ECLI:NL:RBAMS:2026:692

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
AMS 26/350
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening verlenging urgentieverklaring woning

Verzoekster heeft een urgentieverklaring gekregen die op 26 december 2025 afliep. De gemeente Amsterdam verlengde deze verklaring met drie maanden tot 26 maart 2026. Verzoekster stelde bezwaar in en verzocht de voorzieningenrechter om schorsing van het verlengingsbesluit en aanpassing van de voorwaarden.

De voorzieningenrechter oordeelt dat er geen sprake is van onverwijlde spoed die een voorlopige voorziening rechtvaardigt. Hoewel verzoekster en haar gezin al meer dan 2,5 jaar in hotels verblijven en de situatie belastend is, kan het verblijf in het hotel volgens de gemachtigde worden volgehouden gedurende de bezwaarprocedure.

Daarnaast is onvoldoende duidelijk gemaakt wat het procesbelang is bij het verzoek om voorlopige voorziening, mede omdat de voorwaarden van de urgentieverklaring niet zijn toegelicht. Het verzoek wordt daarom zonder zitting afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de verlenging van de urgentieverklaring wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 26/350

uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 januari 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. K.J.T.M. Hehenkamp),
en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de verlenging van haar urgentieverklaring. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Verzoekster heeft op 26 juni 2025 een urgentieverklaring gekregen van de gemeente Amsterdam. Haar urgentieverklaring liep 26 december 2025 af. Met het primaire besluit van 19 december 2025 heeft verweerder verzoeksters urgentieverklaring met drie maanden verlengd tot 26 maart 2026. Verzoekster heeft op 22 januari 2026 bezwaar ingesteld tegen het besluit van 19 december 2025 en daarbij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat het besluit van
19 december 2025 wordt geschorst en verweerder op te dragen haar alsnog een medische urgentieverklaring te verlenen en daarbij de voorwaarden zodanig te wijzigen dat verzoekster in aanmerking komt voor een bij de gezinsgrootte passende woning.
1.2.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist.
3. In het verzoekschrift heeft verzoekster aangegeven dat zij momenteel in een hotel in Amstelveen verblijft samen met haar vier kinderen waarvan er twee minderjarig zijn. In het hotel beschikt verzoekster over slechts twee slaapkamers en moet zij een beperkte ruimte delen met haar vier kinderen (de volwassen kinderen zijn 19 en 22 jaar oud). Inmiddels verblijft verzoekster met haar gezin meer dan 2,5 jaar in hotels. Verzoekster is in een noodsituatie komen te verkeren. Het brengen naar en halen van school in Amsterdam Noord is inmiddels dermate belastend voor verzoekster en ontwrichtend voor haar minderjarige kinderen dat thans (teneinde erger te voorkomen) dient te worden ingegrepen. Verzoekster leidt een zwervend bestaan met haar kinderen.
4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat wat verzoekster in het verzoekschrift heeft aangevoerd geen blijk geeft van een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter heeft begrip voor de situatie waarin verzoekster zich bevindt en begrijpt dat zij graag met haar gezin een vaste verblijfplaats wil, maar het is de voorzieningenrechter met deze onderbouwing niet gebleken dat de beslissing op het bezwaar niet zonder het treffen van een voorziening kan worden afgewacht. Daarbij is van belang dat de gemachtigde van verzoekster desgevraagd heeft aangegeven dat het gezin in het hotel kan verblijven. Verzoekster heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij het huidige verblijf in een hotel in Amstelveen, met alle nadelen van dien, niet gedurende de bezwaarprocedure kan volhouden. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dan ook af omdat het spoedeisend belang niet aannemelijk is gemaakt.
5. Los daarvan vraagt de voorzieningenrechter zich af of verzoekster wel een procesbelang heeft. Verzoekster heeft een urgentieverklaring verleend gekregen. Zij kan daarmee zelf met voorrang zoeken naar een geschikte woning. Verzoekster heeft de oorspronkelijk verleende urgentieverklaring van 26 juni 2026 niet meegestuurd met haar verzoek om een voorlopige voorziening. Desgevraagd heeft de gemachtigde zelf aangegeven dat uit het besluit van 26 juni 2025 niet valt op te maken onder welke voorwaarden de urgentieverklaring is verstrekt. Ook het verlengingsbesluit noemt de voorwaarden niet. Verzoekster heeft niet nader onderbouwd wat haar belang is bij haar verzoek om een voorlopige voorziening. Ook heeft zij niet nader toegelicht met welke voorwaarden in het bestreden besluit zij het niet eens is. Indien verzoekster doelt op de passendheidscriteria uit de Huisvestingsverordening Amsterdam 2024 [1] op grond waarvan alleen minderjarige kinderen meetellen bij het bepalen welke woning passend is, is onduidelijk waarom het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening haar daarbij kan helpen.

Conclusie en gevolgen

6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.D. Arnold, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C. Simonis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie de toelichting op artikel 2.8.1. onder het kopje ‘woning voor grote gezinnen’.