Uitspraak
RECHTBANK Amsterdam
1.UNIBAIL-RODAMCO NEDERLAND WINKELS B.V.,2. URW NEDERLAND WINKELS 2 B.V.,
1.De procedure
- het vonnis van 10 juli 2024, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald, en de daarin genoemde stukken,
- de mondelinge behandeling van 12, 13 en 14 januari 2026, waarvan verkort proces-verbaal is opgemaakt, met de daarin genoemde stukken,
- de zittingsaantekeningen van de mondelinge behandeling die in het dossier zijn gevoegd en aan partijen zijn verstrekt,
- het vonnis van 28 januari 2026, waarin een eindbeslissing is gegeven over de vorderingen in reconventie,
- de akte uitlating/overlegging aanvullende producties van BNB van 11 februari 2026, met producties BNB-330 t/m BNB-334,
- de akte uitlating van URW van 11 februari 2026,
- de akte uitlating van BNB van 11 maart 2026,
- de antwoordakte van URW van 11 maart 2026,
- de door partijen op 11 maart 2026 ter informatie aan de rechtbank verstrekte aktes die zij op 24 februari 2026 in de procedure Jumbo bij het hof hadden genomen,
- de e-mail van de advocaten van BNB van 22 april 2026 met opmerkingen over de zittingsaantekeningen,
- de brief van de advocaten van URW van 24 april 2026 met een reactie op de zittingsaantekeningen en de opmerkingen van BNB.
3.De feiten
4.Het geschil
5.Inleiding
- hoofdstuk 6: de vorderingen uit hoofde van onbetaald gelaten bestekswijzigingen (vordering 1),
- hoofdstuk 7: de vorderingen uit hoofde van onbetaald gelaten bestekswijzigingen in verband met herstel van fouten in het bestek (vordering 2),
- hoofdstuk 8: de vertragingskosten (vordering 3)
- hoofdstuk 9: de verrekende bedragen (vordering 4)
- hoofdstuk 10: de buitengerechtelijke kosten en kosten ter vaststelling van aansprakelijkheid (vordering 5).
6.Onbetaald gelaten bestekswijzigingen
door Opdrachtgever schriftelijk onder verwijzing naar artikel 13 van Pro de Algemene Voorwaarden opgedragenBestekswijzigingen zoals omschreven in artikel 13.6 of 13.9 van de Algemene Voorwaarden”.
BNB heeft bij brief van 8 januari 2020 (BNB-27) aan URW het volgende geschreven.
onbekendeobstakels in de grond voor rekening van URW komen blijkt uit het onder 6.27 genoemde antwoord op vraag 594:
restanten van poeren en keerwanden”(zie onder 6.26) en dat 5 heipalen niet konden worden aangebracht
“door vernauwing van de bodem en vanwege de aanwezige funderingsresten en -palen in de grond”en noemt als probleem
“de vernauwde en samengedrukte grond”en dat
“een drietal heipalen vast waren gelopen op de verdrukte bodem”(zie onder 6.29). Dit alles wijst erop dat ter plaatse van de te heien palen geen kelderbak aanwezig was, maar wel andere BNB niet vooraf bekende obstakels, en dat deze niet als ‘puin’ kunnen worden aangemerkt.
“Indien het heiwerk stilgelegd moet worden doordat de wettelijke norm voor trilling overschreden wordt, zal een ander paalsysteem toegepast moeten worden waarbij het heiwerk binnen de trilling-norm blijft. Dit betekend een Bestekswijziging, welke wij niet in uitvoering nemen zonder formeel ondertekende opdrachtbrief van URW. Vertraging als gevolg van een Bestekswijziging kan niet aan Ballast Nedam worden toegerekend.”
