ECLI:NL:RBAMS:2026:6729

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
81.315663.20
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22c SrArt. 22d SrArt. 36f SrArt. 47 SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor medeplegen van valsheid in geschrifte en witwassen bij TVL-fraude

De rechtbank Amsterdam heeft verdachte bij verstek veroordeeld voor medeplegen van opzettelijk gebruik maken van valse geschriften en medeplegen van witwassen van in totaal €57.646,20. Verdachte diende samen met anderen valse aanvragen in voor de Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL) en witwaste de ontvangen bedragen.

Het bewijs bestond uit diverse proces-verbalen van verhoren en ambtshandelingen, geschriften van de valse aanvragen, en andere documenten zoals huurovereenkomsten en aangiften omzetbelasting. Verdachte heeft tijdens verhoren bekend, waardoor de rechtbank volstond met een opsomming van bewijsmiddelen.

De rechtbank weegt mee dat fraude met publieke middelen de maatschappij raakt en constateert een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn van ongeveer 30 maanden. Daarom legt zij geen gevangenisstraf op, maar een taakstraf van 120 uur met vervangende hechtenis van 60 dagen bij niet-nakoming.

Daarnaast wijst de rechtbank de vordering van de benadeelde partij Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) toe voor materiële schade van €57.646,20, vermeerderd met wettelijke rente vanaf het moment van schade. De schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd en verdachte wordt veroordeeld tot betaling van dit bedrag.

De rechtbank bepaalt dat beslag op bepaalde vorderingen wordt bewaard ten behoeve van de rechthebbende en dat contant geld dat niet uit het misdrijf afkomstig is, wordt geretourneerd aan verdachte.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van 120 uur en betaling van €57.646,20 schadevergoeding aan RVO wegens medeplegen van valsheid in geschrifte en witwassen.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 81.315663.20
Datum uitspraak: 2 juli 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboortegegevens] 1979, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is bij verstek gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting op 18 juni 2026 en mede naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen voor de politierechter van 25 juni 2025 en 1 oktober 2025 en zoals deze volgens de processen-verbaal van die terechtzittingen hebben plaatsgehad.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J.P. Hopman.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan
1.
medeplegen van opzettelijk gebruik maken van valse geschriften in de periode van 10 september 2020 tot en met 12 december 2020 in Nederland, door deze over te leggen aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO);
2.
medeplegen van (schuld)witwassen van in totaal € 17.646,20 in de periode van 10 september 2020 tot en met 3 februari 2022 in Nederland.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Waardering van het bewijs

