ECLI:NL:RBAMS:2026:6781

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
13.077603.26
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 Wet wapens en munitieArt. 36f SrArt. 55 Wet wapens en munitieArt. 63 SrArt. 77a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorwaardelijke jeugddetentie wegens veroorzaken ontploffing met explosief

De rechtbank Amsterdam heeft op 30 juni 2026 uitspraak gedaan in een zaak tegen een verdachte geboren in 2007, die zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk veroorzaken van een ontploffing bij het huis van de tante van haar ex-vriend en het voorhanden hebben van een geïmproviseerde explosieve constructie op 15 oktober 2024.

De rechtbank oordeelde dat het bewezen was dat de verdachte de ontploffing heeft veroorzaakt met een zwaar stuk vuurwerk (Cobra 6) en brandbare vloeistof, waarbij levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen te duchten was. De verdachte bekende de feiten en haar verklaring werd ondersteund door bewijsmiddelen. De rechtbank verwierp het verweer dat er geen levensgevaar was, gelet op de aard van het explosief en de omstandigheden.

De verdachte werd veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke jeugddetentie van drie maanden met een proeftijd van twee jaar, conform het advies van de Raad en de eis van de officier van justitie. De rechtbank hield rekening met de ernst van de feiten, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, haar positieve ontwikkeling en het belang van therapie.

De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van €1.000,- voor immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 15 oktober 2024. Het overige deel van de vordering werd niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank legde tevens een maatregel van schadevergoeding op met een maximale gijzelingstermijn van 0 dagen.

De rechtbank sprak de verdachte vrij van overige ten laste gelegde feiten en legde geen bijzondere voorwaarden aan de proeftijd op, gezien de lopende voorwaarden van een eerdere straf.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot drie maanden geheel voorwaardelijke jeugddetentie met twee jaar proeftijd en betaling van €1.000,- immateriële schadevergoeding.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Team Familie & Jeugd
Parketnummer: 13.077603.26
Datum uitspraak: 30 juni 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaken tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2007,
post- en correspondentieadres: [adres 1] ,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

1.Onderzoek ter terechtzitting

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting achter gesloten deuren van 16 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. L. van Eck Rasmussen en van wat verdachte en haar raadsman mr. A. Kilinç naar voren hebben gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van wat onder meer door [persoon 1] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), [persoon 2] , namens de Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna: JBRA), [persoon 3] als credible messenger namens [naam] en de moeder van de verdachte naar voren is gebracht.
Tot slot heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen door en namens de benadeelde partij [benadeelde partij] , bijgestaan door zijn advocaat mr. S.J. Römer, namens mr. J.R. Mekkes, naar voren is gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging –, kort gezegd, ten laste gelegd dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan:
ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:
het opzettelijk stichten van brand of het teweegbrengen van een ontploffing op 15 oktober 2024 op/bij/ter hoogte van een pand aan de [adres 2] , terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar, dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen te duchten was;
ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:
het voorhanden hebben van een wapen, te weten een (zelfgemaakte) geïmproviseerde explosieve constructie (te weten een zwaar stuk vuurwerk (merk Cobra 6) en/of een hoeveelheid brandbare vloeistof), in strijd met artikel 26 eerste Pro lid, van categorie II onder 7 van de Wet wapens en munitie op 15 oktober 2024 te Amsterdam.

