ECLI:NL:RBAMS:2026:6666

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
81.108278.22
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 23 SrArt. 51 SrArt. 140 SrArt. 326 SrArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling tot geldboete voor deelname aan criminele organisatie rond Forward Gold Sale

De rechtbank Amsterdam heeft op 1 juli 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen verdachte wegens deelname aan een criminele organisatie die zich schuldig maakte aan oplichting via de verkoop van Forward Gold Sale (FGS), een termijnverkoop van goudcertificaten met levering na tien maanden. Verdachte was onderdeel van een samenwerkingsverband dat tussen april 2017 en april 2019 actief was in Nederland.

De organisatie verkocht FGS aan een groot aantal gedupeerden die dachten te investeren in een goudmijn in Tanzania. In werkelijkheid werd het ingelegde geld gebruikt voor commissies aan agentschappen en voor de aankoop van goud in Nederland om eerdere kopers te kunnen leveren, waardoor een keten van oplichting ontstond. De rechtbank stelde vast dat verdachte als rechtspersoon deelnam aan deze organisatie en dat de gedragingen in de normale bedrijfsvoering van verdachte vielen.

De rechtbank achtte bewezen dat verdachte met kennis van zaken deelnam aan de organisatie met het oogmerk het plegen van misdrijven, waaronder oplichting. De omvang van de oplichting was groot, met tientallen miljoenen euro’s benadelingsbedrag en honderden gedupeerden. De rechtbank hield rekening met de overschrijding van de redelijke termijn van berechting en matigde de geldboete van €400.000 tot €395.000.

De rechtbank sprak verdachte vrij van andere tenlasteleggingen en wees het verzoek tot verbeurdverklaring van beslag af omdat de opgelegde boete lager was dan geëist. De straf is gebaseerd op de artikelen 23, 51 en 140 Sr.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een geldboete van €395.000 wegens deelname aan een criminele organisatie die oplichting pleegde met Forward Gold Sale.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 81.108278.22
Datum uitspraak: 1 juli 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte/bedrijf],
gevestigd op het adres [adres] ,
hierna te noemen: [verdachte/bedrijf] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 20, 21, 26 en 27 november 2025, 2, 11, 15 en 16 december 2025, 13 januari 2026 en 1 juli 2026. Op laatstgenoemde zittingsdatum is het onderzoek gesloten en uitspraak gedaan.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie, mrs. M.I.M. Geertsema en B.B.A. Frakking (hierna: de officieren van justitie), en van wat [vertegenwoordiger/medeverdachte] (vertegenwoordiger van verdachte) en raadsman, mr. L. de. Leon, namens verdachte naar voren hebben gebracht.
De rechtbank heeft de zaak tegen verdachte gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld met de zaken tegen medeverdachten [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ), [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ), [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ), [medeverdachte 4] (hierna: [medeverdachte 4] ), [medeverdachte 5] (hierna: [medeverdachte 5] ), [medeverdachte 6] (hierna: [medeverdachte 6] ), [medeverdachte 7] , [medeverdachte 8/bedrijf] (hierna: [medeverdachte 8/bedrijf] ). De rechtbank doet in al deze zaken gelijktijdig uitspraak.
De tegen medeverdachte [medeverdachte 9] aangebrachte zaak is vanwege zijn overlijden kort vóór aanvang van de inhoudelijke behandeling, door het Openbaar Ministerie ingetrokken

