ECLI:NL:RBAMS:2026:6635

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
13-219954-25
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 OLWArt. 2 OLWArt. 7 OLWArt. 14 OLWArt. 8 Kaderbesluit 2002/584/JBZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming voor tenuitvoerlegging aanvullende straf na overlevering uit Hongarije

De rechtbank Amsterdam behandelde een verzoek tot aanvullende toestemming op grond van artikel 14, derde lid, Overleveringswet (OLW), ingediend door het Gerechtshof van Gyula, Hongarije. Het verzoek betrof de tenuitvoerlegging van een straf van 50 dagen gevangenisstraf voor een feit waarvoor de betrokkene niet eerder was overgeleverd.

De overgeleverde persoon had het hoorrecht gekregen en is gehoord over het verzoek. De rechtbank stelde vast dat de betrokkene niet aanwezig was bij het hoger beroep in Hongarije, maar wel tijdig was geïnformeerd over zijn recht op herziening, welke niet werd benut. Hierdoor was de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro niet van toepassing.

Hoewel de opgelegde straf lager was dan de in artikel 2 OLW Pro vereiste vier maanden, oordeelde de rechtbank dat op grond van accessoire overlevering en de context van de reeds uitgevoerde overlevering, toestemming kon worden verleend. Dit bevordert een effectieve rechtspleging en voorkomt straffeloosheid. Bovendien is het feit ook strafbaar onder Nederlands recht.

De rechtbank concludeerde dat het verzoek voldeed aan de vereisten en verleende toestemming voor de tenuitvoerlegging van de aanvullende straf. De beslissing werd genomen door drie rechters op 17 juni 2026.

Uitkomst: De rechtbank verleent toestemming voor de tenuitvoerlegging van een aanvullende straf van 50 dagen gevangenisstraf na eerdere overlevering.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-219954-25
Datum beslissing: 17 juni 2026
BESLISSING
op de vordering op grond van artikel 14, derde lid, Overleveringswet (hierna: OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank op 2 juni 2026, strekkende tot het in behandeling nemen van een verzoek om toestemming te verlenen voor de tenuitvoerlegging van een straf die is opgelegd voor feiten die vóór het tijdstip van de overlevering zijn begaan en waarvoor de betrokkene niet is overgeleverd, als bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder g, OLW. Dit verzoek is ingediend door het Team Penitentiaire zaken van het Gerechtshof van Gyula, Hongarije op 18 maart 2026 en betreft:
[opgeëiste persoon]
geboren op [geboortedag] 1998 in [geboorteplaats] (Hongarije),
thans gedetineerd in [land] ,
hierna te noemen: de overgeleverde persoon.

1.Beoordeling

Hoorrecht
Het is vereist dat de overgeleverde persoon feitelijk de mogelijkheid heeft gehad om al zijn eventuele opmerkingen en bezwaren met betrekking tot het verzoek tot aanvullende toestemming kenbaar te maken (het zogenoemde hoorrecht), zoals bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 26 oktober 2011. [1]
Uit het proces-verbaal van het verhoor door de rechter van het Gerechtshof van Gyula – Team Penitentiaire zaken van 12 maart 2026 blijkt dat de overgeleverde persoon is gehoord over het verzoek. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de overgeleverde persoon voldoende de mogelijkheid gehad om zijn eventuele opmerkingen en bezwaren met betrekking tot het verzoek tot aanvullende toestemming kenbaar te maken.
Artikel 12 OLW Pro
De rechtbank stelt vast dat aanvullende toestemming is gevraagd voor de tenuitvoerlegging van een beslissing in hoger beroep van het Gerechtshof van Gyula van 25 april 2024, met kenmerk nr. 4.Bf.44/2024/11. De overgeleverde persoon was niet aanwezig bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid.
Uit het EAB blijkt dat de beslissing op 2 december 2025 aan de overgeleverde persoon is betekend en hij daarbij uitdrukkelijk is geïnformeerd over zijn recht om binnen één maand na de betekening een verzoek tot herziening in te dienen. De overgeleverde persoon heeft geen verzoek tot herziening ingediend binnen een maand na betekening. Dit betekent dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 12, onder c, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro is daarom niet van toepassing.
Artikel 2, eerste lid, en artikel 7, zesde lid, OLW
De rechtbank stelt vast dat de overgeleverde persoon in hoger beroep is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 50 dagen. Deze straf voldoet niet aan het vereiste van artikel 2, eerste lid, OLW dat een EAB slechts kan worden uitgevaardigd voor opgelegde straffen van ten minste vier maanden.
Op grond van artikel 27, vierde lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ moet de toestemming worden verleend ‘indien het strafbaar feit waarvoor zij wordt verzocht op zichzelf de verplichting tot overleving overeenkomstig de bepalingen van dit kaderbesluit meebrengt.’ Volgens de Memorie van Toelichting gelden voor het verlenen van de aanvullende toestemming dezelfde criteria als voor de overlevering zelf (
Kamerstukken II2020/21, 35535, nr. 7, p. 21). Omdat artikel 7, zesde lid, OLW sinds 2021 accessoire overlevering mogelijk maakt, is het verlenen van toestemming voor accessoire feiten mogelijk (Tekst & Commentaar Internationaal Strafrecht, art. 14 OLW Pro, aant. 4 onder d). Accessoire feiten kunnen tot overlevering leiden samen met ten minste één feit waarvoor de overlevering toelaatbaar is. Gelet op de context van de onderhavige procedure - waarbij de betrokkene al is overgeleverd, zodat er ten minste één feit was waarvoor zijn overlevering toelaatbaar was - begrijpt de rechtbank artikel 14, derde lid, OLW zo, dat zij ook bevoegd is om toestemming te geven voor een naar het recht van de uitvaardigende lidstaat strafbaar feit waarvoor een gevangenisstraf van minder dan vier maanden is opgelegd, ook als dat feit het enige feit is waarop het verzoek ziet.
De rechtbank maakt van deze mogelijkheid gebruik en overweegt hierbij dat de betrokkene al is overgeleverd en dat door het verlenen van toestemming alle aan hem opgelegde straffen achter elkaar ten uitvoer kunnen worden gelegd. Dit is niet alleen in het belang van een effectieve rechtspleging en om straffeloosheid zoveel mogelijk te voorkomen, maar ook in het belang van de overgeleverde persoon zelf.
Het feit is overigens ook strafbaar naar Nederlands recht en levert op:
mishandeling.
Conclusie
Het verzoek bevat de gegevens als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ. De voorhanden zijnde stukken zijn toereikend om - met volledige eerbiediging van de rechten van verdediging van de overgeleverde persoon - een beslissing te nemen.
Het verzoek betreft een feit ten aanzien waarvan krachtens de OLW overlevering had kunnen worden toegestaan.
De rechtbank zal daarom het verzoek toewijzen.

2.Beslissing

De rechtbank:
verleent op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder g, en derde lid, OLW toestemming voor tenuitvoerlegging van de straf van
[opgeëiste persoon]voor het feit zoals vermeld in het verzoek.
Deze beslissing is genomen op 17 juni 2026 door
mr. M. Scheeper, voorzitter,
mrs. I. Verstraeten en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier.

Voetnoten

1.Hof van Justitie van de Europese Unie 26 oktober 2021, ECLI:EU:C:2021:876, punt 63.