ECLI:NL:RBAMS:2026:6859

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
12142597 \ CV EXPL 26-3834
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:94 BWArt. 6:119 BWArt. 1:88 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuurder niet privé aansprakelijk voor zakelijke lening schoonmaakbedrijf

CMF Finance B.V. verstrekte een zakelijke lening van €35.000 aan een schoonmaakbedrijf, vertegenwoordigd door de bestuurder. De lening werd niet volgens schema terugbetaald, waarna CMF de lening opeisbaar stelde en beslag legde op de privéwoning van de bestuurder.

De kantonrechter beoordeelde of de bestuurder hoofdelijk aansprakelijk was voor de lening. Uit de overeenkomst en de omstandigheden bleek niet dat de bestuurder zich privé had verbonden, mede omdat CMF onvoldoende had toegelicht wat hoofdelijke aansprakelijkheid inhield en de bestuurder dit gemotiveerd betwistte.

De vordering tegen de vennootschap werd toegewezen voor het openstaande bedrag van €11.550, vermeerderd met wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten. De contractuele boeterente van 2% per maand werd gematigd tot de wettelijke rente wegens buitensporigheid.

Het conservatoire beslag op de privéwoning van de bestuurder werd opgeheven omdat de vordering tegen hem niet bestond. Proceskosten werden verdeeld conform de uitkomst van de vorderingen.

Uitkomst: De vennootschap moet het openstaande bedrag en incassokosten betalen, de bestuurder is niet privé aansprakelijk en het beslag op zijn woning wordt opgeheven.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 12142597 \ CV EXPL 26-3834
Vonnis van 3 juli 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
CMF FINANCE B.V.,
te Utrecht,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: CMF,
gemachtigde: [gemachtigde],
tegen

1.[gedaagde 1] B.V.,

te [plaats],
gedaagde in conventie,
2.
[gedaagde 2],
te [plaats],
gedaagde in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna samen te noemen: [gedaagde 1] en [gedaagde 2],
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 25 februari 2026, met producties en beslagstukken,
- het antwoord van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] met één bijlage,
- het tussenvonnis van 31 maart 2026 waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,
- akte overleggen productie met productie 15 van CMF,
- de brief van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] van 9 juni 2026 met eis in reconventie en één bijlage,
- de mondelinge behandeling van 11 juni 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
CMF verstrekt kortlopende zakelijke financieringen aan ondernemers.
2.2.
[gedaagde 2] is enig bestuurder en aandeelhouder van [gedaagde 1]. [gedaagde 1] is een schoonmaakbedrijf.
2.3.
[gedaagde 2] heeft namens [gedaagde 1] een geldleningsovereenkomst met CMF gesloten, waarin zij hebben afgesproken dat CMF € 35.000 leent aan [gedaagde 1] tegen betaling van een rente van € 11.200 (hierna: de lening). [gedaagde 1] was verplicht het totale bedrag van de lening en de rente in twaalf maanden terug te betaling in termijnen van € 192,50 per werkdag.
2.4.
In de overeenkomst staat ook:
Om privacy-redenen is de afbeelding verwijderd
2.5.
De ondertekening van de overeenkomst door [gedaagde 2] luidt als volgt:
Om privacy-redenen is de afbeelding verwijderd
De partner van [gedaagde 2] heeft de overeenkomst eveneens ondertekend. Daarbij is de voorgedrukte tekst vermeld “Partner uit hoofde van ART 1:88 van Pro het BW”.
2.6.
CMF heeft haar algemene voorwaarden van toepassing verklaard op de lening (hierna: de algemene voorwaarden). Daarin staat dat CMF de overeenkomst kan beëindigen met inachtneming van een termijn van drie dagen als een achterstand van vijf betalingstermijnen of meer is ontstaan ten opzichte van het aflossingsschema (artikel 7.2 onder a), dat de geldlener 15% aan buitengerechtelijke incassokosten moet betalen als hij een verplichting uit de overeenkomst niet nakomt (artikel 8.1) en dat een boeterente van 2% per maand geldt zodra de lening opeisbaar wordt (artikel 8.2). Ook staat daarin dat alle (rechts)personen die partij zijn bij de overeenkomst, hoofdelijk aansprakelijk zijn voor alle daaruit voortvloeiende verplichtingen.
2.7.
[gedaagde 1] heeft niet aan het aflossingsschema voldaan en er is een achterstand ontstaan van meer dan vijf betalingstermijnen.
2.8.
Per 4 februari 2026 heeft CMF de lening beëindigd en het openstaande saldo, de daarover verschuldigde rente, boeterente en buitengerechtelijke incassokosten opgeëist.
2.9.
Op 16 februari 2026 heeft CMF conservatoir beslag laten leggen op de woning van [gedaagde 2] aan de [adres] in [plaats].