2.Tenlastelegging

2.1.
Inleiding
[medeverdachte 1] (die de [nationaliteit] nationaliteit heeft) was de CEO van de Amerikaanse onderneming [onderneming] (hierna: [onderneming] ). [medeverdachte 1] hield zich onder andere via deze onderneming bezig met de exploitatie van goudmijnen, eerst in Canada en later ook in Tanzania. Voor de exploitatie van deze goudmijnen had [medeverdachte 1] financiering nodig en hij heeft deze geprobeerd te verkrijgen door de verkoop van zogenoemde Forward Gold Sales (hierna: FGS), al dan niet via obligaties.
FGS wordt in het dossier als volgt gedefinieerd. Een FGS is een termijnverkoop en dit hield in dit geval in dat aan een koper een hoeveelheid goud werd verkocht tegen de op het moment van aankoop geldende marktprijs met een korting van minstens 10%. Er werd overeengekomen dat dit goud na tien maanden zal worden geleverd. Wanneer er in het vervolg van het vonnis over FGS wordt gesproken, is dit wat de rechtbank daaronder verstaat.
[medeverdachte 1] is begonnen met de verkoop van FGS in het Verenigd Koninkrijk en is er in Nederland mee verdergegaan. Voor de verkoop van FGS in Nederland maakte hij gebruik van agentschappen en zogenoemde
resellers. Er werden agentuurovereenkomsten gesloten met agentschappen op basis waarvan deze agentschappen toestemming werd gegeven om over een bepaalde periode FGS te verkopen (
sales allowances). De agentschappen administreerden de FGS-verkopen en onderhielden daarover contact met [medeverdachte 1] . Voor de daadwerkelijke verkoop van FGS sloten de agentschappen een
reseller-overeenkomst met de
resellers, die contact hadden met (potentiële) klanten.
Vanaf medio 2015 trad [medeverdachte 8/bedrijf] op als agentschap voor de verkoop van FGS in Nederland. [medeverdachte 3] was oprichter van [medeverdachte 8/bedrijf] , tot april 2017 een van de bestuurders en tot juli 2017 direct, dan wel indirect, mede-aandeelhouder. Vanaf april 2017 was [medeverdachte 2] enig bestuurder van [medeverdachte 8/bedrijf] en vanaf juli 2017 is hij samen met zijn toenmalige echtgenote [medeverdachte 6] 100% aandeelhouder. [medeverdachte 4] verrichtte vanaf september 2016 werkzaamheden voor [medeverdachte 8/bedrijf] . Zij deed dit eerst als zzp’er en vanaf december 2018 als werknemer.
[medeverdachte 8/bedrijf] maakte aanvankelijk gebruik van twee
resellers, namelijk [handelsnaam] en [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ). [handelsnaam] is de handelsnaam van [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ), [bedrijf 3] en [bedrijf 4] (hierna: [bedrijf 4] ). [medeverdachte 2] was oprichter van deze [handelsnaam] -vennootschappen. [medeverdachte 2] was tot juli 2017 bestuurder en aandeelhouder van [bedrijf 2] en [bedrijf 4] , en vanaf juli 2017 was [medeverdachte 6] enig aandeelhouder van deze vennootschappen. [medeverdachte 2] had diverse verkopers in dienst. [bedrijf 1] is de handelsnaam van [bedrijf 5] (hierna: [bedrijf 5] ), van welk bedrijf [medeverdachte 9] via zijn holding vennootschap 100% aandeelhouder was. [medeverdachte 5] en [medeverdachte 9] waren de verkopers die de FGS via [bedrijf 1] verkochten. Na de overname van [medeverdachte 8/bedrijf] door [medeverdachte 2] werkte [medeverdachte 8/bedrijf] alleen nog met [handelsnaam] als
reseller.
Vanaf april 2017 trad ook [verdachte/bedrijf] op als agentschap voor de verkoop van FGS in Nederland, met onder meer [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] als oprichters en gezamenlijk bestuurders via ieder hun eigen holding. [verdachte/bedrijf] had alleen [bedrijf 1] als
reseller.
Het geld van de kopers werd met name ontvangen op bankrekeningen van [medeverdachte 8/bedrijf] en van de enige tijd later opgerichte stichtingen, te weten Stichting [stichting 1] (hierna: [stichting 1] , opgericht in april 2016 door onder meer [medeverdachte 3] en per april 2017 overgenomen door [medeverdachte 2] ), Stichting [stichting 2] (hierna: [stichting 2] , opgericht in december 2016 door onder meer [medeverdachte 3] en per april 2017 overgedragen aan [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] ) en Stichting [stichting 3] (hierna: [stichting 3] , opgericht in april 2017 door onder meer [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] , en per juli 2017 overgenomen door [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] ). Vanaf de bankrekeningen van de stichtingen werd het geld overgeboekt naar de agentschappen.