“Er was sprake van een driehoeksoverleg tussen BNB, Sterk en DVP .”Daaruit blijkt niet dat BNB URW daarbij ook over het meerwerk, de daarvoor benodigde bestekswijziging en over de (verwachte) extra kosten ervan heeft geïnformeerd. De e-mail over BN014 (BNB-41) maakt er wel melding van “…
dat we het palenplan buiten de damwanden zullen aanpassen.”,maar ook daaruit blijkt niet dat BNB URW tijdig duidelijk heeft gemaakt dat dit meerwerk zou zijn en dat daarvoor een bestekswijziging nodig was, met (verwachte) extra kosten.
go with the flowschema’) te volgen, maar heeft dat niet gedaan. Volgens dat draaiboek moest eerst worden gewerkt in bouwdeel D2 en daarna in bouwdeel E. BNB heeft echter andersom gewerkt. Ook de bouwvolgorde voor de bouwdelen E en F is door BNB niet gevolgd. De tijdelijk aangebrachte brug met kabel voor de bestaande winkels was noodzakelijk omdat BNB het draaiboek niet volgde. BNB kan dus geen kosten claimen voor het om die brug en steiger heen moeten werken. Ook als het faseringsdraaiboek geen contractstuk zou zijn, had BNB ervoor moeten waarschuwen dat de in het draaiboek opgenomen brug tot problemen in de uitvoering zou kunnen leiden.
go with the flowplanning tegen elkaar zouden worden weggestreept. Partijen kunnen nu dus over en weer geen kosten meer claimen in verband met de brug over de Rozemarijnpassage.
“de in de prijsaanbiedingen opgevoerde kosten van het extra staal zijn vergeleken met de reeds verrekende bouwkundige voorzieningen in eerdere door URW opgedragen VTW’s, om zo te verzekeren dat er geen staal dubbel is gerekend”. Die stelling is onvoldoende. Gelet op de betwisting van URW en zonder onderliggende gegevens is namelijk niet vast te stellen of BNB meer kosten heeft gemaakt dan het begrote en aan haar vergoede bedrag van € 1,3 miljoen. Evenmin is vast te stellen of de nu gevorderde kosten voor bouwkundig staal al betrokken waren in eventuele eerdere verrekeningen voor bouwkundige voorzieningen. Dat staat aan toewijzing van de posten BN018G en BN018C in de weg.
“Het bovenstaande betekent dat wij niet alleen hebben moeten constateren dat UR te laat is met het aanleveren van het BIM-model, maar dat tevens het BIM-model niet het overeengekomen niveau heeft en bovendien nog niet gereed is. Concluderend moeten wij helaas stellen dat voor een aanzienlijk deel van het project (alle bouwdelen behoudens bouwdeel D2) UR ons niet kan aangeven hoe het project er uit moet gaan zien, dat demarcatie wijzigingen en planwijzigingen ons niet zijn opgedragen en dat het model onvoldoende op niveau is.
“Toelichting
”van september 2016 staat:
7.De bestekswijzigingen wegens ontwerpfouten
"bijbetaling of verhoging (...) van de vaste Aannemingssom"in geval van
"door Opdrachtgever schriftelijk (...) opgedragen Bestekswijzigingen." BNB acht een beroep van URW op het niet doorlopen van de procedure van artikel 13 AV Pro naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, omdat het aan URW te wijten is dat die procedure niet is gevolgd. Subsidiair doet BNB een beroep op een redelijke prijs als bedoeld in artikel 7:752 lid 1 BW Pro en meer subsidiair op ongerechtvaardigde verrijking.
.
8.De vertragingsvorderingen
“Deze opdracht zal niet leiden tot een vertraging in de overall contract-bouwplanning.”
(ernstige) toerekenbare tekortkomingvan Opdrachtgever ten grondslag ligt” worden verstaan: een
“al dan niet ernstige” toerekenbare tekortkoming.
- het te laat verstrekken van de sonderingen die noodzakelijk zijn voor het funderingsadvies,
- het aanleveren van een BIM-model dat niet het afgesproken niveau had en
- langere doorlooptijden voor de controle en goedkeuring van werktekeningen dan overeengekomen.