3.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing, terwijl daar gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen te duchten was.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft naar voren gebracht dat bewezen kan worden dat de verdachte de ontploffing teweeg heeft gebracht. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat niet bewezen kan worden dat sprake is geweest van brandstichting. Daarnaast kan ook niet bewezen worden dat er sprake is geweest van levensgevaar voor personen dan wel gevaar voor lichamelijk letsel voor personen. Op de foto’s van de straat en de bijbehorende beschrijving blijkt niet dat er veel schade is geweest.In het proces-verbaal van bevindingen omtrent de gevaarzetting ten tijde van de veroorzaakte explosie wordt de concrete gevaarzetting onvoldoende benoemd. Er is naderhand geen buurtonderzoek verricht. Gelet op het tijdstip waarop de ontploffing plaatsvond kan worden aangenomen dat er geen of zeer weinig mensen op straat aanwezig zijn. De meeste mensen liggen op een dinsdagavond om 23:40 uur al in bed. Uit het dossier blijkt dat aangever op het moment van de ontploffing thuis was, maar hij bevond zich op de tweede verdieping.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is op grond van de bewijsmiddelen van oordeel dat het ten laste gelegde opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing bij een pand aan de [adres 2] , waardoor gevaar voor dat pand en goederen te duchten was, wettig en overtuigend kan worden bewezen. De verdachte heeft het feit bekend en haar verklaring vindt steun in de overige bewijsmiddelen.
Met raadsman is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van het stichten van brand. Anders dan de verdediging en met de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat het dossier ook voldoende aanknopingspunten bevat voor het oordeel dat door de ontploffing levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was, aangezien deze gevaren door het handelen van de verdachte naar algemene ervaringsregels voorzienbaar waren. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
Het is een feit van algemene bekendheid dat zwaar vuurwerk, zoals een Cobra, zeer gevaarlijk is en levensgevaar en/of zwaar lichamelijk letsel kan veroorzaken. Dit volgt ook uit het proces-verbaal van bevindingen omtrent de gevaarzetting te tijde van de veroorzaakte explosie. De ontploffing vond plaats op een dinsdagavond omstreeks 23:40 uur in een woonwijk. Zoals door de verbalisanten in het proces-verbaal gevaarzetting uiteengezet bestaat er op dit tijdstip een kans dat weggebruikers zoals voetgangers, fietsers, automobilisten of overig verkeer in de nabijheid aanwezig kunnen zijn. Rondom het explosiecentrum, nabij de centrale toegangsdeur, werden meerdere (deels) verbrandde delen van de brandbare gel aangetroffen. Tevens lagen er op meerdere meters verwijderd van het explosiecentrum twee plastic flessen, waar omstanders door konden worden geraakt. De ontploffing vond daarnaast plaats nabij de toegangsdeur. Zonder dat de verdachte wist of er zich personen achter of vlakbij die deur bevonden, of van plan waren net door die deur te lopen, heeft zij het explosief tot ontploffing gebracht. Ook wist de verdachte niet of er ten tijde van de ontploffing mensen thuis waren, wat gelet op het tijdstip waarop de ontploffing plaatsvond, wel voorzienbaar was. Dat er geen nader buurtonderzoek gedaan is na de explosie, doet daar volgens de rechtbank niet aan af. Uit het dossier is gebleken dat in ieder geval aangever op dat moment thuis was. Daar komt nog bij dat de verdachte kort na de ontploffing naar de aangever een bericht stuurt dat zij door het aansteken van het explosief haar eigen hand bijna had opgeofferd.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte gelet op het voorgaande bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat iemand als gevolg van het ter ontploffing brengen van de Cobra en de flessen met brandbare vloeistof in levensgevaar zou raken en/of zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.
Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:
De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd ten aanzien van dit ten laste gelegde feit. De rechtbank is – met de officier van justitie – van oordeel dat het feit wettig en overtuigend is bewezen, omdat verdachte het feit heeft bekend en haar verklaring steun vindt in de overige bewijsmiddelen.

5.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in vervatte bewijsmiddelen bewezen dat
ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:
zij op 15 oktober 2024 te Amsterdam, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht bij een pand, gelegen aan de [adres 2] , immers heeft zij, verdachte, toen aldaar opzettelijk een (zelfgemaakte) geïmproviseerde explosieve constructie, te weten een stuk zwaar vuurwerk (vermoedelijk een Cobra 6) en een fles met (brandbare) vloeistof (IED), voor voornoemd pand geplaatst en aangestoken en tot ontploffing gebracht, terwijl daarvan gemeen gevaar voor voornoemd pand en in de nabijheid gelegen pand(en) en auto’s en levensgevaar voor personen die zich op het moment van de ontploffing in de nabijheid en/of de (naastgelegen) omgeving van de plek waar de ontploffing zou plaatsvinden bevonden, in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen en
gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen die zich op het moment van de ontploffing in de nabijheid en/of de plek waar de ontploffing zou plaatsvinden bevonden te duchten was;
ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:
zij op 15 oktober 2024 te Amsterdam, een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een (zelfgemaakte) geïmproviseerde explosieve constructie (IED) (te weten een zwaar stuk vuurwerk (merk Cobra 6) en een hoeveelheid brandbare vloeistof), zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door middel van ontploffing voorhanden heeft gehad;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6.Bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat de verdachte het bewezen geachte heeft begaan op feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.
Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

7.Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

8.Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9.Motivering van de straffen en maatregelen