Het geld werden veelal gebruikt om commissies te betalen aan de agentschappen en de
resellersen om aan FGS-kopers te leveren goud aan te kopen bij het in Nederland gevestigde bedrijf [bedrijf 6] .
Tussen eind 2015 en juli 2018 werd via [handelsnaam] en [bedrijf 1] in totaal voor ongeveer € 45.000.000,- aan FGS verkocht aan talloze kopers.
2.2.
Tenlastelegging
Aan verdachte is - kort gezegd - ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan
het deelnemen aan een organisatie, bestaande uit [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 9] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [bedrijf 7] , [bedrijf 2] , [bedrijf 5] , [medeverdachte 8/bedrijf] , [stichting 1] , [stichting 2] , [stichting 3] , [onderneming] en [bedrijf 8] ., die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten oplichting en/of verduistering, in of omstreeks de periode van 5 april 2017 tot en met 2 april 2019 in Amsterdam of in ieder geval in Nederland.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officieren van justitie vinden dat het tenlastegelegde feit bewezen kan worden.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit.
3.3.
Feiten en omstandigheden
De rechtbank heeft in de vonnissen van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] , die ook vandaag zijn gewezen, bewezen verklaard dat zij hebben deelgenomen aan een organisatie die het plegen van telkens oplichting tot oogmerk had. De rechtbank volstaat in deze zaak voor de bewijsmiddelen ten aanzien van hun deelneming aan de criminele organisatie en hun gedragingen met een verwijzing naar hetgeen daarover is uiteengezet in de betreffende vonnissen.
[verdachte/bedrijf] is opgericht door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] op 5 april 2017. In de periode vanaf de oprichting tot 7 september 2018 waren [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] indirect bestuurder en (indirect) aandeelhouder van [verdachte/bedrijf] . Vanaf laatstgenoemde datum was [medeverdachte 8/bedrijf] dat, waarvan [medeverdachte 2] toen bestuurder was en samen met zijn toenmalige echtgenote, [medeverdachte 6] , aandeelhouder.
3.4.
Het oordeel van de rechtbank
Juridisch kader deelneming aan criminele organisatie
Om aan de vereisten van het strafbare feit deelname aan een criminele organisatie, zoals bedoeld in artikel 140 Sr Pro, te voldoen moet worden vastgesteld dat i) er sprake is van een organisatie, dat ii) die organisatie als oogmerk het plegen van misdrijven had en iii) dat de verdachte aan die organisatie heeft deelgenomen.
Om te kunnen spreken van een organisatie moet er sprake zijn van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband tussen verdachte en ten minste één andere persoon, hetgeen ook een rechtspersoon kan zijn. Het hoeft niet vast komen te staan dat de verdachte heeft samengewerkt met alle andere personen van het samenwerkingsverband of dat de samenstelling ervan steeds dezelfde is. Van deelname aan een organisatie kan slechts sprake zijn als de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in de gedragingen, dan wel gedragingen ondersteunt, die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van deze organisatie. Voor het aannemen van opzettelijke deelname is voldoende dat de verdachte in zijn algemeenheid weet (in de zin van voorwaardelijk opzet) dat de organisatie het oogmerk tot het plegen van misdrijven heeft.
Juridisch kader daderschap rechtspersonen
Blijkens de wetsgeschiedenis en vaste jurisprudentie kan een rechtspersoon als bedoeld in artikel 51 van Pro het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit als een verboden gedraging redelijkerwijs aan hem kan worden toegerekend. Of een verboden gedraging in redelijkheid kan worden toegerekend, is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de gedraging. Een algemene regel laat zich dus bezwaarlijk formuleren. Een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Zo’n gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon. Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon zal sprake kunnen zijn als zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen:
