ECLI:NL:RBAMS:2026:6659

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
81.252598.22
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33a SrArt. 47 SrArt. 57 SrArt. 420bis SrArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens medeplegen witwassen van gelden uit oplichting met Forward Gold Sales

De rechtbank Amsterdam heeft verdachte veroordeeld voor medeplegen van witwassen van in totaal €248.000,-, afkomstig uit oplichting gepleegd door een criminele organisatie die Forward Gold Sales (FGS) aanbood. Verdachte ontving twee bedragen van respectievelijk €140.000 en €108.000 van een medeverdachte, waarvan de herkomst crimineel was.

De rechtbank baseerde zich op bewijsmiddelen waaronder bankafschriften, verklaringen, en eerdere vonnissen tegen medeverdachten die oplichting bewezen verklaarden. Verdachte was aandeelhouder van betrokken ondernemingen en had feitelijke betrokkenheid bij het opstellen van valse facturen. Het ontvangen geld werd deels omgezet in goud dat in Zwitserland werd opgeslagen, wat duidt op het verbergen van criminele opbrengsten.

De verdediging voerde aan dat verdachte geen wetenschap had van de criminele herkomst en dat de redelijke termijn was overschreden. De rechtbank verwierp het verweer omtrent wetenschap en matigde de straf met 10% wegens overschrijding van de redelijke termijn. Verdachte kreeg een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van tien maanden opgelegd. Daarnaast werd het in beslag genomen goud verbeurd verklaard en werd teruggave van een auto en administratie gelast.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot tien maanden gevangenisstraf voor medeplegen van witwassen van €248.000 afkomstig uit oplichting met Forward Gold Sales.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 81.252598.22
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 81.252598.22
Datum uitspraak: 1 juli 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1977,
wonende op het adres [woonadres] ,
hierna te noemen: [verdachte] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 20, 21, 26 en 27 november 2025, 2, 11, 15 en 16 december 2025, 13 januari 2026 en 1 juli 2026. Op laatstgenoemde zittingsdatum is het onderzoek gesloten en uitspraak gedaan.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie, mrs. M.I.M. Geertsema en B.B.A. Frakking (hierna: de officieren van justitie), en van wat verdachte en haar raadslieden, mrs. N.A. de Leon-van den Berg en L. de Leon, naar voren hebben gebracht.
De rechtbank heeft de zaak tegen verdachte gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld met de zaken tegen medeverdachten [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ), [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ), [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ), [medeverdachte 4] (hierna: [medeverdachte 4] ), [medeverdachte 5] (hierna: [medeverdachte 5] ), [medeverdachte 6] , [medeverdachte 7] (hierna: [medeverdachte 7] ) en [medeverdachte 8] (hierna: [medeverdachte 8] ). De rechtbank doet in al deze zaken gelijktijdig uitspraak.
De tegen medeverdachte [medeverdachte 9] aangebrachte zaak is vanwege zijn overlijden kort vóór aanvang van de inhoudelijke behandeling, door het Openbaar Ministerie ingetrokken.

2.Tenlastelegging

2.1
Inleiding
[handelsnaam] is de handelsnaam van [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ), [bedrijf 2] en [bedrijf 3] (hierna: [bedrijf 3] ). [handelsnaam] verkocht van 2015 tot en met juli 2018 in Nederland en België goud via zogenoemde Forward Gold Sales (hierna: FGS). FGS wordt in het dossier als volgt gedefinieerd. Een FGS is een termijnverkoop en dit hield in dit geval in dat aan een koper een hoeveelheid goud werd verkocht tegen de op het moment van aankoop geldende marktprijs met een korting van minstens 10%. Er werd overeengekomen dat dit goud na tien maanden zal worden geleverd. [handelsnaam] verkocht het goud via FGS voor de onderneming [onderneming] (hierna: [onderneming] ) van [medeverdachte 1] , waarbij [medeverdachte 7] als agentschap tussen [onderneming] en verkoper [handelsnaam] in zat.
Verdachte en haar onderneming [bedrijf 4] (hierna: [bedrijf 4] ) hebben in juni en juli 2018 bedragen op hun rekening ontvangen vanaf de bankrekening van [medeverdachte 7] . [verdachte] wordt ervan verdacht dat zij samen met anderen deze bedragen heeft witgewassen.
2.2
Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat zij zich heeft schuldig gemaakt aan
1.
het samen met anderen (schuld)witwassen van € 108.000,-, welk bedrag is overgeboekt van een bankrekening van [medeverdachte 7] naar een bankrekening van [bedrijf 4] , in de periode van 16 juli 2018 tot en met 2 april 2019 in Amsterdam en Huizen, of in ieder geval in Nederland;
2.
het samen met anderen (schuld)witwassen van € 140.000,-, welk bedrag is overgeboekt van een bankrekening van [medeverdachte 7] naar een bankrekening van verdachte, in de periode van 29 juni 2018 tot en met 2 april 2019 in Amsterdam en Huizen, of in ieder geval in Nederland.
De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Waardering van het bewijs

