ECLI:NL:RBAMS:2026:667

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
11823031 \ CV EXPL 25-10434
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:653 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing boetvorderingen wegens overtreden concurrentiebeding na ontslag werknemer

Werknemer trad in maart 2021 in dienst bij Van Caem met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, later omgezet in onbepaalde tijd, waarin een concurrentiebeding was opgenomen. Na opzegging per 31 maart 2024 werkte zij achtereenvolgens bij Bickery en Boost, waarbij Van Caem boetes vorderde wegens overtreding van het concurrentiebeding.

De kantonrechter oordeelde dat werknemer tot 1 april 2025 aan het concurrentiebeding gebonden was, maar Bickery geen concurrent van Van Caem is, zodat geen boete verschuldigd was voor die periode. Voor de periode bij Boost was werknemer niet meer gebonden aan het beding, waardoor ook die boetevordering werd afgewezen.

Daarnaast werd het relatiebeding vernietigd wegens onredelijke beperking van de arbeidskeuze, en de proceskosten werden Van Caem opgelegd. De vorderingen van Van Caem werden afgewezen, en de kosten in reconventie en incident werden gecompenseerd.

Uitkomst: De vorderingen van Van Caem tot boetebetaling wegens overtreding van het concurrentiebeding worden afgewezen en het relatiebeding wordt vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11823031 \ CV EXPL 25-10434
Vonnis van 15 januari 2026
in de zaak van
VCT HOLDING B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eisende partij in conventie, verwerende partij in voorwaardelijke reconventie en incident,
hierna te noemen: Van Caem,
gemachtigde: mr. J. Schulp,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie, eisende partij in voorwaardelijke reconventie en incident,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. P.H. van der Vleuten.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 28 juli 2025, met producties
- de conclusie van antwoord, tevens (voorwaardelijke) eis in reconventie tevens (voorwaardelijk) incident, met producties,
- de aanvullende producties van Van Caem,
- de aanvullende producties van [gedaagde] ,
- het instructievonnis van 21 oktober 2025,
- de dagbepaling van de mondelinge behandeling.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 17 december 2025. Namens Van Caem zijn [naam 1] ( [naam functie 1] ) en [naam 2] ( [naam functie 2] ) verschenen, bijgestaan door de gemachtigde en mr. M. de Loos. [gedaagde] is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde.
1.3.
De gemachtigden hebben spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen. De spreekaantekeningen zijn toegevoegd aan het dossier. Partijen zijn vervolgens gehoord en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken, die in het dossier zijn gevoegd. Ten slotte is bepaald dat vonnis zal worden gewezen.