- de procedure voor het verkrijgen van termijnverlenging is onduidelijk,
- het projectbureau heeft het ATS niet geactualiseerd, wat voor rekening van URW komt,
- URW heeft zeer veel bestekswijzigingen opgedragen, ook na de contractuele opleverdatum,
- URW heeft de afwijzingen van verzoeken om termijnverlenging niet gemotiveerd.
procedure onduidelijk
dat het Projectbureau het ATS niet heeft bijgehouden komt voor rekening van URW
werkzaamhedenmet de nevenaannemers moest afstemmen. Dat dat ook inhield dat BNB een
planningbij het projectbureau moest aanleveren waarin de planning van de nevenaannemers was verwerkt, heeft BNB betwist en URW onvoldoende onderbouwd.
De hoeveelheid en het moment van de door URW opgedragen bestekswijzigingen
“Deze opdracht zal niet leiden tot een vertraging in de overall contract-bouwplanning.”,terwijl zij toen in elk geval wist dat oplevering van de in die bestekswijziging opgedragen werkzaamheden en dus van het werk op die datum onmogelijk was.
Zonder ‘native planningsbestanden’ geen TIA
Onvoldoende rekening gehouden met andere ontwikkelingen op het kritieke pad
Vertragingsoorzaken voor rekening van BNB niet meegenomen
TIA niet prospectief uitgevoerd maar achteraf
Onduidelijke grond voor termijnverlenging
Gegevens niet verifieerbaar
Analyse Vijverberg onbetrouwbaar
De AP-AB is ondeugdelijk
Vijverberg berekent de termijnverlenging waarop BNB recht heeft als volgt:
- de periode tussen oorspronkelijke opleverdatum (van het werk als geheel, 1 oktober 2019) en opdrachtverlening (van deze VTW, 19 december 2019): 11,5 weken
- engineering en uitvoering: samen 46 weken
- afbouw door nevenaannemers: 8,5 weken.
ingrijpende verbouwing van de reeds gereed zijnde ruwbouw”moest URW beseffen dat voltooiing van dit meerwerk (en dus ook van het werk als geheel) onmogelijk was vóór de in de AO overeengekomen opleverdatum en dat BNB dus recht had op bouwtijdverlenging voor deze bestekswijziging. Daar komt bij dat URW zelf kennelijk geen haast had, omdat zij de opdracht pas ruim twee maanden na de offerte heeft verstrekt. Vijverberg telt die tijd terecht mee als vertraging ten laste van URW, omdat van BNB niet gevergd kan worden dat zij met de werkzaamheden begint vóór opdrachtverstrekking.
“dan wel in geval artikel 9.3 van de Aannemingsovereenkomst hiertoe aanleiding geeft.”.
“… in geval artikel 9.3 van de Aannemingsovereenkomst hiertoe aanleiding geeft.”en dus om een nakomingsvordering. Zie ook hiervoor onder 8.25.
Voor zover Bestekswijzigingen niet ingrijpen op het kritieke pad van het Algemeen Tijdschema zullen geen tijdgebonden kosten in rekening kunnen worden gebracht.”). De rechtbank oordeelt dat de uitleg van BNB de juiste is. Die uitleg vindt steun in artikel 7.4 AO, dat de mogelijkheid geeft het percentage ABK af te laten hangen van de mate van noodzakelijke begeleiding. Daarbij gaat het kennelijk om indirecte personeelskosten die specifiek noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van de betrokken bestekswijziging en niet om tijdgebonden kosten als ABK en UTA-personeel. Dit past ook binnen de vergoedingssystematiek van artikel 7.4 AO. Die bepaling geeft namelijk recht op een opslag voor indirecte kosten, ongeacht of een meerwerkopdracht ingrijpt op het kritieke pad en dus ongeacht of het meerwerk tot vertraging leidt. Partijen hebben die bepaling ook in de praktijk zo toegepast, omdat bij bestekswijzigingen steeds de in artikel 7.4 AO genoemde opslagen in de aanbiedingen zijn opgenomen en na opdrachtverlening zijn betaald.