3.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.
3.2
Het oordeel van de rechtbank
Aangezien verdachte tijdens zijn verhoren bij de FIOD beide feiten heeft bekend en door en/of namens hem geen vrijspraak is bepleit, volstaat de rechtbank – met toepassing van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering – met een opsomming van de bewijsmiddelen. Deze opsomming geldt voor zowel feit 1 als feit 2. Het gaat om de volgende bewijsmiddelen:
- een proces-verbaal van verhoor verdachte van 31 januari 2022 met documentcode V-002-01, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [naam 1] en [naam 2] , pagina 502 t/m 507;
- een proces-verbaal van verhoor verdachte van 31 januari 2022 met documentcode V-002-03, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [naam 2] en [naam 1] , pagina 524 t/m 539;
- een proces-verbaal van verhoor verdachte van 2 februari 2022 met documentcode V-002-04, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [naam 1] en [naam 2] , pagina 540 t/m 548;
- een proces-verbaal van ambtshandeling van 23 februari 2022 met proces-verbaalnummer AMB-029, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam 2] , pagina 187 t/m 196;
- een geschrift, te weten een aanvraag Tegemoetkoming Vaste Lasten voor [bedrijf 1] met bijlagen, ingediend op 10 september 2020 met documentcode DOC-046, pagina’s 672 t/m 681.;
- een proces-verbaal van ambtshandeling van 13 april 2021 met proces-verbaalnummer AMB-072, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam 1] , pagina 241 t/m 244.
- een geschrift, te weten een aanvraag Tegemoetkoming Vaste Lasten voor [bedrijf 2] met documentcode DOC-160, met bijlagen (DOC-161), ingediend op 30 september 2020 en, pagina’s 726 t/m 735.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 3. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
1.
op tijdstippen in de periode van 10 september 2020 tot en met 12 december 2020 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander,
opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valselijk opgemaakt geschrift en heeft afgeleverd en voorhanden heeft gehad, terwijl zij wisten dat deze geschriften bestemd waren om als echt en onvervalst te gebruiken, te weten:
- TVL00031800 t.b.v. [bedrijf 1] en
- TVL00035452 t.b.v. [bedrijf 2] en
- aangiften omzetbelasting (BTW) t.n.v. [bedrijf 1] en
- een huurovereenkomst t.b.v. [bedrijf 1]
door genoemde geschriften te verstrekken aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat in de genoemde geschriften is vermeld dat:
- het vestigingsadres van [bedrijf 1] anders is dan zijn, verdachtes privéadres en/of hetzelfde is als zijn, verdachtes privéadres maar met een eigen opgang/toegang en
- de omzetten (over 2019) van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] hoger zijn dan ze in werkelijkheid waren en
- in aangiften omzetbelasting (2019) van [bedrijf 1] het BTW tarief 19% is gehanteerd i.p.v. de gebruikelijke 21% en
- de huurovereenkomst t.b.v. [bedrijf 1] (gesloten tussen verdachte (huurder) en [verhuurder] (verhuurder) m.b.t. het pand aan de [adres] ) is gedateerd 01 augustus 2020 en deze huurovereenkomst was ondertekend door verdachte en [verhuurder] terwijl in werkelijkheid deze overeenkomst niet op deze datum is opgemaakt en ondertekend;
2.
hij in de periode van 10 september 2020 tot en met 3 februari 2022 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, geldbedragen van in totaal 17.646,20 euro en 40.000 euro
heeft verworven en voorhanden gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en daarvan gebruik heeft gemaakt,
terwijl hij, verdachte en zijn mededaders wisten, dat bovenomschreven geldbedragen onmiddellijk afkomstig waren uit enig eigen misdrijf.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5.De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straffen en maatregelen

7.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden, met aftrek van voorarrest.
7.2.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft samen met een ander valse aanvragen Tegemoetkoming Vaste Lasten ingediend. De TVL-regeling was in het leven geroepen om ondernemingen die door de coronapandemie financieel (hard) werden geraakt te ondersteunen. Verdachte heeft er welbewust voor gekozen om voor zijn vennootschappen valse aanvragen in te dienen om tegemoetkomingen aan te vragen waarop deze vennootschappen geen recht hadden. De ontvangen bedragen heeft verdachte samen met anderen witgewassen. Verdachte heeft op deze wijze schaamteloos misbruik van gemaakt van de TVL-regeling. Het op deze wijze frauderen met publieke middelen raakt de hele maatschappij en de rechtbank weegt dit mee bij het bepalen van de straf.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft kennisgenomen van het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 20 februari 2026. Hieruit volgt dat verdachte eerder strafrechtelijk is veroordeeld en dat aan verdachte in 2022 wegens een verdenking van witwassen een transactie is aangeboden. Deze transactie is voldaan.
Strafoplegging
Om te bevorderen dat landelijk voor dezelfde feiten door rechtbanken en gerechtshoven ongeveer dezelfde straffen worden opgelegd, hebben de rechtbanken en gerechtshoven oriëntatiepunten opgesteld. Bij het bepalen van de straf past de rechtbank als uitgangspunt het oriëntatiepunt voor fraude toe en houdt daarbij rekening met de hoogte van het benadelingsbedrag van in totaal € 57.646,20. Het oriëntatiepunt bij een benadelingsbedrag van € 10.000,- tot € 70.000,- is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 2 tot 5 maanden. Ook kan een onvoorwaardelijke taakstraf worden opgelegd.
De rechtbank stelt vast dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn waar in de strafoplegging rekening mee moet worden gehouden. Verdachte is op 31 januari 2022 aangehouden en diezelfde dag in verzekering gesteld. De rechtbank neemt deze datum als aanvangsdatum van de redelijke termijn nu verdachte aan zijn aanhouding en inverzekeringstelling de verwachting kon ontlenen dat strafvervolging tegen hem zou worden ingesteld. Een verdachte heeft recht op berechting van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Als uitgangspunt geldt dat binnen twee jaar na aanvang van die redelijke termijn door de rechtbank moet zijn beslist, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Daarvan is hier geen sprake. Dit betekent dat de zaak op 31 januari 2024 afgerond had moeten zijn. De rechtbank stelt vast dat sprake is van een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn met ongeveer 30 maanden. Hierin ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte geen gevangenisstraf op te leggen.
Alles afwegende acht de rechtbank een taakstraf van 120 uur, met aftrek van het voorarrest naar de maatstaf van twee uren per dag, passend.

