ECLI:NL:RBAMS:2026:6907

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
C/13/776820 / HA ZA 25-1567
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling dekking machinebreukverzekering en bewijslevering bedrijfsklare machine

De rechtbank Amsterdam behandelt een geschil tussen [eiser] B.V. en Nationale-Nederlanden over de dekking van een machinebreukverzekering na storingen aan een houtbewerkingsmachine. [eiser] stelt dat de machine vanaf 7 maart 2022 bedrijfsklaar was en dat er een geslaagd proefbedrijf heeft plaatsgevonden, waardoor zij aanspraak maakt op vergoeding van materiële schade, bedrijfsschade en bereddingskosten.

Nationale-Nederlanden betwist de dekking omdat volgens haar geen geslaagd proefbedrijf op het risicoadres heeft plaatsgevonden en de machine nooit bedrijfsklaar was vanwege voortdurende storingen. Ook beroept zij zich op uitsluitingen in de polis, waaronder aansprakelijkheid van de leverancier en het ontbreken van voorafgaande goedkeuring voor bereddingskosten.

De rechtbank oordeelt dat de polisvoorwaarden geen locatievereiste stellen voor het proefbedrijf en dat het in Italië uitgevoerde testtraject als geslaagd proefbedrijf kan worden aangemerkt. De vraag of de machine bedrijfsklaar was en zonder problemen heeft gedraaid tussen 18 en 22 maart 2022 moet door [eiser] worden bewezen. De vordering tot vergoeding van bereddingskosten wordt afgewezen omdat voorafgaande goedkeuring ontbrak.

De rechtbank wijst de zaak toe voor bewijslevering en stelt een vervolgprocedure in waarin getuigen kunnen worden gehoord. Tot die tijd worden verdere beslissingen aangehouden.

Uitkomst: Rechtbank oordeelt dat er sprake is van een geslaagd proefbedrijf, maar bewijs over bedrijfsklare status moet nog worden geleverd; bereddingskosten worden afgewezen wegens ontbreken voorafgaande goedkeuring.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/776820 / HA ZA 25-1567
Vonnis van 24 juni 2026
in de zaak van
[eiser] B.V.,
te [vestigingsplaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. R. Nijdam,
tegen
NATIONALE-NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MIJ N.V.,
te 's-Gravenhage,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Nationale-Nederlanden,
advocaat: mr. T. Riyazi.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 24 september 2025 met producties,
- de conclusie van antwoord met producties,
- het tussenvonnis van 21 januari 2026, waarin een mondelinge behandeling is bepaald,
- het verkorte proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 20 april 2026 en de daarin genoemde stukken, en de zittingsaantekeningen van de griffier.
1.2.
Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser] exploiteert een onderneming die houten raam- en deurkozijnen vervaardigt. Zij kocht op 31 mei 2021 een houtbewerkingsmachine (hierna: de machine) bij [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf]) voor de productie van raam- en deurkozijnen.
2.2.
De machine is in opdracht van [bedrijf] in Italië gefabriceerd door Saomad. [bedrijf] is betrokken geweest bij het fabricageproces van de machine in Italië.
2.3.
Aan het einde van het fabricageproces is de machine bij Saomad in Italië getest. [eiser] was bij het testen van de machine in Italië aanwezig. De testfase is afgesloten met een door Saomad en [eiser] op 25 febrari 2022 ondertekend “final operating test-formulier”.
2.4.
De machine is vervolgens deels gedemonteerd en naar het bedrijfspand van [eiser] in Nederland getransporteerd. Daar is de machine in de weken 10 en 11 van 2022 (maandag 7 tot en met vrijdag 18 maart 2022) door [bedrijf] opgebouwd.
2.5.
[eiser] heeft bij Nationale-Nederlanden een zogenoemde machinebreukverzekering afgesloten.
2.6.
De polisvoorwaarden luiden onder meer, voor zover van belang, als volgt:

Artikel 2 Dekking Pro Materiële schade
(…)
2.1.1
Wat is verzekerd?
Onder deze dekking zijn de machines en andere objecten verzekerd die genoemd worden:
-
Op uw polis (…)
Deze objecten zijn alleen verzekerd als ze – na een geslaagd proefbedrijf – op een risicoadres dat op uw polis staat:
a.
In bedrijf zijn of bedrijfsklaar zijn opgesteld; of (…)
2.1.2
Voor welke schade bent u verzekerd?