3.Het geschil

in conventie
3.1.
CMF vordert – samengevat en na vermindering van eis op de zitting – dat de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van
I. € 11.550 aan hoofdsom,
II. de contractuele rente van € 452,30 per maand vanaf 4 februari 2026,
III. de contractuele boeterente van € 338,80 per maand vanaf 4 februari 2026,
IV. buitengerechtelijke incassokosten van € 2.541,
V. de proceskosten.
3.2.
CMF legt het volgende aan haar vordering ten grondslag. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben zich hoofdelijk verbonden tot het terugbetalen van de lening en betaling van de daarover verschuldigde rente. Op grond van de algemene voorwaarden is de lening opeisbaar geworden en moeten [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ook de contractuele boeterente en buitengerechtelijke incassokosten betalen.
3.3.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren verweer tegen de vordering.
in reconventie
3.4.
[gedaagde 2] vordert dat het beslag op zijn privéwoning wordt opgeheven.
3.5.
[gedaagde 2] legt aan zijn vordering ten grondslag dat CMF een lening heeft verstrekt aan [gedaagde 1] en alleen [gedaagde 1] gehouden is tot het terugbetalen van geleende bedrag. Het beslag op zijn woning moet daarom worden opgeheven.
3.6.
CMF voert verweer.

4.De beoordeling

[gedaagde 2] is niet hoofdelijk aansprakelijk
4.1.
CMF stelt dat [gedaagde 2] privé aansprakelijk is voor de terugbetalingsverplichting van de lening, omdat hij de lening is aangegaan als hoofdelijk medeschuldenaar. [gedaagde 2] betwist dat hij als hoofdelijk medeschuldenaar de lening is aangegaan, hij heeft slechts als bestuurder voor zijn onderneming een lening afgesloten.
4.2.
De kantonrechter moet daarom in de eerste plaats de vraag te beantwoorden of [gedaagde 2] en CMF zijn overeengekomen dat [gedaagde 2] hoofdelijk medeschuldenaar is. Een overeenkomst komt tot stand als de ene partij het aanbod van de andere partij aanvaardt. Een aanbod wordt aangemerkt als aanvaard, als de partij die aanvaardt de wil heeft gehad om zich te verbinden aan de overeenkomst, of als door zijn verklaringen of gedragingen de wederpartij erop mocht vertrouwen dat die wil er wel was. De kantonrechter is van oordeel dat niet vast is komen staan dat [gedaagde 2] de wil heeft gehad om zich in privé te verbinden aan de lening of dat CMF daarop gerechtvaardigd mocht vertrouwen.
4.3.
CMF stelt dat [gedaagde 2] met het zetten van zijn handtekening heeft verklaard dat hij zich als medeschuldenaar wilde verbinden voor de lening, omdat in de lening staat dat [gedaagde 2] hoofdelijk voor zich in privé handelt en tekent. Ook heeft CMF dit voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst telefonisch aan [gedaagde 2] uitgelegd. Volgens CMF moet het [gedaagde 2] daarom duidelijk zijn geweest dat hij met het zetten van zijn handtekening akkoord ging met de privé aansprakelijkheid en voor die reden heeft zijn vrouw ook mee moeten tekenen.
4.4.
[gedaagde 2] betwist dat hij wilde dat CMF hem in privé kon aanspreken op terugbetaling van de lening en betwist ook dat daarover is gesproken. Hij heeft tijdens de zitting verklaard dat hij alleen wilde dat CMF geld zou lenen aan [gedaagde 1], omdat enkele opdrachten zijn beëindigd en daardoor de omzet van [gedaagde 1] is teruggelopen. CMF heeft volgens [gedaagde 2] nooit tegen hem gezegd dat hij zelf moest betalen als [gedaagde 1] dat niet kon. [gedaagde 2] heeft voorafgaand aan het sluiten van de lening telefonisch contact gehad met CMF, maar dat is toen niet gezegd. CMF heeft enkel vragen gesteld over de omzet van [gedaagde 1]. Voor [gedaagde 2] was het ook niet duidelijk waarom zijn partner de lening moest ondertekenen.
4.5.
Omdat CMF een beroep doet op de gevolgen van haar standpunt dat [gedaagde 2] hoofdelijk medeschuldenaar is en [gedaagde 2] dit gemotiveerd heeft betwist, moet CMF haar standpunt voldoende onderbouwen met concrete feiten en omstandigheden. Dat heeft zij onvoldoende gedaan. In de overeenkomst staat enkel dat [gedaagde 2] de overeenkomst ondertekent