8.Beslag

De officier van justitie heeft gevorderd dat de onder verdachte in beslag genomen voorwerpen en geldbedragen aan hem worden geretourneerd.
De rechtbank overweegt in dit verband als volgt. Onder verdachte is onder meer in beslag genomen: “1 STK Vorderingen [rekeningnummer] ”. Omdat niet bekend is wie de rechthebbende is, zal de rechtbank gelasten dat dit goed zal worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende. De onder verdachte in beslag genomen contante geldbedragen (respectievelijk: € 255,-, € 210,90 en € 1.200,-) zullen worden geretourneerd aan verdachte, omdat niet kan worden vastgesteld dat die uit het misdrijf afkomstig zijn.

9.Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna ook: RVO) verzoekt € 57.646,20 aan vergoeding voor materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag is samengesteld uit de door RVO gedane betalingen van respectievelijk € 17.646,20 en € 40.000.
De officier van justitie heeft verzocht de vordering toe te wijzen.
De rechtbank stelt vast dat aan de benadeelde partij RVO door het onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De hoogte van de vordering is door of namens verdachte niet weersproken. De rechtbank zal de vordering daarom toewijzen. De wettelijke rente is toewijsbaar vanaf het moment dat de schade is ontstaan. De rechtbank zal daarnaast de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

10.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 36f, 47, 57, 225 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.
Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde feit.
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

11.Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Feit 1:
medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst;
Feit 2:
medeplegen van witwassen.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
taakstraf van 120 (honderdtwintig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 (zestig) dagen, met bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 (twee) uren per dag.
Gelast de bewaringten behoeve van de rechthebbende van:
1. STK Vorderingen [rekeningnummer] .
Gelast de teruggaveaan verdachte van:
2. € 255,00
3. € 210,90
4. € 1.200,00
Wijst de vordering van de
benadeelde partij RVOtoe tot een bedrag van € 57.646,20 (zevenenvijftigduizendzeshonderdzesenveertig euro en twintig cent) aan vergoeding voor materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 17.646,20 vanaf 24 september 2020 en over € 40.000,00 vanaf 9 oktober 2020 (het moment van het ontstaan van de schade) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan RVO voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van RVO aan de Staat € 57.646,20 (zevenenvijftigduizendzeshonderdzesenveertig euro en twintig cent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 17.646,20 vanaf 24 september 2020 en over € 40.000,00 vanaf 9 oktober 2020 (het moment van het ontstaan van de schade) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 250 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. C.M. Berkhout, voorzitter,
mrs. M. Nieuwenhuijs en M. Bijleveld, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.W.M. Steenbakkers, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 juli 2026.