De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geëist om aan de verdachte op te leggen een geheel voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur drie maanden met een proeftijd van twee jaar. De officier van justitie houdt hierbij rekening met artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr) en het feit dat de verdachte zich zo positief heeft ontwikkeld. Aangezien de verdachte vanwege een aan haar in december 2025 opgelegde straf op dit moment nog in een proeftijd loopt, met daaraan gekoppeld een aantal bijzondere voorwaarden, is het volgens de officier van justitie niet nodig om opnieuw voorwaarden op te leggen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman verzoekt de rechtbank om rekening te houden met de positieve ontwikkelingen van de verdachte. Ook verzoekt de raadsman rekening te houden met het tijdsverloop sinds het feit en met artikel 63 Sr Pro. Een geheel voorwaardelijke jeugddetentie is volgens de raadsman vanuit pedagogisch oogpunt het meest passend, zoals dat ook door de deskundigen wordt geadviseerd.
Het oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de straf laat de rechtbank zich leiden door de persoon van de verdachte zoals die naar voren komt in de nagenoemde rapportages en hetgeen de deskundigen ter zitting hebben verklaard, alsmede de ernst van het bewezen geachte en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich op 15 oktober 2024 schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een ontploffing bij het huis van de tante van haar ex-vriend, waar haar ex-vriend op dat moment woonde. De verdachte heeft hierover verklaard dat zij dit deed omdat zij haar ex-vriend wilde laten schrikken of bang wilde maken. Hoewel uit het dossier duidelijk naar voren komt dat er tussen de verdachte en haar ex-vriend in het verleden veel heeft gespeeld, waarbij de verdachte zelf ook het slachtoffer is geworden en ernstig letsel heeft opgelopen, mag dit nooit een reden of een excuus zijn om over te gaan tot dergelijke feiten. Het handelen van de verdachte heeft niet alleen gevolgen gehad voor het slachtoffer zelf, maar ook in de samenleving in het algemeen. Het aantal aanslagen met explosieven is hoog in Nederland. Dit leidt tot grote maatschappelijke onrust en een toename van gevoelens van onveiligheid in de samenleving.
Persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een Uittreksel Justitiële Documentatie van 12 mei 2026 waaruit blijkt dat verdachte al eerder veroordeeld is voor ernstige misdrijven. Dit weegt de rechtbank in haar nadeel mee. De rechtbank houdt rekening met artikel 63 Sr Pro, aangezien de verdachte op 5 december 2025 nog veroordeeld is voor strafbare feiten.
De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van de rapportages die over de verdachte zijn opgesteld, waaronder:
  • het rapport van de Raad ten behoeve van de inhoudelijke behandeling van 1 juni 2026;
  • de evaluatie van de JBRA ten behoeve van de inhoudelijke behandeling van 12 juni 2026.
De
Raadadviseert om aan de verdachte op te leggen een voorwaardelijke jeugddetentie, aangezien dit vanuit pedagogisch oogpunt het meest passend is. De voorwaardelijke jeugddetentie dient er voor te zorgen dat de verdachte leert om beter na te denken over met wie ze omgaat, wat ze doet en hoe ze met conflicten omgaat. De combinatie van deze stevige voorwaardelijke straf en het volgen van de trauma- en individuele therapie, verlaagt volgens de Raad de kans op recidive. De focus moet liggen op de behandeling en niet op vrijheidsbeperking. Er is een werkstraf overwogen, maar de Raad is van mening dat dit niet passend is omdat er al twee werkstraffen open staan. De Raad schat in dat verhogen van het aantal te werken uren, niet het gewenste effect zal hebben. Daarnaast is de Raad van mening dat het van belang is dat de verdachte haar energie beter kan inzetten voor haar behandelingen. Ook is het opleggen van een leerstraf overwogen, maar de Raad ziet ook hier de meerwaarde niet van in gelet op de individuele therapie die de verdachte reeds geboden krijgt.
De
JBRAsluit zich aan bij het advies van de Raad. De JBRA ziet dat de verdachte positieve stappen heeft gezet. Hoewel de behandeling tot op heden nog niet helemaal lukt, werkt zij actief mee aan de geboden hulpverlening.
De coach van
credible messengersheeft ook naar voren gebracht dat de verdachte positieve stappen heeft gezet.
De
verdachteheeft zelf ter zitting onder woorden gebracht waarom zij is overgegaan tot het teweegbrengen van de ontploffing. Zij heeft daarbij inzicht getoond in het kwalijke van haar handelen, excuses aangeboden aan het slachtoffer en de rechtbank uitgelegd hoe haar persoonlijke situatie en de relatie met haar ex-vriend een rol speelde bij het maken van deze keuze. Ze heeft de rechtbank ervan overtuigd niet opnieuw een dergelijke keuze te zullen maken.
Straf
De rechtbank betrekt in de strafmaat dat ten aanzien van de feiten 1 en 2 sprake is van samenloop voor wat betreft het voorhanden hebben van een explosief. Gelet op de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten en omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd, zoals hiervoor beschreven, oordeelt de rechtbank – conform de eis van de officier van justitie – dat een geheel voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 3 maanden passend en geboden is. De rechtbank stelt de proeftijd vast op 2 jaren en zal aan het voorwaardelijke gedeelte, naast de algemene voorwaarde dat de verdachte zich niet schuldig mag maken aan een strafbaar feit, geen bijzondere voorwaarden verbinden. De verdachte moet zich in het kader van een eerder aan de verdachte opgelegde straf al houden aan een reeks bijzondere voorwaarden. De rechtbank heeft begrepen dat de verdachte tot op heden goed aan deze bijzondere voorwaarden meewerkt. De rechtbank heeft daarnaast mee laten wegen dat verdachte de afgelopen periode een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt en dat zij reflecteert op de door haar gepleegde strafbare feiten. Omdat er nog wel kwetsbaarheden worden gezien, wil de rechtbank het belang van het volgen van therapie en het afmaken hiervan benadrukken.
De rechtbank ziet geen aanleiding om een contactverbod of locatieverbod op te leggen, zoals verzocht door de raadsman van aangever [benadeelde partij] . De verdachte heeft de rechtbank ervan overtuigd dat zij in de toekomst geen contact meer wil met haar ex-vriend.