3.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officieren van justitie vinden bewezen dat [verdachte] samen met anderen bedragen, waarvan zij wist dat deze uit misdrijf afkomstig zijn, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en heeft omgezet.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Primair is er geen sprake van gelden die uit misdrijf afkomstig zijn. Als dat wel wordt aangenomen, dan geldt subsidiair dat [verdachte] geen wetenschap had van deze herkomst. Ze heeft de aanmerkelijke kans dat van deze herkomst sprake was evenmin bewust aanvaard en had deze herkomst ook niet redelijkerwijs hoeven te vermoeden.
3.3
Feiten en omstandigheden
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit. [1]
Op 29 juni 2018 wordt € 140.000,- overgeboekt vanaf de bankrekening [rekeningnummer 1] van [medeverdachte 7] (hierna: [medeverdachte 7] . [rekeningnummer 1] ) naar een bankrekening op naam van verdachte in privé met de omschrijving ‘Lening conform overeenkomst’. [2] Op 16 juli 2018 wordt vanaf [medeverdachte 7] . [rekeningnummer 1] € 108.000,- overgemaakt naar een bankrekening op naam van [bedrijf 4] met de omschrijving ‘Lening’. [3]
Uit het overzicht in DOC-511 blijkt dat de bankrekening [medeverdachte 7] . [rekeningnummer 1] vrijwel geheel werd gevoed door gelden die kopers van FGS hebben overgemaakt. Dit zijn betalingen die direct op die rekening van kopers werden ontvangen en overboekingen vanaf bankrekening [rekeningnummer 2] van Stichting [stichting] , een aan [medeverdachte 7] gelieerde stichting. [4] De ontvangsten op laatstgenoemde rekening bestonden eveneens voornamelijk uit gelden die rechtstreeks door FGS-kopers waren overgemaakt. [5]
Verdachte is bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf 4] . [6]
Zij is ten tijde van de overboekingen ook voor 10% aandeelhouder van [medeverdachte 7] en haar toenmalige echtgenoot [medeverdachte 2] voor 90%. [7] [medeverdachte 2] is dan enig bestuurder van [medeverdachte 7] [8] en staat geregistreerd als wettelijk vertegenwoordiger ten aanzien van [medeverdachte 7] . [rekeningnummer 1] . [9] Verdachte heeft verklaard dat zij voor [medeverdachte 7] allerlei hand- en spandiensten verrichtte, zoals de post verzorgen, berichten doorgeven en vertalen. [10] Verdachte is op dat moment ook enig aandeelhouder van [bedrijf 1] en [bedrijf 3] [11] en een van de gemachtigden op de bankrekeningen van deze vennootschappen [12] . Zij heeft verklaard dat ze aandeelhouder is geworden nadat [medeverdachte 2] een hartstilstand heeft gehad in 2016. [13] Verdachte is verder feitelijk betrokken geweest door het opstellen van facturen van [bedrijf 5] voor [medeverdachte 7] . [14]
[handelsnaam] is in juli 2018 gestopt met de verkoop van FGS-overeenkomsten voor [medeverdachte 7] . [15] In het voorjaar van 2018 was [medeverdachte 7] gebleken dat onder andere [medeverdachte 1] en [onderneming] in een arbitrageprocedure waren verwikkeld. Op 20 juni 2018 hebben zij een vaststellingovereenkomst met [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8] getekend, waarin stond dat zij [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8] binnen 48 uur afschriften van alle noodzakelijke gegevens en documenten moesten verstrekken. [16] Op 6 juli 2018 hebben [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8] vervolgens [medeverdachte 1] in gebreke gesteld, omdat zij meenden dat onder andere [onderneming] en [medeverdachte 1] de voorwaarden van de agentuurovereenkomst hadden geschonden. [17] De overboekingen naar verdachte en haar onderneming hebben in deze periode plaatsgevonden.
Verdachte heeft over het bedrag van € 140.000,- verklaard dat zij vermoedelijk overleg met [medeverdachte 2] heeft gehad over de lening en dat ze niet weet of er al is afgelost. Over het bedrag van € 108.000,- heeft zij verklaard dat zij zich goed herinnert dat zij met [medeverdachte 2] overleg over de lening heeft gehad en dat deze lening nog niet is afgelost. [18]
In het dossier bevindt zich geen schriftelijke overeenkomst tussen [medeverdachte 7] en [bedrijf 4] of verdachte in privé.
Verdachte heeft verklaard dat zij van het geld dat [bedrijf 4] had ontvangen € 105.000,- heeft gebruikt om goud te kopen. [19] De Zwitserse politie heeft in juli 2019 veertig goudstaven van honderd gram aangetroffen die voor [bedrijf 4] waren opgeslagen. [20]
3.4