‘alsmede hoofdelijk voor zich in privé’zonder dat is toegelicht wat CMF daarmee heeft beoogd en wat hoofdelijke aansprakelijkheid inhoudt. Uit de stukken van CMF blijkt ook niet of en zo ja, hoe zij de overeenkomst aan [gedaagde 2] heeft toegelicht. CMF heeft op de zitting weliswaar verklaard dat zij telefonisch aan [gedaagde 2] heeft meegedeeld dat hij moet ‘
meetekenen in privé’, maar dat is onvoldoende om te concluderen dat CMF de overeenkomst (afdoende) heeft uitgelegd. Het gaat in dit geval weliswaar om een zakelijke lening, maar dat neemt niet weg dat CMF aan een privépersoon duidelijk moet uitleggen welke verplichtingen hij op zich neemt. Daarbij moet rekening worden gehouden met de taalvaardigheid van de privépersoon. De uitleg die CMF stelt aan [gedaagde 2] te hebben gegeven, voldoet daar niet aan. Ook in de algemene voorwaarden ontbreekt een uitleg wat onder de daarin genoemde hoofdelijke aansprakelijkheid van (rechts)personen wordt verstaan, nog los van de vraag of het zou hebben volstaat om dergelijke essentiële informatie in de algemene voorwaarden te vermelden. Dat de echtgenote van [gedaagde 2] ook de leningsovereenkomst heeft ondertekend, maakt het voorgaande niet anders. Ook daarvoor geldt dat de enkele verwijzing naar artikel 1:88 BW Pro in de overeenkomst niet volstaat als een deugdelijke en voor [gedaagde 2] en zijn vrouw begrijpelijke toelichting van het doel daarvan en evenmin is gesteld noch gebleken dat hen dat door CMF op een andere wijze is uitgelegd.
4.6.
Gelet op het voorgaande kan uit het feit dat bij de hoedanigheid van [gedaagde 2] en onder zijn handtekening voorgedrukt staat ‘
alsmede hoofdelijk voor zich in privé’ en het tekenen door zijn echtgenote als “
partner uit hoofde van ART 1:88 van Pro het BW” niet worden afgeleid dat [gedaagde 2] heeft beseft wat de bedoeling was van die zinsnedes en dat hij zich daadwerkelijk hoofdelijk heeft verbonden of willen verbinden tot terugbetaling van de lening van [gedaagde 1], dan wel dat CMF daarop heeft mogen vertrouwen. Dit betekent dat niet is komen vast te staan dat er een overeenkomst tussen CMF en [gedaagde 2] tot stand is gekomen. [gedaagde 2] is dus niet aansprakelijk voor het terugbetalen van de lening. De kantonrechter wijst daarom de vordering van CMF tegen [gedaagde 2] af.
4.7.
Het voorgaande brengt met zich dat het conservatoire beslag op de privéwoning van [gedaagde 2] zal worden opgeheven, omdat de vordering waarvoor dat beslag is gelegd niet bestaat.
[gedaagde 1] moet € 11.550 betalen
4.8.
Tussen partijen is niet in geschil dat het openstaande saldo op 11 juni 2026 € 11.550 bedraagt en dat CMF de lening op 4 februari 2026 opeisbaar is geworden omdat een achterstand van vijf betalingstermijnen of meer is ontstaan ten opzichte van het aflossingsschema. [gedaagde 1] moet daarom € 11.550 terugbetalen aan CMF. Eventuele aflossingen die [gedaagde 1] na 11 juni 2026 heeft gedaan, strekken daarop in mindering.
De kantonrechter matigt de contractuele boeterente
4.9.
De kantonrechter ziet aanleiding om de gevorderde contractuele boeterente van 2% per maand te matigen. Vooropgesteld moet worden dat de rechter een dergelijke boete op grond van artikel 6:94 BW Pro kan matigen, indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist. Deze maatstaf betekent dat matiging alleen aan de orde is als toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. Daarbij zijn de omstandigheden van het geval beslissend, waaronder de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen.
4.10.