11.Benadeelde partij

De vordering van de benadeelde partij
De benadeelde partij [benadeelde partij] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend van in totaal € 6.500,-, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering van de benadeelde partij is ter zitting door de benadeelde partij en zijn raadsman toegelicht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, aangezien de vordering niet is onderbouwd. Indien de vordering door de rechtbank wel ontvankelijk wordt verklaard, dan stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat de vordering moet worden gematigd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren, aangezien de vordering onvoldoende is onderbouwd en er niet gebleken is dat er sprake is van geestelijk letsel. De benadeelde partij [benadeelde partij] noemde de handeling van de verdachte sexy en heeft pas een half jaar later aangifte gedaan. Subsidiair verzoekt de raadsman de vordering niet-ontvankelijk te verklaren aangezien er geen sprake is van een simpele vordering, waardoor er voor die vordering geen plek zou moeten zijn in een strafprocedure en aangebracht moet worden bij de civiele rechter. Mocht de rechtbank komen tot toewijzing van de vordering, dan verzoekt de raadsman de vordering te matigen.
Het oordeel van de rechtbank
Een benadeelde partij kan op grond van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) aanspraak maken op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding. Dat kan als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Van een aantasting in de persoon op andere wijze is in ieder geval sprake indien de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen of indien het gaat om een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit blijkt dat hiervan sprake is. Op grond van vaste jurisprudentie kunnen in sommige gevallen de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen zonder zo'n nadere concrete onderbouwing.
Bij het huis van de tante van de benadeelde partij [benadeelde partij] , waar de benadeelde partij op dat moment woonde en ook aanwezig was, is door de verdachte een ontploffing teweeggebracht. De aard en ernst van de normschending brengen mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen dat hij op andere wijze is aangetast in zijn persoon in de zin van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW. Dat de benadeelde partij pas in een later stadium aangifte heeft gedaan doet hier niet aan af. De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 aanhef Pro en onder b van het BW heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade.
De vordering is betwist. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, acht de rechtbank een bedrag van € 1.000,- aan immateriële schade billijk en toewijsbaar. Voor een hoger bedrag zoals door de benadeelde partij is verzocht op basis van de Rotterdamse Schaal ziet de rechtbank geen aanleiding, bij gebrek aan voldoende onderbouwing. De rechtbank zal daarom de vordering tot een bedrag van € 1.000,- toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 15 oktober 2024.
In het belang van [benadeelde partij] wordt als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Stafrecht aan verdachte opgelegd. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal de rechtbank de maximale duur van de gijzeling bepalen op 0 dagen.
De rechtbank verklaart het overige deel van de vordering tot vergoeding van de immateriële schade niet-ontvankelijk.

12.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 36f, 63, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 157 van het Wetboek van Strafrecht en artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

13.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
ten aanzien van het onder feit 1 bewezen verklaarde:
opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor dat pand en goederen en levensgevaar en gevaar voor lichamelijk letsel voor personen te duchten is;
ten aanzien van het onder feit 2 bewezen verklaarde:
het voorhanden hebben van een wapen in strijd met artikel 26 categorie Pro II onder 7 van de Wet wapens en munitie.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart de verdachte,
[verdachte] ,daarvoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 3 maanden.
Bepaalt dat deze straf in zijn geheel
nietten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van de voorwaarden.
Stelt de proeftijd vast op 2 jaren onder de
algemenevoorwaarde dat de verdachte zich niet voor het einde van de proeftijd zal schuldig maken aan een strafbaar feit.
Benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling van € 1.000,- (zegge: duizend euro) voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten op 15 oktober 2024, tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt de verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij] .
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt aan de verdachte op de maatregel van schadevergoeding ten behoeve van [benadeelde partij] ter hoogte van € 1.000,- (zegge: duizend euro). Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten op 15 oktober 2024, tot aan de dag van algehele voldoening. Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 0 dagen.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.
Bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij] voor het overige niet-ontvankelijk is in zijn vordering.
Dit vonnis is gewezen door
mr. G.S. Crince Le Roy, voorzitter tevens kinderrechter,
mrs. C.P. Bleeker en E. Lam, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.M. Elsman, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 juni 2026.
[...]