De rechtbank wijkt hier af van het oordeel van het hof in het eerste arrest Jumbo (zie onder 8.103), omdat het hof artikel 7.4 AO niet in zijn beoordeling heeft betrokken.
as-builtschema. Het gaat hierbij om de omzet zoals die per maand contractueel was voorzien op basis van het schema voor de betaling van de aanneemsom in termijnen. Vervolgens heeft BNB de werkelijke omzet per maand bepaald op basis van het
as-builtschema, rekening houdend met de vertraging die in de uitvoering is opgetreden. Daarbij is uitgegaan van de daadwerkelijke betaling van de termijnen van de aanneemsom met toepassing van een correctie van twee maanden vanwege de periode van facturering en de betaaltermijn. Die correctie maakt dat URW niet wordt benadeeld bij de berekening van de werkelijke omzet. De indexering op basis van het
as-builtschema is berekend over de kale aanneemsom van BNB zelf, dus zonder de posten Winst en Risico en zonder de aanneemsommen van de onderaannemers.
9.De met de aanneemsom verrekende bedragen
- € 100.000,- in verband met kosten voor herstel van het nat geworden isolatiemateriaal in de MediaMarkt;
De Aannemer is jegens Opdrachtgever aansprakelijk voor alle schade die Opdrachtgever lijdt als gevolg van tekortkomingen in de nakoming van de uit de Aannemingsovereenkomst voortvloeiende verplichtingen.”
Een eerdere versie van artikel 8.6 AV bevatte ook nog de volgende slotzin.
"Opdrachtgever is voorts gerechtigd de in artikel 25 van Pro deze Algemene Voorwaarden bedoelde schade te verrekenen met verschuldigde termijnen van de Aannemingssom".
In ditzelfde e-mailbericht staat vermeld dat Ballast Nedam van mening is dat verzekerde meer had kunnen doen om schade te voorkomen. Onduidelijk is wat hiermee wordt bedoeld. Volgens de heer [naam 13] van verzekerde heeft verzekerde juist gewacht met het aanbrengen van de verticale isolatie, totdat Ballast Nedam hier akkoord voor had gegeven en de lekkages zouden zijn verholpen. (…)
Volgens verzekerde is Ballast Nedam in de periode van september tot en met december 2019 vervolgens bezig geweest met het verhelpen van deze bouwkundige lekkages. Voor zover ons bekend zijn de lekkages uiteindelijk medio eind december 2019 verholpen en zijn sinds die tijd geen nieuwe meldingen van lekkages bekend.”
“… op welke wijze verzekerde de werkzaamheden anders had kunnen uitvoeren, waardoor minder schade zou zijn ontstaan.”Bovendien heeft BNB niet gesteld dat Hoogendoorn er van op de hoogte was dat er nadat zij de verticale isolatie had aangebracht een lekkage was opgetreden die ertoe had geleid dat de isolatie nat was geworden.
10.Overige vorderingen
11.Uitvoerbaarverklaring bij voorraad en proceskosten
12.De beslissing
- € 200.157,-, met btw en de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 49 dagen na 19 augustus 2020;
- € 11.068,17, met btw en de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 49 dagen na 12 mei 2020;
- € 21.252,-, met btw en de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 49 dagen na 7 april 2020;
- € 6.873.037,-, met btw en de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 49 dagen na 27 januari 2022;
- € 1.612.114,-, met btw en de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 49 dagen na 1 juni 2021;
- € 945.384,14, met btw en de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 49 dagen na 3 juli 2022;
- € 700.000,-, met btw en de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 49 dagen na 2 maart 2021;
- € 133.918,-, met btw en de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 49 dagen na 20 juli 2021;
- € 23.812,-, met btw en de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 49 dagen na 3 juni 2022;
- € 500.000,-, met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 49 dagen na 22 december 2021;
- € 28.710,-, met btw en de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 49 dagen na 15 juli 2021;
- € 141.574,29, met btw en de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 49 dagen na 15 juli 2021;
- € 1.022.157,83, met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 11 april 2023;