ECLI:NL:RBAMS:2026:6660

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
13-097305-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6 OLWArt. 7 OLWArt. 22 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel voor plofkraak in Duitsland

De rechtbank Amsterdam behandelde op 1 juli 2026 het verzoek tot overlevering van een verdachte aan Duitsland op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Amtsgericht Bamberg. De verdachte wordt verdacht van medeplegen van een plofkraak op 18 december 2025 in Unterpleichfeld. De verdediging voerde een genoegzaamheidsverweer aan en stelde dat het specialiteitsbeginsel niet gewaarborgd was vanwege onvolledige feitomschrijving.

De rechtbank oordeelde dat het EAB voldoende concreet is en dat de verdachte duidelijk kan begrijpen waarvoor zijn overlevering wordt gevraagd. Het specialiteitsbeginsel is gewaarborgd, mede omdat het een vervolgings-EAB betreft en het onderzoek nog loopt. De strafbaarheid van het feit is bevestigd als een lijstfeit onder de Overleveringswet, waardoor dubbele strafbaarheid niet hoeft te worden onderzocht.

De verdachte, die de Nederlandse nationaliteit bezit, beriep zich op de terugkeergarantie. De rechtbank stelde vast dat de verdachte sterke banden met Nederland heeft en dat de garantie van het Duitse Openbaar Ministerie om de straf na veroordeling in Nederland te mogen ondergaan voldoende is. Er zijn geen weigeringsgronden en de overlevering wordt toegestaan.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de verdachte aan Duitsland toe voor het medeplegen van een plofkraak.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-097305-26
Datum uitspraak: 1 juli 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 24 april 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 24 maart 2026 door het
Amtsgericht Bamberg, Duitsland, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon]
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 2000,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 17 juni 2026, in aanwezigheid van mr. E.M. Meppelink, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. C.W. Dirkzwager, advocaat in Amsterdam.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een arrestatiebevel van het
Amtsgericht Bambergvan 23 maart 2026, met kenmerk 1 Gs 846/26 (2110 Js 3720/26).
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Duits recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB. [3]
3.1
Genoegzaamheid
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB genoegzaam is voor wat betreft het feit dat is gepleegd op 18 december 2025 in Unterpleichfeld. Het EAB vermeldt in onderdeel e) echter ook dat ten minste drie onbekende verdachten, waaronder de opgeëiste persoon, hebben samengespannen en het plan hebben opgevat om opzettelijk en planmatig meerdere geldautomaten in Duitsland op te blazen. De exacte locaties van alle voorgenomen feiten zijn nog niet volledig bekend. Deze omschrijving voldoet niet aan het vereiste van artikel 2, tweede lid, aanhef en onder e, OLW en daarmee is het specialiteitsbeginsel niet gewaarborgd. De overlevering kan daarom alleen worden toegestaan voor het feit van 18 december 2025, aangezien voor dat feit het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon concreet genoeg zijn omschreven.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB genoegzaam is. In het EAB is duidelijk omschreven waarvan de opgeëiste persoon wordt verdacht en waarvoor de overlevering wordt gevraagd. Hiermee is het specialiteitsbeginsel gewaarborgd. Aangezien het gaat om een vervolgings-EAB en het strafrechtelijk onderzoek nog loopt, hoeft de verdenking nog niet volledig uitgekristalliseerd te zijn.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen.
Naar het oordeel van de rechtbank is met de omschrijving van het feit in onderdeel e) van het EAB voldoende duidelijk voor de opgeëiste persoon voor welk feit zijn overlevering wordt gevraagd en wat zijn betrokkenheid daarbij zou zijn geweest. De opgeëiste persoon wordt verdacht van één strafbaar feit, namelijk het medeplegen van een plofkraak op 18 december 2025 in Unterpleichfeld. Daarbij komt dat sprake is van een vervolgings-EAB, waarbij de overlevering is gevraagd voor een nog lopend strafrechtelijk onderzoek. De precieze gang van zaken met betrekking tot het feit waarvan de opgeëiste persoon in Duitsland wordt verdacht, zal later in Duitsland moeten blijken. Naar het oordeel van de rechtbank is het specialiteitsbeginsel dan ook voldoende gewaarborgd. Artikel 2 OLW Pro staat daarom niet aan overlevering in de weg.

4.Strafbaarheid; feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
georganiseerde of gewapende diefstal.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

5.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn belangen in Nederland gevestigd. [4] Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan.
De
Bamberg Public Prosecutor’s Officeheeft op 15 mei 2026 de volgende garantie gegeven:

The Bamberg Public Prosecutor's Office hereby expressly undertakes that, following a final conviction in Germany, the person concerned, [de opgeëiste persoon] , born on [geboortedag] 2000 in [geboorteplaats] , will be re-transferred to the Netherlands for the further enforcement of the sentence imposed here, in accordance with Article 5(3) of the Framework Decision on the European Arrest Warrant (2002/584/JHA) and Article 6(1) of the Dutch Surrender Act (in accordance with European Framework Decision 2008/909/JHA).
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.

6.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

7.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan het
Amtsgericht Bamberg(Duitsland) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Scheeper, voorzitter,
mrs. L. Sanders en A. Pahladsingh, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 1 juli 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, ECLI:EU:C:2023:444 (