2.De feiten

2.1.
VCT Holding B.V. (hierna: Van Caem) is een vennootschap in de Van Caem Klerks Groep (hierna: de groep). De groep richt zich op de internationale parallelhandel van diverse goederen in parfum, alcoholische dranken en ‘fast moving consumer goods’ (FMCG). Van Caem verkoopt haar producten onder meer aan foodretailers, drogisterijen, e-commerce bedrijven en supermarkten.
2.2.
[gedaagde] is op 1 maart 2021 in dienst getreden bij Van Caem in de functie van ‘Trader’ op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, van rechtswege eindigend op 30 september 2021.
2.3.
[gedaagde] was werkzaam in ‘Food-team’. Haar werkzaamheden bestonden uit het telefonisch benaderen van internationale leveranciers en potentiële kopers, waarbij zij onderhandelde over de in- en verkoopprijzen van producten (internationale parallelhandel).
2.4.
In sectie 8 van de arbeidsovereenkomst zijn onder meer een geheimhoudingsbeding (artikel 8.2), een concurrentiebeding (artikel 8.7), een relatiebeding (artikel 8.8) en een boetebeding (artikel 8.15) opgenomen. In artikel 8.1 van de arbeidsovereenkomst is het zwaarwegend bedrijfsbelang gemotiveerd.
2.5.
Het concurrentiebeding luidt als volgt:
“8.7
Both during, and for a period of one year following termination of, the employment contract, the Employee will be forbidden, either directly or indirectly, for remuneration or otherwise, as an employee, sole trader or otherwise, to work for and (or) have financial interests in and (or) be associated or involved with in any form, in any group, business entity or other organization whatsoever (including manufacturers and their distributors) involved in activities in the Netherlands or any other country in the world the Employee worked in during this employment contract, that are the same or similar to or competitive with those of the Employer, the Hiring Company, the Associated Companies and (or) the Group, without the prior written permission of the Employer or the Hiring Company.
2.6.
Het boetebeding bepaalt, voor zover relevant, dat de werknemer voor elke overtreding van een verbod, verplichting of bepaling in sectie 8 van de arbeidsovereenkomst, aan de werkgever of het gelieerde bedrijf waarvan de belangen zijn geschaad een onmiddellijk opeisbare boete verschuldigd is van € 20.000,- per overtreding, vermeerderd met € 500,- per dag of een deel daarvan ongeacht of de werkzaamheden gewoonlijk op die dag verricht worden, zo lang de overtreding voortduurt, met een maximum van € 200.000,-. Het boetebeding bepaalt verder dat de werknemer afstand doet van zijn of haar recht om in een gerechtelijke procedure matiging van de boete te vorderen.
2.7.
De arbeidsovereenkomst van [gedaagde] is per 1 januari 2022 door middel van een addendum omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. In het addendum is onder meer bepaald dat het salaris wordt verhoogd en dat alle overige voorwaarden en afspraken uit de oorspronkelijke arbeidsovereenkomst onverminderd van kracht blijven.
2.8.
Bij e-mail van 29 februari 2024 heeft [gedaagde] de arbeidsovereenkomst opgezegd per 31 maart 2024.
2.9.
[gedaagde] heeft op verzoek van Caem van 1 april 2024 tot 4 april nog werkzaamheden voor Van Caem verricht.
2.10.
[gedaagde] heeft op 6 februari 2025 het kantoor van Van Caem bezocht om een mogelijke terugkeer bij Van Caem te bespreken.
2.11.
[gedaagde] is in maart 2025 in dienst getreden bij Bickery Food Group B.V. (hierna: Bickery) in de functie van ‘Trader’.
2.12.
Bickery is actief als importeur, distributeur en merkbouwer van FMCG en is gespecialiseerd in verkoop, marketing, distributie, food conception, opslag en transport. Zij verkoopt aan alle mogelijke verkoopkanalen (foodretailers, non-foodretailers, foodservice, e-commerce, drogisterijen, bouwmarkten en zelfstandige/speciaalzaken). Bickery houdt zich niet bezig met parallelhandel.
2.13.
Op 24 maart 2025 heeft [gedaagde] telefonisch contact gehad met een oud-collega die op dat moment nog bij de Van Caem in dienst was. Tijdens dit gesprek heeft zij aan de oud-collega laten weten dat zij voor Bickery werkte.
2.14.
[gedaagde] is op 31 maart 2025 uit dienst getreden bij Bickery en vervolgens per 1 april 2025 in dienst getreden bij Boost+ Brands Distribution (hierna: Boost), wederom in de functie van ‘Trader’.
2.15.
Boost is betrokken bij de parallelimport en distributie en is een directe concurrent van Van Caem.
2.16.
De gemachtigde van Van Caem heeft [gedaagde] bij e-mail van 8 april 2025, onder verwijzing naar de bijgevoegde brief van die datum, gewezen op het concurrentiebeding en de daaruit voortvloeiende boetes. Verder heeft hij [gedaagde] gesommeerd om uiterlijk op 9 april 2025, voor het einde van de dag, te bevestigen dat zij haar werkzaamheden bij Boost zou staken. Bij brief van 9 april 2025 is Boost door de gemachtigde van Van Caem verzocht om de samenwerking met [gedaagde] te staken.
2.17.
Partijen hebben tussen 9 april 2025 en 11 april 2025 per e-mail gecorrespondeerd, waarna [gedaagde] per e-mail van 11 april 2025 de arbeidsovereenkomst met Boost met ingang van 10 april 2025 heeft opgezegd. De gemachtigde van [gedaagde] heeft de gemachtigde van Van Caem daarover bij e-mail van 15 april 2025 geïnformeerd.
2.18.
De gemachtigde van Van Caem heeft de gemachtigde van [gedaagde] vervolgens bij e-mail van 26 mei 2025 verzocht om te bevestigen dat [gedaagde] tijdens de looptijd van het relatiebeding (3 jaar na het eindigen van de arbeidsovereenkomst) geen dienstverband bij Boost zal aangaan. De gemachtigde van [gedaagde] heeft dit verzoek op 5 juni 2025 per e-mail afgewezen.
2.19.
[gedaagde] is op 1 juni 2025 opnieuw als Trader in dienst getreden bij Boost.

