ECLI:NL:RBAMS:2026:679

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
AMS 25/7188 en 25/7210
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:86 AwbArt. 2.10.5 lid 1 onder e HVVArt. 2.10.5 lid 1 onder i HVVArt. 3 Nadere regels HVVArt. 25 Nadere regels HVV
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing urgentieverklaring wegens niet voldoen aan bindingseis en verwijtbaar huisvestingsprobleem

Verzoeker heeft een urgentieverklaring aangevraagd bij het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, welke is afgewezen op grond van twee algemene weigeringsgronden: het niet onafgebroken vier jaar ingeschreven staan in de Basisregistratie Personen (BRP) en het verwijtbaar ontstaan van het huisvestingsprobleem door inwoning bij anderen.

Verzoeker was na een ernstig verkeersongeluk medisch kwetsbaar en woonde tijdelijk bij zijn zus, maar had ook vóór het ongeval al geen zelfstandige woonruimte. De voorzieningenrechter oordeelt dat het college terecht de aanvraag heeft afgewezen zonder medisch advies in te winnen, omdat algemene weigeringsgronden van toepassing zijn.

De hardheidsclausule wordt niet toegepast omdat de medische situatie van verzoeker niet als schrijnend of acuut levensbedreigend wordt gezien. De voorzieningenrechter acht het besluit niet onevenredig, ondanks de persoonlijke omstandigheden van verzoeker.

Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Verzoeker krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de urgentieverklaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
Zaaknummers: AMS 25/7188 (beroep) en AMS 25/7210 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 januari 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , eiser/verzoeker, hierna: verzoeker

(gemachtigde: mr. M.I. L'Ghdas),
en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, het college

(gemachtigden: [gemachtigde] en mr. F.M.E. Schuttenhelm).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoeker voor een urgentieverklaring. Verzoeker is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Hij voert een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter de afwijzing van de aanvraag.
1.2.
De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college verzoekers aanvraag voor een urgentieverklaring mocht afwijzen
.Verzoeker krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst hij het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Inleiding

2.1.
Verzoeker heeft een urgentieverklaring aangevraagd. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 20 februari 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van
7 november 2025 op het bezwaar van verzoeker is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarnaast heeft verzoeker verzocht om een voorlopige voorziening strekkende tot toekenning van een urgentieverklaring.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek en het beroep op 13 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigden van het college.
2.3.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij ook op het beroep van verzoeker daartegen. [1]

Wat ging er aan deze procedure vooraf?

3. Verzoeker stelt dat hij zijn gehele leven in Amsterdam heeft gewoond. Volgens verzoeker is op een gegeven moment een samenwoning beëindigd, waardoor hij niet meer over een woning beschikte in Amsterdam. Vanaf 6 december 2021 stond hij daarom niet meer ingeschreven in de Brp [2] op een adres in Amsterdam tot 1 augustus 2023. Vanaf
1 augustus 2023 tot 16 augustus 2025 stond hij weer ingeschreven op het adres [adres] . Verzoeker is op 26 juni 2024 slachtoffer geworden van een ernstig verkeersongeluk. Hierbij heeft hij meervoudig letsel opgelopen. Na het ongeval is verzoeker opgenomen geweest in het [ziekenhuis] : eerst op de Intensive Care en vervolgens op de afdeling Traumachirurgie. Daarna heeft hij van 24 juli tot en met 25 september 2025 verbleven in revalidatiekliniek [naam] . Op 25 september 2024 is hij verhuisd naar de woning van zijn zus in Amsterdam, gelegen op de tweede verdieping en zonder lift. De revalidatie is poliklinisch voortgezet. Uit een brief van de zus van verzoeker blijkt dat het volgens haar niet langer houdbaar is om verzoeker in huis op te vangen, omdat zij (ook) de zorg draagt voor haar zoon met niet-aangeboren hersenletsel en er vanuit ging dat de opvang van verzoeker tijdelijk zou zijn in afwachting van een urgentieverklaring. Verzoeker heeft behoefte aan een rustige, stabiele en passende woonomgeving vanwege zijn medische situatie en dreigende dakloosheid. Daarom heeft hij een urgentieverklaring aangevraagd op medische gronden.