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank vindt bewezen dat de gelden, die vanaf de rekening van [medeverdachte 7] naar verdachte en haar onderneming [bedrijf 4] zijn overgemaakt, afkomstig zijn uit misdrijf. De rechtbank heeft in de vonnissen van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] , die ook vandaag zijn gewezen, bewezen verklaard dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan oplichting en dat zij en aan hen gelieerde ondernemingen en stichtingen gelden hebben verkregen uit die oplichting. De kopers hebben geld op de rekeningen van onder andere [medeverdachte 7] gestort. Het geld dat bij verdachte en haar onderneming terecht is gekomen, is daaruit afkomstig. De rechtbank volstaat in deze zaak voor de bewijsmiddelen ten aanzien van de criminele herkomst van die gelden met een verwijzing naar hetgeen daarover uiteengezet is in de vonnissen van die medeverdachten, en in zaaksproces-verbaal 2 en zaaksproces-verbaal 3. [21] Voor zover verdachte zich heeft aangesloten bij in dit verband door de medeverdachten gevoerde verweren, worden die daarmee geacht te zijn weerlegd.
De rechtbank vindt ook bewezen dat verdachte wist dat deze gelden uit misdrijf afkomstig waren. Zij had zicht op beide kanten van de geldstroom. Zij ontving deze twee bedragen niet alleen, maar was ook medeaandeelhouder van [medeverdachte 7] en haar echtgenoot [medeverdachte 2] was de bestuurder. Ook had zij feitelijke betrokkenheid bij de organisatie, doordat zij betrokken was bij het opstellen van valse facturen die [medeverdachte 7] ontving. De rechtbank verwijst naar de bewijsmiddelen en de overwegingen die zij hierover heeft opgenomen in het vonnis van [medeverdachte 2] dat zij vandaag gewezen heeft, waaronder ambtshandelingen AMB-141 en AMB-142, en document DOC-842. Verder heeft verdachte, zakelijk en in privé, de gelden ontvangen van een onderneming zonder dat er is gebleken dat er een lening aan ten grondslag lag en dat deze een zakelijk karakter had. Er is geen schriftelijke overeenkomst aangetroffen, en er is niet gebleken van leningsvoorwaarden, zoals rentebetalingen en aflossingstermijnen, en dat daar eenduidig uitvoering aan is gegeven. Zij was aandeelhouder van [handelsnaam] en [medeverdachte 7] op het moment dat het ernaar uitzag dat de verkoop van FGS zou stoppen. Dat op dat moment gelden van de rekening van [medeverdachte 7] worden gehaald, deze (deels) worden omgezet in goud en dat goud naar Zwitserland wordt vervoerd, wijst op de wens om de gelden aan het zicht van eventuele schuldeisers en de autoriteiten te onttrekken. Dit is bewust handelen waaruit de wetenschap over de criminele herkomst kan worden afgeleid.
De rechtbank zal bewezen verklaren dat verdachte beide tenlastegelegde bedragen heeft witgewassen.
Aangezien verdachte dit ten minste samen met [medeverdachte 7] heeft gedaan, omdat sprake moet zijn geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen hen, vindt de rechtbank ook het bestanddeel medeplegen bewezen.
De rechtbank zal enkel als pleegdatum de datum van overboeking van het geld bewezen verklaren en ziet geen aanleiding om een periode bewezen te verklaren.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank vindt op grond van de in rubriek 3 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
1
op 16 juli 2018 in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers hebben zij en haar mededader(s) van een geldbedrag te weten:
EURO 108.000,- dat op 16 juli 2018 is overgeboekt van een rekening ten name van [medeverdachte 7] naar een bankrekening ten name van [bedrijf 4] ,
de werkelijke aard, herkomst, de vervreemding en de verplaatsing verhuld en voornoemd voorwerp verworven en voorhanden gehad en overgedragen, terwijl verdachte en haar mededader(s) wisten dat dat geldbedrag middellijk afkomstig was uit enig misdrijf;
2
op 29 juni 2018 in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers hebben zij en haar mededader(s) van een geldbedrag te weten:
EURO 140.000,- dat op 29 juni 2018 is overgeboekt van een rekening ten name van [medeverdachte 7] naar een bankrekening ten name van verdachte
de werkelijke aard, herkomst, de vervreemding en de verplaatsing verhuld en voornoemd voorwerp verworven en voorhanden gehad en overgedragen, terwijl verdachte en haar mededader(s) wisten, dat dat geldbedrag middellijk afkomstig was uit enig misdrijf.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5.De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straf