3.Het geschil

In conventie
3.1.
Van Caem vordert – kort gezegd – bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van € 35.500,- en € 25.000,- aan boetes die respectievelijk per 1 maart 2025 en 1 april 2025 zijn verbeurd wegens overtreding van het concurrentiebeding, met rente vanaf 8 april 2025. Daarnaast vordert Van Caem vergoeding van de proceskosten, ook met rente.
3.2.
Van Caem stelt daartoe dat [gedaagde] , doordat zij bij Bickery en bij Boost in dienst is getreden, twee keer het concurrentiebeding heeft geschonden. [gedaagde] was namelijk tot 1 mei 2025 aan het concurrentiebeding gebonden en Bickery en Boost zijn concurrenten van Van Caem. [gedaagde] heeft ook herhaaldelijk het relatiebeding overtreden, maar daarvoor worden geen boetes gevorderd. Die omstandigheid moet worden meegewogen bij een eventuele matiging van de boetes, aldus Van Caem.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. Volgens [gedaagde] zijn het concurrentie- en relatiebeding niet rechtsgeldig overeengekomen. Het addendum moet namelijk gezien worden als een nieuwe arbeidsovereenkomst, waardoor de bedingen opnieuw opgenomen hadden moeten worden. Ook is [gedaagde] nooit gewezen op het bestaan van het concurrentie- en relatiebeding. De bedingen moeten vernietigd worden omdat er geen (voldoende gemotiveerd) zwaarwegend bedrijfsbelang is. Voor het geval de bedingen wel rechtsgeldig zijn, betwist [gedaagde] dat Bickery een concurrent of relevante relatie van Van Caem is. Boost is wel een directe concurrent, maar [gedaagde] was zich niet bewust van de beperkingen, de bedrijven zijn zeer ongelijkwaardige qua grootte. En Van Caem had sneller moeten optreden nadat zij op de hoogte raakte van de schending. Bovendien was de laatste werkdag van [gedaagde] bij Van Caem op 5 april 2024, waardoor er slechts vier dagen overlap is geweest. Omdat [gedaagde] door de bedingen onbillijk benadeeld wordt moeten de bedingen vernietigd worden of moeten de boetes gematigd worden.
In (voorwaardelijke) reconventie
3.4.
[gedaagde] vordert – samengevat – (voorwaardelijk) om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te verklaren voor recht dat het relatiebeding wordt vernietigd met veroordeling van Van Caem in de proceskosten. De kantonrechter begrijpt dat [gedaagde] bedoelt te vorderen dat de kantonrechter het relatiebeding vernietigt. [gedaagde] vordert verder (voorwaardelijk) bij wijze van voorlopige voorziening dat het relatiebeding wordt geschorst totdat in de bodem een einduitspraak is gedaan.
3.5.
[gedaagde] voert aan dat zij door het driejarige relatiebeding enorm wordt beperkt in haar arbeidskeuze. Het beding is niet beperkt tot de relaties waarmee [gedaagde] direct contact heeft gehad en wordt niet geografisch beperkt, terwijl het beding voor een lange periode geldt. Daarom moet het beding vernietigd worden.
3.6.
Van Caem heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de (incidentele) vorderingen in (voorwaardelijke) reconventie.