Verzekerd is elke plotselinge en onvoorziene materiële beschadiging van een verzekerd object:
(…)
die het gevolg is van een gebeurtenis die u en andere verzekerden niet konden voorzien of verwachten. (…)
Artikel 2.3 Wat is er nog meer gedekt?
(…)
2.3.6
Kosten voor maatregelen om schade te voorkomen of te beperken
Als een verzekerd object een gedekte schade oploopt of dreigt op te lopen, moet u en de andere verzekerden maatregelen (laten) nemen om deze schade te voorkomen of te beperken. We noemen dit ‘beredding’. Deze verzekering dekt de kosten van de beredding. (…)
Artikel 2.4 Wat krijgt u bij een gedekte schade vergoed?
(…)2.4.2Schadevergoeding bij gedeeltelijke schade aan het verzekerde object
(…) a. We vergoeden de herstelkosten die u of een andere verzekerde moet maken om het object of een onderdeel daarvan weer bedrijfsvaardig te maken. Daaronder vallen ook de kosten demontage, montage, transport en eventuele rechten en belastingen. (…)
c.
Van de vergoeding trekken wij het eigen risico af en de eventuele waarde van de restanten.
(…)
Artikel 3.1 Wat houdt deze dekking in?
(…)
3.1.1
Wat is verzekerd? (…)
b.Gedekte bedrijfsschade (…)
a.Gedekte kosten
Ten tweede bent u verzekerd voor de kosten die u en de andere verzekerden maken om de onder a genoemde bedrijfsschade te voorkomen of te beperken. Deze kosten zijn alleen gedekt als wij ze vooraf hebben goedgekeurd. (…)
Artikel 5 Algemene Pro uitsluitingen
(…)
Artikel 5.11 Schade en kosten voor rekening van leverancier, fabrikant of onderhoudscontract
Wij dekken geen:
Schade waarvoor de fabrikant of leverancier van het verzekerde object wettelijk of contractueel aansprakelijk is, bijvoorbeeld schade die onder een garantie valt;
Reparatiekosten die vergoed worden op basis van een onderhoudscontract of enige andere overeenkomst.
2.7.
Door storingen van de machine is het productieproces van [eiser] ernstig ontregeld geraakt waardoor zij schade heeft geleden. [eiser] heeft daarvan op grond van de machinebreukverzekering melding gedaan bij haar verzekeringstussenpersoon. Daarna heeft Crawford & Company (de heer [naam 1]) in opdracht van Nationale Nederlanden onderzoek gedaan naar de aard, omvang en toedracht van de storingen aan de machine.
2.8.
Vervolgens zijn partijen verwikkeld geraakt in een discussie over de vraag of Nationale-Nederlanden op grond van de machinebreukverzekering dekking moet verlenen voor de schade die [eiser] heeft geleden als gevolg van de storingen aan de machine.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert na vermindering van eis - samengevat - dat rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
I. voor recht verklaart dat Nationale-Nederlanden dekking heeft te verlenen aan [eiser] uit hoofde van de tussen partijen gesloten machinebreukverzekering geldend vanaf 7 maart 2022 met polisnummer [nummer],
II. Nationale-Nederlanden veroordeelt om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 76.888,99 (ex. btw), te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente vanaf 22 maart 2022, dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen dag, tot en met de dag der algehele voldoening,
III. Nationale-Nederlanden veroordeelt in de kosten van de procedure,
3.2.
[eiser] legt aan haar vordering – kort gezegd – ten grondslag dat Nationale-Nederlanden op grond van de tussen partijen gesloten verzekering de schade dient te vergoeden die [eiser] heeft geleden als gevolg van de machinebreuk. De machine is vanaf 7 maart 2022 door Nationale-Nederlanden in dekking genomen. Volgens [eiser] heeft er conform de polisvoorwaarden een geslaagd “proefbedrijf” plaatsgevonden nu de machine in Italië bij Saomad is getest en vrijgegeven. Vervolgens is de machine door [bedrijf] op locatie van [eiser] opgesteld en opgeleverd. Daarmee was de machine op vrijdag 18 maart 2022 “bedrijfsklaar” in de zin van artikel 2.1.1. sub a van de polisvoorwaarden. Tussen 18 en 22 maart 2022 is de machine zonder enig probleem operationeel ingezet. Nationale-Nederlanden dient dan ook dekking te verlenen voor een totaalbedrag van € 76.888,99 (ex. btw), bestaande uit:
€ 16.819,28 aan materiële schade,
€ 49.869,71 aan bedrijfsschade, en
€ 10.200,- bereddingskosten.