7.1
De eis van de officier van justitie
De officieren van justitie hebben gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van een jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, en een taakstraf van 240 uur, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om verdachte geen straf op te leggen vanwege de overschrijding van de redelijke termijn en alle gevolgen die de strafzaak al op diverse vlakken van haar leven heeft gehad.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt van het witwassen van in totaal € 248.000,- en deze gelden zijn, naar het zich laat aanzien, haar en haar toenmalige echtgenoot ten goede gekomen. Deze gelden waren afkomstig uit oplichting, gepleegd door onder meer de toenmalige echtgenoot van verdachte, met wie zij mede-eigenaar was van de onderneming die de gelden naar haar en haar onderneming heeft overgemaakt. Verdachte heeft opzettelijk meegewerkt aan het leegtrekken van de rekeningen en het uit het zicht brengen van gelden toen met de verkoop van FGS zou worden of al was gestopt. De rechtbank vindt dit kwalijk, omdat hierdoor het verhaal van eventuele schuldeisers en het zicht van de autoriteiten is bemoeilijkt.
De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf gekeken naar de oriëntatiepunten van de rechtbanken en gerechtshoven (LOVS) en gaat in deze zaak uit van de oriëntatiepunten voor fraude. Bij een benadelingsbedrag van ongeveer € 250.000,- is het uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf maanden. Hoewel de fraude die aan dit onderzoek ten grondslag ligt een veel grotere omvang heeft, wordt verdachte alleen voor dit deel verantwoordelijk gehouden.
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 1 september 2025. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder door de strafrechter is veroordeeld, zodat er geen aanleiding bestaat om verdachte wegens recidive zwaarder te straffen.
De termijn van berechting is volgens het oordeel van de rechtbank aangevangen op de datum dat het einddossier aan de verdediging is gestuurd, hetgeen op 1 juni 2021 is geweest. Het eindvonnis wordt gewezen op 1 juli 2026. Dat is niet binnen twee jaar na aanvang van de termijn van berechting. Een redelijke termijn van berechting kan in beginsel op twee jaar worden gesteld. Er is in dit geval sprake van een complex strafrechtelijk onderzoek met internationale aspecten, maar dit rechtvaardigt geen termijn van berechting van ruim vijf jaar nadat het einddossier is verstrekt. De verdediging heeft in deze zaak weliswaar onderzoekswensen ingediend, maar de rechtbank meent dat deze niet van een zodanige omvang waren dat die zouden maken dat de langere duur van het proces volledig aan de verdediging te wijten is. De rechtbank stelt daarom vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden met minstens een jaar is overschreden. Zij oordeelt dat deze overschrijding moet worden verdisconteerd in de strafoplegging en dat dit moet leiden tot een strafkorting van 10%.
De rechtbank is van oordeel dat er geen omstandigheden zijn die aanleiding geven om van bovengenoemd uitgangspunt af te wijken en dat enkel met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf kan worden volstaan.
Alles afwegende vindt de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf maanden passend, maar gelet op de overschrijding van de redelijke termijn van berechting zal zij deze matigen tot een gevangenisstraf van tien maanden.