4.De beoordeling

4.1.
Het gaat in deze procedure met name om de vraag of [gedaagde] gebonden is aan het concurrentiebeding. Daarnaast gaat het erom of [gedaagde] boetes moet betalen omdat zij bij Bickery en bij Boost in dienst is getreden. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] tot 1 april 2025 gebonden was aan het concurrentiebeding. Voor de periode dat [gedaagde] bij Bickery heeft gewerkt hoeft zij geen boete te betalen, omdat Bickery niet als concurrent van Van Caem wordt beschouwd. Ook voor de periode dat [gedaagde] bij Boost heeft gewerkt hoeft zij geen boete te betalen. [gedaagde] was toen namelijk niet meer aan het concurrentiebeding gebonden. Dat wordt hierna uitgelegd.
Het relatiebeding
4.2.
Van Caem heeft geen verweer gevoerd tegen de gevorderde vernietiging van het relatiebeding. De kantonrechter zal het relatiebeding daarom vernietigen. Omdat gelijktijdig uitspraak in de hoofdzaak wordt gedaan, heeft [gedaagde] geen belang meer bij een voorlopige voorziening. Die vordering wordt afgewezen.
Het concurrentiebeding
4.3.
[gedaagde] is gebonden aan het concurrentiebeding. Het concurrentiebeding is opgenomen in een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die stilzwijgend verlengd is en daarna is omgezet in een onbepaalde tijd contract. Volgens vaste rechtspraak hoeft een concurrentiebeding in zulke gevallen alleen opnieuw schriftelijk opgenomen te worden als de arbeidsvoorwaarden veranderen. En daar is in dit geval geen sprake van. [gedaagde] is dezelfde functie blijven vervullen. Het loon van [gedaagde] is wel verhoogd, maar dat is geen nieuwe arbeidsvoorwaarde. Daarnaast staat in het addendum dat de voorwaarden van de eerdere arbeidsovereenkomst(en) van toepassing blijven. Het concurrentiebeding is dus onderdeel geworden van de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.
4.4.
De stelling dat het concurrentiebeding vernietigbaar zou zijn vanwege gebrekkige motivering wordt verworpen. Het beding voldoet namelijk aan de eisen die artikel 7:653 lid 1 en Pro 2 BW daaraan stelt. En dat het zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelang mogelijk niet goed gemotiveerd is, zorgt er niet voor dat het beding ongeldig is als de arbeidsovereenkomst later voor onbepaalde tijd wordt voortgezet. Voor een concurrentiebeding in een onbepaalde tijd contract is namelijk geen motivering nodig.
4.5.
Dat [gedaagde] door Van Caem nooit op het bestaan van het concurrentiebeding is gewezen maakt dat niet anders. [gedaagde] heeft door ondertekening van de arbeidsovereenkomst waarin het concurrentiebeding is opgenomen bevestigd dat zij het beding kent en ermee instemt. Daarom kan Van Caem niet worden tegengeworpen dat zij [gedaagde] niet op het beding gewezen heeft.
Einddatum
4.6.
Partijen verschillen van mening over de periode dat [gedaagde] aan het concurrentiebeding gebonden was. Naar het oordeel van de kantonrechter was dat tot 1 april 2025. [gedaagde] heeft de arbeidsovereenkomst namelijk bij e-mail van 29 februari 2024 opgezegd. Zij had een opzegtermijn van één maand, waardoor de arbeidsovereenkomst per 1 april 2024 is geëindigd. [gedaagde] mocht op grond van het concurrentiebeding niet binnen één jaar na het eindigen van de arbeidsovereenkomst bij concurrenten van Van Caem gaan werken. Daarom was zij tot 1 april 2025 aan het beding gebonden.
4.7.