  • het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit andere hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon;
  • de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon;
  • de gedraging de rechtspersoon dienstig is geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf;
  • de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard. Onder dit aanvaarden is mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging.
Beoordeling rechtbank
De rechtbank heeft in de vandaag gewezen vonnissen van [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] bewezen verklaard dat zij hebben deelgenomen aan een organisatie die het plegen van oplichting tot oogmerk had. In die vonnissen is ook uiteengezet welke gedragingen de afzonderlijke verdachten binnen die criminele organisatie hebben verricht.
[medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] waren alle drie op enig moment (indirect) bestuurder van [verdachte/bedrijf] . Zij waren uit dien hoofde werkzaam ten behoeve van [verdachte/bedrijf] en zij hebben in die hoedanigheid hun strafbare handelingen verricht. De gedragingen zijn [verdachte/bedrijf] gedienstig geweest. De gedragingen pasten ook in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon, aangezien de verkoop van FGS en alles wat daarmee samenhing hetgeen was waar de werkzaamheden van [verdachte/bedrijf] om draaiden. Het was de kernactiviteit. Er waren geen andere zakelijke activiteiten binnen [verdachte/bedrijf] .
De ten laste gelegde gedragingen hebben dan ook plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon. Deze gedragingen kunnen gelet hierop redelijkerwijs aan [verdachte/bedrijf] worden toegerekend en [verdachte/bedrijf] kan daarmee als dader van dit strafbare feit worden aangemerkt.
Pleegperiode
De rechtbank komt ten aanzien van de deelname aan de criminele organisatie tot bewezenverklaring van een ruimere pleegperiode dan ten aanzien van de oplichtingen. Nadat de FGS-verkoop was geëindigd en de oplichting in die zin dus was afgerond, hebben verdachten de organisatie namelijk nog voortgezet. Zij deden dit onder andere door het versturen van
delay letters. De illusie dat [onderneming] een betrouwbare partner was en het goud nog zou gaan leveren, werd zo in stand gehouden. FGS-kopers en andere betrokkenen, zoals [bedrijf 6] , werd voorgehouden dat sprake was van bijzondere omstandigheden, waardoor er op dat moment tijdelijk geen goud kon worden geproduceerd in de mijn. Volgens de
delay lettersen
updates, die verdachten in dit kader aan de FGS-kopers verzonden, liep de productie enkel vanwege praktische problemen achter en zou er op korte termijn alsnog gaan worden geleverd. Ook gaf [medeverdachte 2] zijn onderneming [bedrijf 2] een nieuwe naam, [bedrijf 7] , onder welke naam hij dezelfde soort werkzaamheden ten aanzien van een goudmijn genaamd [naam goudmijn] in Ghana voortzette. Ook spreken [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] in 2019 in een chatbericht over een nieuwe mijn om het bewezen concept mee voort te zetten. Daaruit maakt de rechtbank op dat verdachten hun handelen binnen de criminele organisatie, met het oogmerk van het telkens plegen van oplichting, voortzetten.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank vindt op grond van de in rubriek 3 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
in de periode van 5 april 2017 tot en met 2 april 2019 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit [medeverdachte 2] en [medeverdachte 9] en [medeverdachte 5] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] en [bedrijf 7] en (voorheen) [bedrijf 2] ( [bedrijf 2] ) en [bedrijf 5] (handelend onder de naam [bedrijf 1] ) en [medeverdachte 8/bedrijf] ( [medeverdachte 8/bedrijf] ) en Stichting [stichting 1] ( [stichting 1] ) en Stichting [stichting 2] ( [stichting 2] ) en Stichting [stichting 3] ( [stichting 3] ) en [onderneming] en [bedrijf 8] ., die tot oogmerk had het plegen van misdrijven te weten oplichting (als bedoeld in artikel 326 Wetboek Pro van Strafrecht.