3.3.
Nationale-Nederlanden voert – samengevat – het volgende aan. Er is geen dekking voor geleden schade, omdat niet is voldaan aan de materiële dekkingsomschrijving onder artikel 2.1 van de polisvoorwaarden. Er heeft geen geslaagd “proefbedrijf” plaatsgevonden, in ieder geval niet op het risicoadres van de verzekerde. Op het risicoadres moet immers worden getest of de machine onder normale bedrijfsomstandigheden goed werkt. Verder is de machine niet “in bedrijf gesteld” of “bedrijfsklaar opgesteld” geweest, omdat de machine na het moment dat deze bij [eiser] werd opgebouwd, ingeregeld en opgestart nooit deugdelijk heeft gefunctioneerd. De machine heeft van meet af aan storingen gehad. Daarnaast is geen sprake van onvoorzienbare schade als omschreven in artikel 2.1.2 van de polisvoorwaarden, omdat storingen (en de gevolgen daarvan) inherent zijn aan de testfase waarin de machine zonder een geslaagd proefbedrijf nog verkeerde. Verder biedt de polis op grond van artikel 5.11 geen dekking, omdat sprake is van schade waarvoor de fabrikant of leverancier van de machine contractueel of wettelijk aansprakelijk is. Nationale-Nederlanden concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Op de eerste plaats is in geschil of Nationale-Nederlanden dekking dient te verlenen aan [eiser]. Daartoe is vereist dat zowel sprake moet zijn van (1) een “geslaagd proefbedrijf” als (2) het “in bedrijf zijn van de machine” of dat de machine “bedrijfsklaar is opgesteld”.
Er heeft een geslaagd proefbedrijf plaatsgevonden
4.2.
Volgens [eiser] heeft er zowel in Italië als in Nederland een geslaagd “proefbedrijf” plaatsgevonden. In Italië zijn de functionaliteiten van de machine na fabricatie uitgebreid en succesvol getest. Dat volgt uit een gedetailleerd testrapport van 25 februari 2022. Dit testrapport is door zowel Saomad als [eiser] ondertekend. Daarnaast heeft [bedrijf], voorafgaand aan de overhandiging van de sleutels van de machine aan [eiser], de machine op locatie in Nederland tussen 7 maart en 18 maart 2022 geïnstalleerd en proefgedraaid, aldus steeds [eiser].
4.3.
Nationale-Nederlanden betwist dat er een geslaagd proefbedrijf heeft plaatsgevonden. Volgens Nationale-Nederlanden moet een geslaagd proefbedrijf op het risicoadres in Nederland hebben plaatsgevonden. Uit de syntactische structuur van de zin volgt dat de locatiebepaling, het risicoadres, dient te worden gelezen als geldend voor zowel “het proefbedrijf” als “het in bedrijf stellen” van de machine. Beide handelingen horen bij dezelfde locatie, namelijk het risicoadres van verzekerde. Ook vanuit het oogpunt van risicobeheersing is deze uitleg logisch, omdat tijdens transport of herinstallatie risico’s kunnen ontstaan die de uitkomst van een eerder proefbedrijf elders ongedaan maken.
Daarnaast kan hetgeen in Italië heeft plaatsgevonden niet als een “proefbedrijf” worden aangemerkt. Een geslaagd proefbedrijf omvat meer dan alleen het testen of de machine überhaupt werkt. Bij een geslaagd proefbedrijf wordt getest of de machine onder normale bedrijfsomstandigheden werkt en daarmee bewezen geschikt is voor het beoogde gebruik. Op verzoek van [eiser] heeft de fabrikant bepaalde functionaliteiten op de machine aangebracht, waarna de fabrikant logischerwijs een demonstratie heeft gegeven. Een dergelijke demonstratie is echter niet als een geslaagd proefbedrijf in de zin van de polis aan te merken. Tot slot omvat het testen van de machine ook volgens de opdrachtbevestiging van [bedrijf] meer dan één keer testen. In die overeenkomst wordt er dus ook vanuit gegaan dat de machine gedurende een bepaalde periode zou worden getest, aldus steeds Nationale-Nederlanden.
4.4.
Vast staat dat het begrip “proefbedrijf” niet in de polisvoorwaarden wordt gedefinieerd. Ook hebben partijen over de bepalingen in de polis die hier van belang zijn niet onderhandeld. Om die reden is de uitleg daarvan met name afhankelijk van objectieve factoren, zoals de bewoordingen van de betreffende bepaling, en niet van de bedoelingen van de partijen die de verzekeringsovereenkomst hebben gesloten.