Totstandkoming van het bestreden besluit

4. Het college heeft de aanvraag voor een urgentieverklaring afgewezen en het daartegen gemaakte bezwaar is ongegrond verklaard. Daaraan heeft het college twee algemene weigeringsgronden ten grondslag gelegd. Ten eerste voldoet verzoeker niet aan de zogenoemde bindingseis: verzoeker stond volgens de Brp niet ten minste vier jaar onafgebroken ingeschreven op een adres in de gemeente Amsterdam [3] . In de periode van
26 december 2021 tot 1 augustus 2023 stond verzoeker namelijk niet ingeschreven in de Brp, terwijl hij zijn aanvraag op 23 december 2024 heeft ingediend. De tweede weigeringsgrond is dat het huisvestingsprobleem is ontstaan als een gevolg van verwijtbaar doen of nalaten van verzoeker. Zo heeft verzoeker zelf verklaard bij de aanvraagprocedure nooit over eigen zelfstandige woonruimte in Amsterdam te hebben beschikt en altijd te hebben ingewoond bij anderen. Verzoeker heeft zich gevestigd in Amsterdam door te gaan inwonen bij andere huishoudens. Daar komt bovenop dat verzoeker zich na het ongeval heeft gevestigd door inwoning bij zijn zus in Amsterdam. [4] Omdat sprake is van algemene weigeringsgronden, kan verzoeker geen beroep doen op een urgentieverklaring vanwege medische redenen. Het college heeft de medische situatie van verzoeker daarom niet voorgelegd aan de GGD. Tot slot is er volgens het college geen reden voor het toepassen van de hardheidsclausule.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Algemene weigeringsgronden
Verwijtbaar ontstaan van het huisvestingsprobleem door inwoning?
5.1.
De voorzieningenrechter constateert dat verzoeker tijdens de aanvraagprocedure [5] heeft verklaard dat hij nooit over eigen zelfstandige woonruimte in Amsterdam heeft beschikt en altijd op kamers heeft gewoond, waardoor het niet lukte om een briefadres te regelen. Bij de aanvraag heeft verzoeker vermeld dat hij voor het ongeval bij veel vriendinnen en vrienden sliep. Volgens het beleid van het college is het huisvestingsprobleem (in ieder geval) het gevolg van verwijtbaar doen of nalaten van aanvrager als de aanvrager in de gemeente is komen wonen zonder te zorgen voor adequate woonruimte voor zichzelf, zoals gaan inwonen bij een ander huishouden. [6] Tegen deze algemene weigeringsgrond – het inwonen van verzoeker bij andere huishoudens (voor het ongeval) – heeft verzoeker geen beroepsgrond ingebracht. Dit betekent dat het college de aanvraag van verzoeker terecht op basis van de tweede algemene weigeringsgrond heeft afgewezen.
5.2.
De systematiek van de HVV brengt met zich mee dat de aanvrager niet in aanmerking komt voor een urgentieverklaring wanneer een algemene weigeringsgrond van toepassing is. De voorzieningenrechter laat om die reden de beroepsgronden tegen de eerste algemene weigeringsgrond voor zover dat ziet op het inwonen bij verzoekers zus (de e-grond) en de tweede algemene weigeringsgrond (de i-grond) onbesproken.
Had het college medisch advies moeten opvragen in het kader van de beoordeling van de medische urgentie?
6. Omdat een algemene weigeringsgrond van toepassing is, heeft het college de aanvraag ook terecht niet verder getoetst aan de voorwaarden voor medische urgentie. Verzoekers betoog dat er sprake is van onzorgvuldige besluitvorming, omdat het college geen medisch onderzoek heeft uitgevoerd, gaat dan ook niet op.
Hardheidsclausule
7.1.
Het college kan een uitzondering maken op de regels en deze buiten toepassing laten in gevallen waarbij sprake is van een schrijnende situatie en waaraan niet is gedacht bij het opstellen van de regels. In dat geval past het college de zogenoemde hardheidsclausule toe. Vanwege de schaarste aan sociale huurwoningen en de (jaren)lange wachttijden voor woningzoekenden die daarop zijn aangewezen, maakt het college terughoudend gebruik van de hardheidsclausule. Gelet op de grote vraag naar en het grote tekort aan sociale huurwoningen in Amsterdam, acht de voorzieningenrechter dit niet onredelijk. [7] Het beleid van het college is daarbij gericht op gezinnen met minderjarige kinderen, die door overmacht dakloos zijn of dakloos dreigen te worden en op personen met ernstige medische of sociale problematiek gerelateerd aan de woonsituatie. Volgens het beleid moet onder een schrijnende situatie bij medische problematiek worden verstaan dat er sprake is van een acuut levensbedreigend probleem waarvoor een urgentieverklaring noodzakelijk is. Het is in beginsel aan de aanvrager om aan te tonen dat deze problematiek van een dusdanige aard is dat verweerder op grond daarvan de aanvrager, boven alle andere woningzoekenden, voorrang moet verlenen. Daarbij wordt in het geval van een medische aanvraag als eis gesteld dat dit moet blijken uit een verklaring van een medisch specialist. [8]
7.2.
Verzoeker voert aan dat het college toepassing had moeten geven aan de hardheidsclausule. Het college stelt slechts dat bij acuut levensbedreigende omstandigheden toepassing mogelijk is. Deze uitleg miskent dat de hardheidsclausule juist is bedoeld om in bijzondere en schrijnende gevallen maatwerk te bieden. Uit de medische stukken van verzoeker blijkt volgens verzoeker dat zijn problematiek ernstig is.
7.3.
De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker diverse medische stukken heeft ingebracht: verschillende brieven van huisarts [persoon 1] [9] , een brief van revalidatiearts drs. [persoon 2] [10] en een advies van medisch adviesbureau Wolthuis [11] .
