Uitspraak
RECHTBANK Amsterdam
1.MANYA HOLDING B.V.,
2.
MANYA II B.V.,
3.
MANYA MIP B.V.,
2. de rechtspersoon naar buitenlands recht
1.De procedure
Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht.
Bij de mondelinge behandeling waren aanwezig:
mr. Cremers;
Na verder debat is vonnis bepaald op 1 juli 2026.
2.De feiten
private equityinvesteerder.
senior facilities agreeement(SFA). Tot zekerheid voor de nakoming van haar verplichtingen onder de SFA heeft de Upforce-groep pandrechten gevestigd op roerende zaken, vorderingen en intellectuele eigendomsrechten.
Tevens heeft Manya ten behoeve van Infinity derdenzekerheid verstrekt in de vorm van een pandrecht op de aandelen die zij houdt in Upforce (hierna het Pandrecht).
agenten
security agentvoor Infinity en houdt de op grond van de SFA gevestigde zekerheidsrechten, waaronder het Pandrecht.
amendment and standstill agreementgesloten. Hieruit blijkt onder meer dat de betalingsachterstand van Upforce per die datum ongeveer € 3.400.000 bedroeg. In deze overeenkomst verplicht Infinity zich – kort gezegd – om de financiering tot 1 januari 2027 niet versneld bij Upforce op te eisen op basis van de bestaande achterstanden. In artikel 2.2 van die overeenkomst staat – kort gezegd – dat Infinity te allen tijde wèl bevoegd blijft, dus ook vóór 1 januari 2027, om het Pandrecht uit te winnen.
3.Het geschil
I. Infinity en Situs te verbieden over te gaan tot enige executiemaatregel met
op straffe van een dwangsom van € 500.000 per overtreding;
4.De beoordeling
Financial and Risk Advisory Solutions) waaruit kan worden afgeleid dat Upforce niet in staat is aan haar verplichtingen onder de SFA te voldoen, zonder in ernstige liquiditeitsproblemen te geraken en zonder de continuïteit van de onderneming in gevaar te brengen. Dat de cijfers waarop [naam 4] zich baseert achterhaald zouden zijn, zoals Manya beweert, doet niet af aan de strekking van haar prognose (die ook ziet op het verdere verloop van het jaar 2026). Dat Infinity over het stemrecht op de aandelen in Upforce beschikt en daarom kan bewerkstelligen dat de achterstand wordt voldaan, is voorshands onjuist. Gezien hetgeen Infinity hierover heeft aangevoerd kan niet worden uitgesloten dat dit leidt tot voor (de onderneming van) Upforce onaanvaardbare gevolgen. Dit druist in tegen het belang van alle betrokken
stakeholders.
(2) behoorlijk aanbod van Manya tot zuivering van het verzuim
vendor loans) zonder tegenprestatie geëlimineerd moesten worden, dat de SFA moest worden aangepast en heeft zij geen volledige vergoeding van schade en kosten aangeboden. Dat de financiële problemen enkel te wijten zouden zijn aan (het bestuur van) Upforce, maakt niet dat de door VEP (Manya) gedane voorstellen die zij als derdenpandgever heeft gedaan te gelden hebben als een volwaardig aanbod in de zin van artikel 6:86 BW Pro.
amendment and standstill agreementvan 21 januari 2026 heeft toegezegd de financiering niet bij de schuldenaren (de verschillende vennootschappen binnen de Upforce-groep) op te eisen, maar nu wel aanklopt bij Manya als derdenpandgever. Dit maakt de
standstillvoor Manya illusoir en dit is precies de situatie die artikel 3:234 lid 1 BW Pro probeert te voorkomen. De contractuele uitsluiting van dit artikel in de pandakte laat de werking van het misbruikverbod onverlet; het misbruikverbod heeft een universeel karakter en kan niet worden weg gecontracteerd, aldus Manya.
amendment and standstill agreementvan 21 januari 2026 nog wel van kracht is, aangezien die overeenkomst uitging van de toen bestaande
events of defaulten zich na het sluiten van deze overeenkomst meerdere nieuwe
events of defaulthebben voorgedaan. Zo is op 31 maart 2026 niet, zoals overeengekomen, de rente over het eerste kwartaal 2026 voldaan. Verder heeft Infinity er terecht op gewezen dat artikel 3:234 BW Pro is uitgesloten in de pandakte. VEP heeft er dus bewust voor gekozen dat Infinity niet gehouden is eerst het pandrecht op de goederen van Upforce uit te winnen, alvorens zij het Pandrecht op de aandelen van Manya in Upforce kan uitwinnen. Van belang is dat dit een gebruikelijke afspraak is in zakelijke (acquisitie) financieringen waarmee VEP bekend is. De stelling dat artikel 3:234 BW Pro niet kan worden weg gecontracteerd is onjuist.