4.5.
De rechtbank volgt het betoog van [eiser] dat artikel 2.1.1 van de polisvoorwaarden een geslaagd proefbedrijf vereist zonder specifieke voorwaarden voor wat betreft de locatie waar dat proefbedrijf moet plaatsvinden. Uit een taalkundige analyse van de bepaling volgt niet dat een proefbedrijf moet plaatsvinden op het risicoadres dat op de polis staat. Door de plaatsing van de verbindingsstrepen bij de zinsnede “na een geslaagd proefbedrijf” zijn deze woorden grammaticaal losgekoppeld van de locatiebepaling. Het zinsdeel over het “risicoadres” ziet daarmee alleen op de locatie waar de machine “in bedrijf is” of “bedrijfsklaar moet zijn opgesteld”.
4.6.
Ook gaat de rechtbank voorbij aan het standpunt van Nationale-Nederlanden dat de testen die in Italië hebben plaatsgevonden voordat de machine naar Nederland werd getransporteerd sowieso niet als een geslaagd proefbedrijf kunnen worden aangemerkt. De uitleg van Nationale-Nederlanden dat een “proefbedrijf” méér omvat dan die testen, vindt geen steun in de tekst van de polisvoorwaarden. Daarnaast wijst [eiser] er terecht op dat de inhoud van de (koop)overeenkomst tussen [eiser] en [bedrijf] niet bepalend is voor de vraag wat onder “proefbedrijf” moet worden verstaan. Onduidelijkheid over hetgeen aan handelingen of testen verricht moet worden voordat deze als “proefbedrijf” aangemerkt kunnen worden komt vanwege het gebruik van het niet-alledaagse begrijp “proefbedrijf” in de polisvoorwaarden voor risico van Nationale-Nederlanden en behoort niet in het nadeel van [eiser] te werken.
4.7.
Dit betekent dat wordt voldaan aan de in artikel 2.1.1 omschreven voorwaarde dat sprake moet zijn geweest van een geslaagd proefbedrijf van de machine.
In bedrijf geweest of bedrijfsklaar opgesteld?
4.8.
Voor dekking onder de polis is, naast een geslaagd proefbedrijf, ook vereist dat de machine op het risicoadres van de verzekerde in bedrijf is geweest of bedrijfsklaar is opgesteld.
4.9.
Volgens [eiser] is de machine bedrijfsklaar opgesteld en in bedrijf geweest. De machine is door [bedrijf] op 18 maart 2022, na een uitgebreide testperiode, aan haar opgeleverd. Daarna heeft [eiser] tussen 18 maart en 22 maart 2022 productie gedraaid met de machine zonder dat deze enig probleem vertoonde. Pas op dinsdagmiddag 22 maart 2022 zijn de eerste problemen met een kabelbreuk ontstaan die hebben geleid tot een storing in de machine, hetgeen als machinebreuk in de zin van de polis is aan te merken. Ter onderbouwing van haar stellingen verwijst zij naar een e-mail van [bedrijf] en overgelegde verklaringen van de directeur van [eiser], de heer [naam 2] (hierna: [naam 2]), [bedrijf] en een medewerker “operator machine” bij [eiser], de heer [naam 3] (hierna: [naam 3]).
4.10.
Nationale-Nederlanden betwist dat de machine vier dagen zonder problemen heeft gefunctioneerd. Nationale-Nederlanden verwijst naar een document dat door [naam 2] is opgesteld en waarin hij een overzicht van “de storingen” heeft gegeven. Uit dat document blijkt volgens Nationale-Nederlanden dat [naam 2] in de periode van 16 maart 2022 tot en met 21 maart 2022 tien keer telefonisch contact heeft opgenomen met [bedrijf] naar aanleiding van storingen. Ook voert Nationale-Nederlanden aan dat [naam 2] aan [naam 1] van Crawford & Company heeft bevestigd dat de machine al vanaf het begin storingen vertoonde. [naam 1] heeft deze mededeling van [naam 2] opgenomen in zijn rapport van 30 mei 2022. Verder volgt uit het servicerapport van [bedrijf] van 6 april 2022 dat de installatie nog niet was afgerond. Gezien de veelheid en aard van de storingen en het gegeven dat een opleveringsdocument van [bedrijf] aan [eiser] ontbreekt, is het aannemelijk dat de machine nooit bedrijfsklaar is geweest maar vanaf begin af aan storingen had, aldus steeds Nationale-Nederlanden.
