de kosten van het incident. De hoofdzaak wordt aangehouden tot 5 augustus 2026 voor conclusie van antwoord.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam is bevoegd en wijst het verzoek tot verwijzing naar het team kanton af.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/783260 / HA ZA 26-120
Vonnis in incident van 24 juni 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. E. de Jong,
tegen
KONINKLIJKE NEDERLANDSE DAMBOND,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: KND,
advocaat: mr. M.L. Dingemans.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 28 januari 2026, met producties;
- de incidentele conclusie van eis tot verwijzing naar team kanton;
- de conclusie van antwoord in incident bevoegdheid.
1.2.
Ten slotte is vonnis in incident bepaald.

2.De vordering in de hoofdzaak

2.1.
[eiser] vordert bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. het bestuursbesluit van 14 augustus 2025 (hierna: het besluit) te vernietigen en rechtdoende [eiser] te ontheffen van de aan [eiser] opgelegde schorsing tot 1 januari 2026, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag, met een maximum van € 25.000,-;
II. KND te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van € 6.125,92;
III. KND te veroordelen om binnen twee weken na de betekening van het vonnis een bericht te plaatsen op haar website met een tekst zoals opgenomen in sub 30 van de dagvaarding, alsook dit bericht een maand lang zichtbaar te laten zijn op de website van KND;
IV. KND te veroordelen in de proceskosten.
2.2.
[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat het besluit in strijd is met het eigen reglement van KND en in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. Het besluit moet dan ook vernietigd worden op grond van artikel 2:15 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). Door het besluit heeft [eiser] tevens schade geleden in de vorm van gemiste wedstrijden en dus inkomsten.
2.3.
KND heeft in de hoofdzaak nog niet van antwoord gediend.

3.Het geschil in incident

3.1.
KND vordert dat de rechtbank Amsterdam, afdeling privaatrecht, team handelszaken de zaak verwijst naar team kanton met veroordeling van [eiser] in de kosten van het incident, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
3.2.
KND legt hieraan ten grondslag dat de kantonrechter in deze zaak bevoegd is, omdat de vordering in de hoofdzaak lager is dan € 25.000,-. Krachtens artikel 93 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) valt de vordering daarmee binnen het takenpakket van de kantonrechter.
3.3.
[eiser] voert verweer. Op de stellingen van partijen zal hieronder worden ingegaan.

4.De beoordeling in het incident

4.1.
In de hoofdzaak gaat het – kort gezegd – om het volgende. [eiser] is een Nederlandse topsporter binnen de denksport dammen. Bij besluit van 14 augustus 2025 heeft KND [eiser] geschorst voor de duur van één jaar.
4.2.
[eiser] is het niet eens met het besluit en heeft op 14 augustus 2025 bezwaar aangetekend. Op 15 augustus 2025 heeft KND daarop afwijzend gereageerd.
4.3.
Vervolgens is de zaak voorgelegd aan de Tuchtcommissie. Op 9 september 2025 heeft de Tuchtcommissie de schorsing van [eiser] bekrachtigd. Tot slot is de zaak voorgelegd aan de commissie van beroep, die het beroep heeft afgewezen.
4.4.
In de hoofdzaak vordert [eiser] vernietiging van het besluit genomen door KND. De rechtbank overweegt, in lijn met het standpunt van [eiser] , dat daarmee sprake is van een vordering zoals bedoeld in artikel 2:15 lid 3 BW Pro. Op grond daarvan geschiedt vernietiging van het besluit door een uitspraak van de rechtbank van de woonplaats van de rechtspersoon. Dit betekent dat de rechtbank Amsterdam, team handelszaken, bevoegd is om van de vordering kennis te nemen. Artikel 93 Rv Pro staat hier niet aan in de weg. Gelet daarop zal de vordering in incident worden afgewezen.
4.5.
KND zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten (inclusief de nakosten) van dit incident. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op € 653,- aan salaris gemachtigde plus de nakosten van € 189,- (totaal: € 842,-)

5.De beslissing

De rechtbank
in het incident
5.1.
wijst de vordering van KND af,
5.2.
veroordeelt KND in de kosten van het incident, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 842,- te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als KND niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in de hoofdzaak
5.4.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 5 augustus 2026 voor conclusie van antwoord.
5.5.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Wouters, rechter, bijgestaan door mr. S.C.C. Valk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.