5.De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straf

7.1.
De eis van de officieren van justitie
De officieren van justitie hebben gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 117.953,-.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de straf.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de omstandigheden van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dat is begaan
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het samen met anderen oplichten van een grote groep FGS-kopers. De rechtbank houdt bij de strafoplegging niet enkel rekening met de in de tenlastelegging genoemde FGS-kopers, maar ook met de andere in het dossier voorkomende gedupeerde FGS-kopers. De rechtbank acht de handelingen ten aanzien van de in de bewezenverklaring bij naam genoemde FGS-kopers representatief voor de handelingen jegens deze andere kopers. Het gaat daarbij blijkens het onderliggende dossier om een delict met een grootschalig karakter. De rechtbank gaat bij de strafbepaling uit van het in het dossier naar voren komende benadelingsbedrag van tientallen miljoenen euro’s.
Verdachten hebben voor de oplichting gebruik gemaakt van een onderneming waarvan werd voorgewend dat die de mijnbouwvergunningen van een mijn in Tanzania zou bezitten en zij hebben ondernemingen en stichtingen in Nederland opgericht om het verkooptraject verder in te richten op een ogenschijnlijk professionele en betrouwbare wijze. Potentiële kopers werd het beeld voorgehouden van een mijn die financiering nodig had om volop te kunnen gaan produceren en die dit geld snel via de FGS-verkoop wilde verkrijgen. Ook werd FGS gepresenteerd als een goede kans voor kopers om via een betrouwbare instantie goedkoop goud te kopen. Het geld dat [onderneming] kreeg uit FGS-verkopen werd echter niet gebruikt voor investeringen in de mijn. Het werd voor het overgrote deel gebruikt voor betalingen van commissies aan de agentschappen en
resellers, en voor de aankoop van goud bij [bedrijf 6] . Dat goud, gefinancierd met de inleg van nieuwe FGS-kopers, werd vervolgens uitgeleverd aan eerdere FGS-kopers, zodat in strijd met alles wat de FGS-kopers was voorgespiegeld de inleg van de ene FGS-koper de uitlevering van goud aan de andere FGS-koper mogelijk maakte. Verdachten waren op de hoogte van de geldstromen, die voornamelijk liepen naar de agentschappen, de
resellersen [bedrijf 6] , en nauwelijks naar het buitenland, laat staan aantoonbaar naar de mijn, en daardoor het gebrek aan investering in en productie door de mijn. Terwijl verdachten wisten dat er veel meer goud werd verkocht dan dat er na de afgesproken tien maanden zou kunnen worden geleverd, zijn zij toch overgegaan tot en doorgegaan met de FGS-verkoop. Verdachten hebben samen, door het voorhouden van onwaarheden en door misbruik te maken van het bij FGS-kopers ontstane vertrouwen, beschikking gekregen over het geld van de FGS-kopers. Zo’n 795 kilogram verkocht FGS-goud is niet uitgeleverd, waardoor een groot deel van de FGS-kopers geen goud geleverd heeft gekregen en zijn of haar geld kwijt is.
De schade die de gedupeerde FGS-kopers hebben geleden, blijkt in sommige gevallen enorm en de impact groot. Zo heeft bijvoorbeeld [naam 1] verklaard dat hij zijn boerderij had verkocht en op zoek was gegaan naar mogelijkheden om zijn geld te investeren. [naam 2] wilde wat goud kopen voor zijn kleinkinderen. Door verdachten werd bovendien ingespeeld op deze wensen van de FGS-kopers door FGS voor te wenden als een betrouwbaar product dat op een laagdrempelige manier kon worden aangeschaft. Onder meer pensioengelden en spaargelden zijn op deze manier verloren gegaan.
Naast de schade die verdachten hebben toegebracht door het vertrouwen van de individuele FGS-kopers te beschamen, hebben verdachten door hun handelen ook het vertrouwen in (producten op) de financiële markt in zijn algemeenheid geschaad.
Verdachten hebben de oplichting niet een enkele keer gepleegd, maar zich georganiseerd in een crimineel samenwerkingsverband waarmee zij gedurende lange periode op professionele wijze te werk zijn gegaan.
Voor deelname aan een criminele organisatie kan - onder andere - een geldboete van de vijfde categorie worden opgelegd. Als het feit is begaan door een rechtspersoon en de bepaalde boetecategorie geen passende bestraffing toelaat, kan een geldboete van de naast hogere categorie worden opgelegd. De rechtbank ziet in de ernst van het feit, namelijk de omvang van de oplichtingen, aanleiding om de naast hogere categorie te gebruiken en zal een geldboete van de zesde categorie opleggen. Deze categorie was in 2017 maximaal € 820.000 en in 2019 maximaal € 830.000,-.
De omstandigheden van de verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 1 september 2025. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld door de strafrechter, zodat er geen aanleiding bestaat om verdachte wegens recidive zwaarder te straffen.
De overschrijding van de redelijke termijn
De termijn van berechting is volgens het oordeel van de rechtbank aangevangen op de datum dat het einddossier aan de verdediging is gestuurd, hetgeen op 1 juni 2021 is geweest. Het eindvonnis wordt gewezen op 1 juli 2026. Dat is niet binnen twee jaar na aanvang van de termijn van berechting. Een redelijke termijn van berechting kan in beginsel op twee jaar worden gesteld. Er is in dit geval sprake van een complex strafrechtelijk onderzoek met internationale aspecten, maar dit rechtvaardigt geen termijn van berechting van ruim vijf jaar nadat het einddossier is verstrekt. De verdediging heeft in deze zaak weliswaar onderzoekswensen ingediend, maar de rechtbank meent dat deze niet van een zodanige omvang waren dat die zouden maken dat de langere duur van het proces volledig aan de verdediging te wijten is. De rechtbank stelt daarom vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden met minstens een jaar is overschreden. Zij oordeelt dat deze moet worden verdisconteerd in de strafoplegging en dat dit moet leiden tot de maximale strafkorting van € 5.000,-.
De straf
De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd.
De rechtbank vindt in deze zaak een geldboete van € 400.000,- passend, maar zal gelet op de overschrijding van de redelijke termijn van berechting deze matigen tot een geldboete van € 395.000,-.

8.Beslag

De officieren van justitie hebben een voorwaardelijk verzoek gedaan om het banktegoed van [verdachte/bedrijf] bij de ING Bank, waar het Openbaar Ministerie beslag op heeft gelegd, verbeurd te verklaren. Aangezien echter niet aan de voorwaarde, dat geen of een lager dan geëiste geldboete wordt opgelegd, wordt voldaan, komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van dit verzoek.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 23, 51 en 140 Sr.
Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

10.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart
bewezendat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte/bedrijf], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een geldboete van
€ 395.000,-(driehonderdvijfennegentigduizend) euro.
Dit vonnis is gewezen door
mr. C.M. Berkhout, voorzitter,
mrs. M.R.J. van Wel en B. Kuppens, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.W.M. Steenbakkers, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 juli 2026.
[....]