4.11.
Op [eiser] rust de bewijslast van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat de machine bedrijfsklaar opgesteld en in bedrijf is geweest. Dat bewijs valt niet (volledig) te putten uit de hiervoor genoemde, door [eiser] overgelegde e-mail en verklaringen van [naam 2], [bedrijf] en [naam 3]. Die zijn daarvoor onvoldoende concreet en gedetailleerd. [eiser] zal overeenkomstig haar bewijsaanbod worden toegelaten tot het bewijs van haar stelling dat de machine tussen vrijdag 18 maart 2022 en dinsdag 22 maart zonder problemen productie heeft gedraaid. Het lijkt voor de hand te liggen dat in ieder geval [naam 2] en [naam 3] als getuigen zullen worden gehoord.
Beroep op artikel 5.11 faalt
4.12.
Indien [eiser] slaagt in het aan haar opgedragen bewijs , dan staat het beroep van Nationale-Nederlanden op artikel 5.11 van de polisvoorwaarden niet in de weg aan toewijzing van de vordering onder 3.1 onder I. Nationale-Nederlanden gaat er ten onrechte aan voorbij dat in artikel 6.5 van haar algemene voorwaarden aansprakelijkheid jegens [eiser] voor indirecte schade heeft uitgesloten. Dat die exoneratie naar de opvatting van Nationale-Nederlanden (ver)nietig(baar) is, doet daar niet aan af. [eiser] stelt terecht dat artikel 5.11 van de polisvoorwaarden het oog heeft op een daadwerkelijk aanwezige contractuele aansprakelijkheid van [bedrijf] als leverancier van de machine en niet op een theoretische aansprakelijkheid die afhankelijk is van een oordeel omtrent de rechtsgeldigheid van een exoneratiebeding.
Conclusie
4.13.
Indien [eiser] slaagt in de hiervoor bedoelde bewijslevering dient Nationale-Nederlanden dekking te verlenen aan [eiser] voor de als gevolg van de machinebreuk geleden schade. De vordering onder 3.1 onder I is in dat geval toewijsbaar. De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen voor akte aan de zijde van [eiser] waarin zij kenbaar kan maken of zij van de geboden gelegenheid tot bewijslevering door het horen van getuigen gebruik wenst te maken.
Schade
4.14.
De rechtbank ziet aanleiding om vooruitlopend op de resultaten van de bewijslevering het volgende te overwegen ten aanzien van de door [eiser] gestelde schade.
Materiële schade: reparatiekosten
4.15.
[eiser] stelt – na vermindering van eis ten aanzien van de BTW – € 16.819,28 aan materiële schade te hebben geleden, omdat [bedrijf] diverse werkzaamheden heeft moeten uitvoeren om de machine te repareren. Deze reparatiekosten vallen als schade onder de dekking als omschreven in artikel 2.4.2 van de polis, aldus [eiser].
4.16.
Nationale-Nederlanden voert aan dat deze reparatiekosten op grond van artikel 5.11 sub b van de polis zijn uitgesloten van de dekking, omdat deze kosten worden vergoed op basis van de tussen [eiser] en [bedrijf] gesloten overeenkomst. Nationale-Nederlanden verwijst in dat kader naar de opdrachtbevestiging van [bedrijf] waarin een garantie van twaalf maanden is opgenomen. Ook voert Nationale-Nederlanden aan dat de factuur van [bedrijf] een totaalbedrag van € 9.325,- bevat aan zaken die niet als reparatiekosten zijn aan te merken, waardoor de factuur van [bedrijf] niet hoger zou mogen zijn dan (€ 16.819,28 - € 9.325,- =) € 7.494,28 exclusief btw.
4.17.
[eiser] is nog niet ingegaan op het verweer van Nationale-Nederlanden zodat (nog) niet uitgegaan kan worden van de juistheid van de stellingen van Nationale-Nederlanden. Afhankelijk van de resultaten van de bewijslevering zal [eiser] in de gelegenheid worden gesteld bij akte op het standpunt van Nationale-Nederland te reageren.
Bedrijfsschade
4.18.
