Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:68

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
25/2107
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

UWV heeft terecht geoordeeld dat eiser niet duurzaam arbeidsongeschikt is

Eiser, voormalig warehouse medewerker, is sinds 3 februari 2021 arbeidsongeschikt en ontvangt een WIA-uitkering. De Centrale Raad van Beroep had eerder vastgesteld dat eiser per 3 november 2021 recht had op een WGA-uitkering wegens excessief ziekteverzuim door epileptische aanvallen.

Het UWV heeft op 5 september 2024 en 18 februari 2025 geoordeeld dat eiser vanaf 18 april 2023 80 tot 100% arbeidsongeschikt is, maar niet duurzaam. Dit oordeel is gebaseerd op medische rapporten van verzekeringsartsen die aangeven dat verbetering van de belastbaarheid niet geheel is uitgesloten vanwege een geplande hersenoperatie met een kans van 70-75% op aanvalsvrijheid.

Eiser betwist dit en stelt dat zijn ziektebeeld progressief is zonder behandelmogelijkheden en dat de operatie nog geen effect heeft gehad. De rechtbank oordeelt echter dat het UWV en de verzekeringsarts een concrete en deugdelijke afweging hebben gemaakt, waarbij latere ontwikkelingen na de datum in geding niet relevant zijn.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, bevestigt dat eiser geen recht heeft op een IVA-uitkering en dat het griffierecht niet wordt teruggegeven. De uitspraak is gedaan door rechter E.M. Hansen-Löve op 13 januari 2026.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het UWV heeft terecht geoordeeld dat eiser niet duurzaam arbeidsongeschikt is.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/2107

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M. Kartal),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,het UWV
(gemachtigde: mr. D. Brandt-van Es).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de vraag of het UWV terecht heeft geoordeeld dat eiser niet duurzaam arbeidsongeschikt is. Eiser is van mening dat verbetering van zijn gezondheidssituatie geheel is uitgesloten.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV voldoende heeft onderbouwd dat eiser op de datum die in dit geding voorligt niet duurzaam arbeidsongeschikt is. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 5 september 2024 heeft het UWV beslist dat eiser vanaf
18 april 2023 80 tot 100% arbeidsongeschikt is en heeft het UWV de hoogte van de
WIA-uitkering [1] van eiser conform aangepast.
2.1.
Met het bestreden besluit van 18 februari 2025 op het bezwaar van eiser is het UWV daarbij gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 10 december 2025 op zitting behandeld. Partijen hebben zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

3. Eiser is laatstelijk werkzaam geweest als warehouse medewerker voor gemiddeld 41,93 uur per week. Op 6 februari 2019 viel hij uit door ziekte. Sinds 3 februari 2021 ontvangt eiser een WIA-uitkering.
3.1.
Vervolgens heeft een procedure plaatsgevonden over de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser per 3 november 2021. De Centrale Raad van Beroep (de Raad) heeft in een uitspraak van 4 december 2024 [2] geoordeeld dat eiser per 3 november 2021 recht heeft op een WGA [3] -loonaanvullingsuitkering waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 80 tot 100%. Volgens de Raad is het te verwachten structureel ziekteverzuim van eiser als gevolg van epileptische aanvallen aan te merken als zodanig excessief dat van een werkgever tewerkstelling van eiser niet in redelijkheid kan worden verlangd.
3.2.
In verband met een melding van eiser dat zijn gezondheidssituatie is veranderd, heeft het UWV de arbeidsongeschiktheid van eiser opnieuw beoordeeld. Met het besluit van 5 september 2024 heeft het UWV beslist dat eiser vanaf 18 april 2023 80 tot 100% arbeidsongeschikt is. Aan dit besluit heeft het UWV een rapport van een verzekeringsarts van 30 augustus 2024 ten grondslag gelegd. Volgens de verzekeringsarts had eiser geen benutbare mogelijkheden wegens een meer dan regulier arbeidsverzuim, maar was de verwachting dat de belastbaarheid binnen 1,5 jaar zou veranderen. Eiser stond op de nominatie om een operatie te krijgen die was gericht op vermindering van zijn klachten en verbetering van zijn functioneren.
3.3.
Met het bestreden besluit is het UWV hierbij gebleven. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 18 februari 2025 ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep onderschreef de conclusie dat verbetering van de belastbaarheid niet uitgesloten was. Eiser kwam in aanmerking voor hersenchirurgie. Doel van de operatie was vermindering van de epilepsieaanvallen. De kans voor eiser op aanvalsvrijheid na de operatie was 70 tot 75%, waarbij de kans op complicaties slechts klein was. Bij aanvalsvrijheid zou, aldus de verzekeringsarts bezwaar en beroep, geen sprake meer zijn van excessief ziekteverzuim en was de verwachting dat er vanaf dan bij eiser sprake zou zijn van minder dan 80% arbeidsongeschiktheid.
3.4.
Eiser is het met de conclusies van de verzekeringsartsen niet eens en vindt dat hij recht heeft op een IVA [4] -uitkering. Volgens eiser heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de stappen van het beoordelingskader “Beoordeling van de duurzaamheid van arbeidsbeperkingen” (het Beoordelingskader) niet goed doorlopen. Volgens eiser is verbetering geheel uitgesloten, omdat zijn beperking een progressief ziektebeeld heeft zonder behandelmogelijkheden. Eiser heeft al veel vormen van behandelingen uit laten voeren en dit heeft tot op heden niet geleid tot een oplossing. Eiser lijdt dagelijks aan focale en tonisch clonische aanvallen. Voor zover behandelmogelijkheden bestaan, voert eiser aan dat in het eerste jaar geen of nauwelijks verbetering wordt verwacht. De operatie heeft reeds plaatsgevonden. De arts heeft meegedeeld dat pas na zes tot twaalf maanden na de operatie duidelijk kan worden of de operatie een positief effect heeft gehad. Eiser ervaart nog dagelijks aanvallen. Omdat in het eerste jaar na de operatie geen of nauwelijks verbetering wordt verwacht, had de verzekeringsarts bezwaar en beroep moeten beoordelen in hoeverre de verbeteringen na een jaar nog kunnen worden verwacht. Dit heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep nagelaten. Het bestreden besluit mist dan ook een deugdelijke motivering.