8.Beslag

Onder verdachte zijn een personenauto, 40 stuks goud en dozen met administratie in beslag genomen.
De officieren van justitie hebben verzocht om het goud verbeurd te verklaren. Ten aanzien van het beslag op de auto en de administratie hebben zij gesteld dat dit kan worden opgeheven. De officieren van justitie hebben verder verbeurdverklaring gevraagd van een aantal overige goederen, kort gezegd van goud, zilveren munten en sieraden en horloges.
De verdediging heeft geen standpunt over het beslag ingenomen.
Verbeurdverklaring
De in beslag genomen 40 stuks goud betreffen het goud waarvan verdachte heeft verklaard dat het is gekocht met het van [medeverdachte 7] ontvangen geld. Voor zover de rechtbank op basis van het dossier kan opmaken behoort dit goud toe aan [bedrijf 4] , omdat het is gekocht door en volgens de hiervoor genoemde brief Internationale Rechtshulp (zie voetnoot 20) is opgeslagen in opdracht van [bedrijf 4] . Het gaat om voorwerpen die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het strafbare feit zijn gekregen. De rechtbank zal dit goud op grond van artikel 33a, lid 2, sub a, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) verbeurd verklaren.
Teruggave
De rechtbank zal teruggave aan verdachte gelasten van de (verkoopopbrengst van de) personenauto en de administratie, waarbij geldt dat de rechtbank enkel over het strafrechtelijk beslag beslist. Voor zover er nog conservatoir beslag op deze goederen rust, wordt dat door deze beslissing dus niet opgeheven.
Overig
Voor de overige goederen waar de officieren van justitie verbeurdverklaring van hebben verzocht, geldt dat de rechtbank alleen kan vaststellen dat er conservatoir beslag op rust. De rechtbank kan op basis van het dossier niet vaststellen dat er strafrechtelijk beslag op die goederen rust, aangezien er in het dossier van deze goederen geen kennisgevingen van beslag of beslaglijsten zitten. Ook kan de rechtbank niet vaststellen dat deze goederen uit baten van de bewezenverklaarde feiten zijn verkregen en/of door wie deze zijn verkregen. Dit verzoek van de officieren van justitie wordt daarom afgewezen.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 33a, 47, 57 en 420bis Sr.

10.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart
bewezendat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
1 en 2: telkens: medeplegen van witwassen
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstraf van 10 (tien) maanden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van Pro de Penitentiaire beginselenwet.
Verklaart
verbeurd:
Goednr. 9: 40 STK Goud, KRJ-U-2019020730
Gelast de
teruggaveaan [verdachte] van:
Goednr. 1: € 14.600,00 van 1 STK Personenauto [kenteken] , OI2923-6062075_111346, zwart, merk: BMW
Goednr. 10: 3 DS Administratie, OI2923-6062075_151998
Wijst af het meer of anders verzochte.
Dit vonnis is gewezen door
mr. C.M. Berkhout, voorzitter,
mrs. M.R.J. van Wel en B. Kuppens, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.W.M. Steenbakkers, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 juli 2026.
[...]

Voetnoten

1.Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste document- en paginanummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. De met DOC aangeduide bewijsmiddelen zijn, tenzij anders vermeld, geschriften.
2.DOC-301, p. 1, DOC-187, p. 3
3.DOC-316, p. 1
4.DOC-511, AMB-007, p. 5-7
5.AMB-007 p. 2-3 en AMB-103, p.4
6.DOC-041, p. 1 en 2
7.DOC-043 en DOC-042
8.DOC-018
9.DOC-187, p. 3
10.Bijlage bij V-13-02 (schriftelijke antwoorden op eerste verhoor), p. 5 (digitale pagina 3808)
11.DOC-020
12.DOC-187, p. 1
13.Bijlage bij V-13-02 (schriftelijke antwoorden op eerste verhoor), p. 2 (digitale pagina 3805)
14.AMB-138, p. 1-2
15.AMB-139, p. 4
16.DOC-870/DOC-870A, p. 3
17.DOC-871/DOC-871A
18.V-013-2A, ongenummerde pagina’s (p. 3818 en 3819 in digitale dossier)
19.V-013-02A, ongenummerde pagina (p. 3820 in digitale dossier)
20.Brief Internationale rechtshulp 13-01-2020 van Staatsanwalt Jari Hoffmann met bijlagen, RHV-001-01, p. 6
21.Z-PV-2 en Z-PV-3