Verder stelt [eiser] dat zij € 49.869,71 aan bedrijfsschade heeft geleden. De omvang van de bedrijfsschade wordt door [eiser] gebaseerd op een vergelijking van de brutowinst die is gerealiseerd gedurende de schadeperiode in 2022 van zes maanden
(€ 172.448,75) en de brutowinst gedurende dezelfde periode van zes maanden in het voorafgaande jaar 2021 (€ 222.318,46).
4.19.
[eiser] kan niet in de methodiek worden gevolgd. Zij gaat voorbij aan hetgeen is bepaald in artikel 3.2 van de polisvoorwaarden over de referentieperiode, het begin en het einde van de uitkeringstermijn, afhankelijk van de keuze die [eiser] heeft te maken over het vaststellen van de bedrijfsschade op grond van vermindering van de productie of op basis van vermindering van de omzet (dat is niet winst) en de duur van de uitkeringstermijn.
4.20.
Omdat ook op dit punt een reactie van [eiser] ontbreekt, zal [eiser], wederom afhankelijk van de resultaten van de bewijslevering in de gelegenheid worden gesteld nadere informatie te verschaffen over de omvang van de bedrijfsschade.
Bereddingskosten
4.21.
[eiser] vordert tot slot – na vermindering van eis ten aanzien van de BTW - een bedrag van € 10.200,- aan bereddingskosten. Na de machinebreuk stond [eiser] voor een acute situatie. Zij heeft de firma Geaux ingeschakeld om productiewerkzaamheden voort te zetten en te voorkomen dat de productie geheel zou stagneren en dat daardoor nog meer schade zou ontstaan. De werkzaamheden van Geaux waren zo nauw verweven met het beperken van de schade en productiestilstand, dat het vragen van voorafgaande toestemming van Nationale-Nederlanden voor het inschakelen van Geaux niet mogelijk en niet redelijk was. Bovendien kennen werkzaamheden die strekken tot beperking van materiële schade, zoals neergelegd in artikel 2.3.6 van de polisvoorwaarden, geen goedkeuringsvereiste, aldus [eiser].
4.22.
Nationale-Nederlanden voert aan dat bereddingskosten op grond van artikel 3.1.1 sub b van de polisvoorwaarden alleen zijn gedekt wanneer zij door Nationale-Nederlanden zijn goedgekeurd. Aan Nationale-Nederlanden is geen goedkeuring gevraagd voor het inzetten van hulp door Geaux. Om die reden is Nationale-Nederlanden niet gehouden de kosten voor beredding te vergoeden.
4.23.
De rechtbank volgt het standpunt van Nationale-Nederlanden dat de bereddingskosten niet voor vergoeding in aanmerking komen. De stelling van [eiser] dat zij op grond van artikel 2.3.6 geen goedkeuring nodig had gaat niet op. Artikel 2.3.6 ziet op kosten om gedekte schade aan een verzekerd object te voorkomen of te beperken. Van dergelijke kosten is hier geen sprake. Wel is sprake van kosten die werden gemaakt om bedrijfsschade te voorkomen of te beperken. Daarop ziet artikel 3.1.1. sub b. Die kosten zijn alleen gedekt als vooraf goedkeuring door Nationale-Nederland is gegeven. Niet valt in te zien waarom [eiser] in de gegeven omstandigheden geen contact zou hebben kunnen opnemen met Nationale-Nederlanden om goedkeuring te vragen voor het inschakelen van Geaux.
4.24.
De conclusie is dat de vordering tot vergoeding van bereddingskosten zal worden afgewezen.
4.25.
In afwachting van de bewijslevering wordt iedere verdere beslissing aangehouden.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
draagt [eiser] op te bewijzen dat de machine tussen vrijdag 18 maart 2022 en dinsdag 22 maart 2022 zonder problemen productie heeft gedraaid,
5.2.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
woensdag 8 juli 2026voor uitlating door [eiser] of zij bewijs wil leveren door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,
5.3.
bepaalt dat, als [eiser] geen bewijs door het horen van getuigen wil leveren maar wel
bewijsstukkenwil overleggen, zij die stukken dan direct in het geding moet brengen,
5.4.
bepaalt dat, als [eiser]
getuigenwil laten horen, zij de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden
augustus 2026 tot en met november 2026dan direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,
5.5.
bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de zitting van mr. R.H.C. van Harmelen, in het gerechtsgebouw te Amsterdam, Parnassusweg 280,
5.6.
bepaalt dat
alle partijenuiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor
alle beschikbare bewijsstukkenaan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,
5.7.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. van Harmelen, bijgestaan door mr. L.M.F. van Dijck, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.