Uitspraak
RECHTBANK Amsterdam
1.APOTHEEK BERGWEG ROTTERDAM B.V.,
2.
APOTHEEK SCHIEMOND ROTTERDAM B.V.,
3.
APOTHEEK SCHILDERSWIJK DEN HAAG B.V.,
4.
APOTHEEK SPANHOFF ROTTERDAM B.V.,
5.
APOTHEEK WALENBURG ROTTERDAM B.V.,
6.
APOTHEEK ZEELT ROTTERDAM B.V.,
7.
APOTHEEKGROEP NOORDPLEIN HOLDING 1 B.V.,
1.De procedure
namens de apotheken: [naam 1] (bestuurder gedaagde sub 7) met mr. Van den Boogerd,
namens Pluripharm: [naam 2] (
manager finance) en [naam 3] (
CEO) met mrs. Boersen en J. Wind.
2.De feiten
finance managervan Pluripharm, de contactpersoon van de apotheken. In de zomer van 2025 heeft Pluripharm een nieuwe
finance manageraangesteld, de heer [naam 2] (hierna: [naam 2] ). Op 8 april 2026 heeft [naam 2] aan [naam 1] geschreven:
om te kijken hoe dit op te lossen - met zeer spoedige betalingen en welke zekerheden u kunt stellen om de positie van Pluripharm te kunnen waarborgen totdat het saldo naar een regulier saldo is teruggelopen.”
central filling’, een werkwijze in de farmacie waarbij verschillende recepten van patiënten niet in de apotheek zelf, maar op één centrale locatie worden gesorteerd, verpakt en geëtiketteerd, en (iii) geneesmiddelen uitsluitend nog op basis van volledig en tijdig ontvangen vooruitbetalingen, steeds vermeerderd met een door Pluripharm te bepalen bedrag ter aflossing van de schuld, één of twee keer per week zullen worden geleverd.
3.Het geschil
- a) een bedrag van € 404.240,33; en
- b) een bedrag van € 9.752,75;
- a) een bedrag van € 923.779,21; en
- b) een bedrag van € 25.142,88;
- a) een bedrag van € 1.087.846,97; en
- b) een bedrag van € 29.556,73;
- a) een bedrag van € 805.338,08; en
- b) een bedrag van € 27.431,50;
- a) een bedrag van € 1.006.715,47; en
- b) een bedrag van € 24.622,01;
- a) een bedrag van € 639.622,40;
- b) een bedrag van € 15.925,76;
- a) een door een rechtsgeldige vertegenwoordiger getekende versie van de akte verpanding vorderingen en aandelen, zoals door Pluripharm als productie 19 overgelegd, althans – subsidiair – als productie 19A met aanpassingen, te verstrekken aan de advocaten van Pluripharm; alsmede
- b) alle verdere handelingen te verrichten die noodzakelijk zijn voor vestiging, registratie en effectuering van de daarin opgenomen pandrechten, op straffe van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 10.000 per dag of gedeelte daarvan dat niet (geheel) aan deze veroordeling wordt voldaan, met een maximum van € 500.000; en
- c) te bepalen dat indien de apotheken niet binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis aan deze veroordeling hebben voldaan, dit vonnis op de voet van artikel 3:300 BW Pro in de plaats treedt van de door Pluripharm als productie 19 , althans – subsidiair – productie 19A met aanpassingen, overgelegde akte tot verpanding van vorderingen en aandelen.
4.4. De beoordeling
regulier saldo”. Reeds op 29 april 2026 zijn de apotheken echter bij advocatenbrief gesommeerd om de volledige vorderingen met een totale hoofdsom van (afgerond) € 4 miljoen, plus rente en kosten, binnen drie dagen te voldoen. Die eis was evident niet in te willigen. Pluripharm leek wel open te staan voor een betalingsregeling, maar eiste daarbij allerlei zakelijke en persoonlijke zekerheden. De apotheken stonden daar op zichzelf ook voor open, maar hebben onderbouwde bezwaren geformuleerd tegen de vorm waarin de geëiste zekerheid volgens Pluripharm moet worden gegoten. Hierover is tussen de advocaten van partijen veelvuldig en tamelijk escalerend gecorrespondeerd.
deze” en “
doen toekomen” in het betreffende artikellid (zie 2.5) lijken te verwijzen naar de verplichting omzet, kwartaal- en jaarcijfers van de apotheken aan Pluripharm te verstrekken, en niet naar het vragen van zekerheid. Zekerheden “doet” men doorgaans ook niet aan een wederpartij “toekomen”, maar men “verstrekt” die. Vooralsnog wordt de uitleg die Pluripharm aan de bepaling geeft dus niet gevolgd. Als uit de bepaling al een verplichting zou volgen om zekerheid te stellen, is voorts nog niet gezegd dat die dan de vorm moet hebben die Pluripharm thans in dit kort geding eist. De door Pluripharm opgestelde pandakte gaat ervan uit dat de apotheken zich onderling voor elkaar verbinden en dat de holding zich ook verbindt. Het is voorshands niet evident dat de apotheken en de holding hiertoe contractueel gehouden zouden zijn.
5.De beslissing
mr. G.P. Raats, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026.