ECLI:NL:RBAMS:2026:685

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
26 januari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
AMS 26/6
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbAlgemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening urgentieverklaring wegens onvoldoende medische onderbouwing

Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring die door het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam is afgewezen. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen zodat hij tijdelijk als urgent zou worden behandeld.

De voorzieningenrechter oordeelt dat verweerder de aanvraag terecht heeft afgewezen omdat verzoeker niet voldoet aan het criterium van minimaal zes maanden behandeling bij een specialistische GGZ-instelling. Verzoeker heeft wel psychische klachten en is in behandeling bij diverse instanties, maar de intake bij Arkin moet nog plaatsvinden en behandeling is nog niet gestart.

De voorzieningenrechter benadrukt dat een voorlopige voorziening alleen kan worden toegekend als er vrijwel geen twijfel bestaat dat de urgentieverklaring toegekend moet worden. Dit is niet het geval omdat verzoeker nog stukken moet aanleveren en verweerder het bezwaar nog moet heroverwegen.

Daarnaast betekent een urgentieverklaring niet direct dat verzoeker snel een woning krijgt vanwege lange wachtlijsten. De voorzieningenrechter adviseert verzoeker actief te blijven zoeken naar tijdelijke huisvesting.

Gelet op deze omstandigheden wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Verzoeker wordt vrijgesteld van griffierecht vanwege onvoldoende financiële middelen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening voor een urgentieverklaring wordt afgewezen wegens onvoldoende medische onderbouwing en afwezigheid van onverwijlde spoed.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 26/6

uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 januari 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. A.J.M. Knoef),
en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Procesverloop

1.1.
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 20 november 2025 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen waarbij hem tijdelijk een urgentieverklaring wordt verstrekt.
1.2.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 20 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van verweerder.

Griffierecht

2. Verzoeker heeft het verzoek gedaan om van de betaling van griffierecht te worden vrijgesteld. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker in dit geval voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet over voldoende inkomsten of vermogen beschikt om het verschuldigde bedrag aan griffierecht te betalen. Het verzoek om vrijstelling van het griffierecht wordt daarom toegewezen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat bij een urgentieverklaring op medische gronden, in dit geval psychische klachten, sprake moet zijn van aantoonbaar chronische klachten en de aanvrager op het moment van de aanvraag minimaal zes maanden onder behandeling moet zijn voor het betreffende medische probleem bij een specialistische, tweedelijns GGZ-instelling of vrijgevestigd psychiater in Nederland. Verzoeker voldoet volgens verweerder niet aan dit criterium. Ook is toepassing van de hardheidsclausule niet aan de orde, want er is geen sprake van een levensbedreigende situatie.
4. Verzoeker heeft aangevoerd dat hij zijn ouderlijk huis is ontvlucht na zijn ‘coming out’. Hij is vanwege psychische klachten meermaals bij de huisarts geweest. Ook is hij bekend bij het Buurtteam, Veilig Thuis en de politie en is hij bij de spoedeisende hulp geweest en gezien door de crisisdienst na uitingen van suïcidaliteit. Inmiddels is hij doorverwezen naar Arkin. Het zal enige tijd duren voordat hij een intakegesprek heeft en nog langer voordat hij daadwerkelijk behandeld kan worden. Tot 1 februari 2026 kan hij nog bij een vriend in Antwerpen wonen. Daarna is hij feitelijk dakloos. Daarom heeft verzoeker een urgentieverklaring nodig om zo snel mogelijk een woning te bemachtigen en heeft hij ook onderhavig verzoek ingediend.
5. Op grond van artikel 8:81 van Pro de Awb [1] kan de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het oordeel van de voorzieningenrechter bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
6. Vooropgesteld moet worden dat verzoeker heeft gevraagd om gedurende de bezwaarfase een voorlopige voorziening te treffen waarmee primair wordt bereikt dat hij wordt behandeld alsof hij een urgentieverklaring heeft. Als de door verzoeker gevraagde voorziening wordt toegewezen, is dat eigenlijk geen voorlopige maatregel. Verzoeker zou met de (voorlopige) urgentieverklaring namelijk een huurovereenkomst kunnen sluiten en in een sociale huurwoning kunnen gaan wonen. Als het bezwaar later dan toch ongegrond verklaard zou worden, is die woonsituatie mogelijk feitelijk onomkeerbaar. Andere woningzoekenden worden daardoor dan benadeeld. Gelet hierop zou een dergelijke voorziening alleen kunnen worden getroffen als er nagenoeg geen twijfel is dat verweerder de urgentieverklaring aan verzoeker had moeten geven. De voorzieningenrechter is van oordeel dat daar geen sprake van is. Verzoeker heeft aangegeven dat hij zijn verzoek in de bezwaarfase met nadere stukken zal onderbouwen. Verweerder zal in de bezwaarfase het afwijzende besluit gaan heroverwegen en nieuwe stukken daarbij betrekken en beoordelen in het licht van de regelgeving omtrent urgenties. De voorzieningenrechter kan nog niet vooruitlopen op de uitkomst daarvan.
7. Daarnaast is relevant dat het krijgen van een urgentieverklaring in Amsterdam niet betekent dat daarmee direct een woning bemachtigd kan worden. Ook personen met een urgentieverklaring staan helaas op een maandenlange wachtlijst. Zelfs als de voorzieningenrechter dus de gevraagde voorziening zou treffen, is dat voor verzoeker geen oplossing voor zijn dreigende dakloosheid op korte termijn, totdat op zijn bezwaarschrift is beslist. Zoals ook op de zitting is besproken, is het voor verzoeker daarom van belang om zelf actief te zoeken naar een (tijdelijke) woning en in dat kader ook contact te houden met het Buurtteam in Weesp.
8. Gelet op de betrokken belangen en het aangevoerde spoedeisende belang, ziet de voorzieningenrechter geen reden een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.D. Arnold, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P. Tanis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.