In de meest recente brief van de huisarts staat vermeld dat verzoeker als nasleep van het ongeval klachten zal blijven houden van persisterende mobiliteitsbeperkingen en cognitieve impairment. Er bestaat volgens de huisarts een indicatie voor verlenen van een Gehandicapten parkeervoorziening.
Uit de brief van de revalidatiearts volgt dat verzoeker na ontslag uit de revalidatiekliniek poliklinische behandeling kreeg van een fysiotherapeut en bekkenbodemfysiotherapeut, gericht op het opbouwen van belasting op de linker voet/enkel, afbouwen van het loophulpmiddel (krukken) en versterken van de bekkenbodem- en rompspieren. De ergotherapeut had geen verdere hulpvragen. Verzoeker kreeg oefeningen mee om zelfstandig te oefenen.
Uit het advies van medisch adviesbureau Wolthuis volgt dat verzoeker na het ongeval ernstig letsel wat betreft de neurologische problematiek en ook ten aanzien van met name de linker enkel en bekken heeft opgelopen. Het beloop oogt gunstig, maar een helder beeld omtrent de actuele status ontbreekt.
7.4.
Hoewel een medische eindsituatie nog niet is bereikt bij verzoeker, bieden de medische stukken geen aanknopingspunten dat sprake is van een schrijnende situatie of een acuut levensbedreigend probleem op grond waarvan een urgentieverklaring zou moet worden verleend. De voorzieningenrechter kan het college dan ook volgen dat de hardheidsclausule niet hoefde te worden toegepast op medische gronden.
Evenredigheid
8.1.
Verzoeker voert aan dat de gevolgen van het bestreden besluit voor hem onevenredig uitpakken. Gelet op de persoonlijke situatie van verzoeker, zoals beschreven onder 3, heeft het college de belangen van verzoeker onvoldoende onderkend.
8.2.
De voorzieningenrechter overweegt dat het gaat hier om een gebonden besluit dat berust op een algemeen verbindend voorschrift (avv). Een avv kan worden getoetst aan ongeschreven recht, waaronder het evenredigheidsbeginsel. Bij een gebonden bevoegdheid heeft op het niveau van het algemeen verbindende voorschrift al een belangenafweging in algemene zin plaatsgevonden. De uitkomst daarvan is neergelegd in de wettelijke voorwaarden voor de uitoefening van die bevoegdheid. Daarmee is in beginsel ook de evenredigheid van het besluit gegeven. Het te nemen besluit volgt immers uit het wel of niet vervuld zijn van de toepassingsvoorwaarden en het bestuursorgaan hoeft geen belangenafweging te maken. Niettemin kunnen er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat in het voorliggende geval toepassing van het algemeen verbindende voorschrift voor een of meer belanghebbenden zozeer in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel dat die toepassing achterwege moet blijven. Dit betekent dat het bestuursorgaan uiteindelijk (“onder de streep”) moet beoordelen of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat toepassing van het algemeen verbindende voorschrift in het voorliggende geval tot een onevenredige uitkomst zou leiden, maar daarbij gaat het dan alleen nog om de evenwichtigheid (de evenredigheid “stricto sensu”). Een besluit is onevenwichtig als het in de gegeven omstandigheden voor een of meer belanghebbenden onredelijk bezwarend is. [12]
8.3.
De voorzieningenrechter heeft oog voor de situatie van verzoeker. Na een ernstig verkeersongeval kwam verzoeker uit een ziekenhuis- en revalidatieperiode en dreigde wederom dakloos te raken. De voorzieningenrechter begrijpt verzoekers keuze om tijdelijk bij zijn zus in te wonen en dat deze keuze is gemaakt in een periode van medische kwetsbaarheid. Gelet op de privésituatie van zijn zus is de wens van verzoeker voor een rustige, stabiele en passende woonomgeving invoelbaar. Echter, verzoeker had vóór het ongeval al een huisvestingsprobleem. Dat probleem bestaat na het ongeval nog steeds. Gezien de huidige woning schaarste in Nederland en Amsterdam, is het niet hebben van een eigen huis op zichzelf tegenwoordig helaas geen bijzonderheid meer. Er zijn veel mensen in Amsterdam met medische problematiek die bij familie inwonen. Daarbij komt dat de medische situatie van verzoeker niet als schrijnend wordt gezien in de zin van de hardheidsclausule (zie 7.4). De voorzieningenrechter is met het college van oordeel dat niet gebleken is van zodanig bijzondere omstandigheden die maken dat de gevolgen van het bestreden besluit onredelijk bezwarend zijn voor verzoeker.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college de urgentieaanvraag van verzoeker heeft mogen afwijzen. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Verzoeker krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Q.M.J.A. Crul, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P. Tanis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Basisregistratie Personen.
3.Artikel 2.10.5, eerste lid, onder i van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2024 (HVV).
4.Artikel 2.10.5, eerste lid, onder e, van de HVV.
5.Document met als titel: “Verslag Aanvraag URG-MED-76141”.
6.Volgens artikel 3, ad e), van de Nadere regels van de HVV .
8.Artikel 25 van Pro de Nadere regels van de HVV.
9.Gedateerd 18 augustus 2025, 4 november 2025, 26 november 2025.
10.Gedateerd 24 december 2024.
11.Gedateerd 27 juni 2025.
12.ECLI:NL:CBB:2024:190, rechtsoverwegingen 8.1 en 8.2.