In dit geval is de kantonrechter van oordeel dat het boetebeding uit de lening tot een dergelijk buitensporig en onaanvaardbaar resultaat leidt, zoals [gedaagde 1] heeft aangevoerd. De boeterente van 2% per maand is fors hoger dan de wettelijke handelsrente en kan oplopen tot een relatief hoog bedrag. Daarbij komt dat CMF het hoge risico dat zij met het verstrekken van de lening liep naar eigen zeggen ook al heeft verdisconteerd in de contractuele rente van 32% op jaarbasis. Voor zover de boeterente bedoeld is als een prikkel tot nakoming, gaat dat niet op omdat onvoldoende gemotiveerd is betwist dat [gedaagde 1] niet in meer staat is om te betalen en dat er geen sprake is van onwil. CMF heeft weliswaar betoogd dat er ruimte was om aan aflossingsverplichtingen te voldoen, maar dit wordt door [gedaagde 1] betwist en is door CMF niet met stukken onderbouwd. Daarnaast is de kantonrechter van oordeel dat de gevorderde boeterente niet proportioneel is gelet op de werkelijke schade die CMF heeft geleden als gevolg van de te late betaling. CMF heeft enkel gesteld dat zij een deel van het geleende geld niet opnieuw heeft kunnen uitlenen, maar wat dat dan concreet betekent heeft CMF niet inzichtelijk gemaakt.
4.11.
Gelet op het voorgaande zal de kantonrechter de boete matigen. Artikel 6:94 BW Pro bepaalt dat aan CMF niet minder kan worden toegekend dan de schadevergoeding die aan haar toekomt op grond van de wet. De rechtbank zal de boete daarom matigen tot de wettelijke rente, omdat die wettelijke rente de schadevergoeding betreft waarop CMF op grond van artikel 6:119 BW Pro recht zou hebben wegens de vertraging in de voldoening van de onderhavige geldsom.
De BIK is toewijsbaar
4.12.
CMF vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten op grond van artikel 8.1 van de algemene voorwaarden. CMF en [gedaagde 1] zijn een vergoeding overeengekomen die van de wettelijke regeling afwijkt. In artikel 8.1 van de algemene voorwaarden staat dat de buitengerechtelijke incassokosten 15% bedragen. De kantonrechter stelt vast dat CMF voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat relatief omvangrijke buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zullen worden toegewezen tot een bedrag van € 1.732,50 (15% van € 11.550), omdat [gedaagde 1] de verschuldigdheid daarvan niet heeft betwist en geen redenen aanwezig zijn om tot matiging van de gevorderde vergoeding over te gaan.
De beslagkosten worden afgewezen
4.13.
CMF heeft de beslagstukken in het geding gebracht. De kantonrechter leidt daaruit af dat zij vergoeding wil van de met het beslag gemoeide kosten. Deze vordering wordt afgewezen omdat het beslag is gelegd voor een vordering die niet bestaat, zoals hiervoor is overwogen.
in conventie
4.14.
[gedaagde 1] is in conventie in het ongelijk gesteld in en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van CMF worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
127,08
- griffierecht
1.504,00
- salaris gemachtigde
864,00
(2 punten × € 432,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.639,08
in reconventie
4.15.
CMF is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde 2] worden begroot op:
- verletkosten
50,00
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
194,00

5.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
5.1.
veroordeelt [gedaagde 1] om aan CMF te betalen een bedrag van € 11.550,00, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, met ingang van 4 februari 2026, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde 1] om aan CMF te betalen een bedrag van € 1.732,50 aan buitengerechtelijke incassokosten,
5.3.
veroordeelt [gedaagde 1] in de proceskosten van € 2.639,08, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
5.6.
heft op het gelegde conservatoire beslag op het onroerend goed aan de [adres] in [plaats],
5.7.
veroordeelt CMF in de proceskosten van € 194, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als CMF niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.8.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.M. Visser, rechter, bijgestaan door mr. A. Chu, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026.