Dat [gedaagde] na 1 april 2024 nog een aantal dagen voor Van Caem gewerkt heeft maakt dat niet anders. De arbeidsovereenkomst was op dat moment namelijk al afgelopen. Daarnaast is niet gesteld of gebleken dat van Caem met [gedaagde] een nieuwe arbeidsovereenkomst heeft gesloten, waarbij heeft te gelden dat als dit voor bepaalde tijd is geweest een beding als bedoeld in artikel 7:653 BW Pro niet geldig is. Ook zou naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid het onaanvaardbaar zijn dat als [gedaagde] op verzoek van Van Caem enkele dagen langer blijft werken, zij dan een maand langer gebonden is aan het concurrentiebeding.
Bickery
4.8.
[gedaagde] is in maart 2025 bij Bickery in dienst getreden. Op dat moment was zij nog aan het concurrentiebeding gebonden. Maar naar het oordeel van de kantonrechter is Bickery geen concurrent van Van Caem. [gedaagde] heeft namelijk gemotiveerd betwist dat Bickery in dezelfde markt en bij dezelfde partijen als Van Caem producten in- en verkoopt. Ook is het inkopen en verkopen niet gelijk aan de parallelhandel waar Van Caem zich mee bezighoudt. [gedaagde] heeft tijdens de zitting toegelicht dat Bickery met bepaalde partijen exclusieve in- en verkoop afspraken maakt waardoor het dus niet mogelijk is dat Van Caem dezelfde producten aan dezelfde in- en verkopers verhandelt. Daarnaast heeft [gedaagde] een verklaring van de CEO van Bickery overgelegd waaruit volgt dat Bickery zichzelf niet als concurrent van de groep beschouwt.
4.9.
Tegenover die gemotiveerde betwisting staat de magere onderbouwing van Van Caem. Van Caem heeft schermafdrukken overgelegd van een aantal producten die zij verkoopt, maar uit die schermafdrukken volgt alleen dat Van Caem een aantal producten verkoopt die ook op de website van Bickery onder het kopje ‘brands’ zijn vermeld. Aan welke partijen en in welke landen de producten verkocht worden is op de schermafdrukken niet te zien. Van Caem heeft dan ook onvoldoende onderbouwd gesteld dat Bickery een concurrent van haar is. De gevorderde boete over de periode dat [gedaagde] bij Bickery heeft gewerkt wordt daarom afgewezen.
Boost
4.10.
Verder staat tussen partijen vast dat Van Caem en Boost concurrerende ondernemingen zijn, dat beide ondernemingen in Nederlandse gevestigd zijn en dat [gedaagde] geen schriftelijke toestemming aan Van Caem heeft gevraagd of heeft gekregen om bij Boost in dienst te treden. Maar [gedaagde] is pas op 1 april 2025 bij Boost gaan werken en op dat moment was zij naar het oordeel van de kantonrechternniet meer aan het concurrentiebeding gebonden. [gedaagde] hoeft daarom geen boete aan Van Caem te betalen over de periode dat zij bij Boost heeft gewerkt. Ook die vordering wordt afgewezen.
Proceskosten
4.11.
Van Caem is in conventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] in conventie worden begroot op: € 1.765,-, bestaande uit het salaris van de gemachtigde (2x € 815,-) en de nakosten (€ 135,-).
4.12.
Naar het oordeel van de kantonrechter kan geen van partijen in reconventie en in het incident als de in het ongelijk gestelde partij worden beschouwd. Daarom zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De kantonrechter
In conventie
5.1.
wijst de vorderingen van Van Caem af,
5.2.
veroordeelt Van Caem in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] begroot op
€ 1.765,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Van Caem niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
In reconventie
5.4.
vernietigt het relatiebeding zoals opgenomen in artikel 8.8 van de arbeidsovereenkomst,
5.5.
compenseert de kosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
In het incident
5.6.
wijst de vordering van [gedaagde] af,
5.7.
compenseert de kosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.H.J. Evers, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. M.E. Zwart da Silva Palma, griffier, op 15 januari 2026.
64183