Overwegingen

4. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser op 18 april 2023 (de datum in geding) volledig arbeidsongeschikt was.
4.1.
De rechtbank beoordeelt of het UWV terecht heeft geoordeeld dat eiser op
18 april 2023 recht had op een WGA-uitkering, in plaats van een IVA-uitkering, omdat eiser weliswaar volledig arbeidsongeschikt was, maar niet duurzaam.
4.2.
Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is volgens artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van het tweede lid wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie. Volgens het derde lid wordt onder duurzaam mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.
4.3.
Volgens vaste rechtspraak [5] dient de verzekeringsarts zich een oordeel te vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van Pro de Wet WIA. Hierbij moet hij een inschatting maken van de herstelkansen, in de zin van een verbetering van de functionele mogelijkheden van de verzekerde. De inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar na het ontstaan van het recht op uitkering en in de periode daarna dient te berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de individuele verzekerde aan de orde zijn, voor zover die feiten en omstandigheden betrekking hebben op de medische situatie van de verzekerde op de datum in geding. Indien die inschatting berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde.
4.4.
Volgens stap 1 van het Beoordelingskader beoordeelt de verzekeringsarts of verbetering van de belastbaarheid is uitgesloten. Dat is het geval als sprake is van een stabiel of progressief ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden. De rechtbank is van oordeel dat het UWV mocht concluderen dat er nog behandelmogelijkheden zijn. Ten tijde van het onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep stond er nog een behandelmogelijkheid open, namelijk een operatie.
4.5.
Indien verbetering niet is uitgesloten, wordt volgens stap 2 van het Beoordelingskader bezien in hoeverre die verbetering kan worden verwacht in het eerstkomende jaar. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat verbetering in het eerste jaar kon worden verwacht. Dit standpunt kan de rechtbank volgen. Hiertoe overweegt zij dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep hierover vragen heeft gesteld aan de neurochirurg en neuroloog. Zij hebben in antwoord daarop vermeld dat de kans op aanvalsvrijheid na de operatie 70 tot 75% is en de kans op complicaties 1 tot 2%. Daarbij is de herstelperiode gemiddeld 3 maanden. Bovendien is, indien een patiënt niet aanvalsvrij wordt, behandeling met anti-epileptica of neuromodulatie mogelijk.
4.6.
Omdat aan stap 2 voldaan wordt, behoeft stap 3 van het Beoordelingskader (in hoeverre verbetering van de belastbaarheid kan worden verwacht na het eerstkomende jaar), geen beoordeling.
4.7.
Voor zover eiser aanvoert dat na de datum in geding is gebleken dat de operatie niet het gewenste effect heeft gehad, geldt dat dit voor de beoordeling van de voorliggende zaak niet relevant is. De verzekeringsarts dient de informatie mee te wegen voor zover die betrekking heeft op de datum in geding. Latere ontwikkelingen die niet op de datum in geding waren te voorzien, zoals het alsnog ontstaan van duurzame arbeidsongeschiktheid, hoeft de arts niet mee te wegen. De omstandigheid dat een behandeling – achteraf gezien – geen dan wel minder verbetering heeft gebracht dan op de datum in geding was te verwachten, brengt ook niet mee dat de verwachting van de verzekeringsarts voor de in geding van belang zijnde datum voor onjuist moet worden gehouden. [6]
4.8.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende concreet en inzichtelijk onderbouwd dat eiser op de datum in geding niet duurzaam arbeidsongeschikt was. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. Hansen-Löve, rechter, in aanwezigheid van
mr.C.J. van ‘t Hoff, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).
3.Werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten.
4.Inkomensvoorziening volledig arbeidsongeschikten.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 3 januari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:14.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 24 november 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2913.