ECLI:NL:RBAMS:2026:6925

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
C/13/782719 / FA RK 26-829
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • K. Duker
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253n BWArt. 1:251a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging gezamenlijk gezag en toekenning eenhoofdig gezag aan moeder wegens ernstig verstoorde communicatie en belangen minderjarige

Partijen hadden gezamenlijk gezag over hun minderjarige kind, maar de relatie is beëindigd en de communicatie tussen ouders is ernstig verstoord. De vader heeft gedurende langere periodes geen contact gehad met het kind en hield zich niet aan het ouderschapsplan, wat het welzijn van het kwetsbare kind schaadt.

De moeder verzocht om beëindiging van het gezamenlijk gezag en toekenning van het gezag aan haar alleen, met ontzegging van omgang aan de vader. De rechtbank stelde vast dat het kind licht verstandelijk beperkt is, emotionele problematiek heeft en speciaal onderwijs volgt. De vader werkte niet mee aan noodzakelijke hulpverlening en schoolzaken.

De rechtbank oordeelde dat het gezamenlijk gezag niet in stand kan blijven omdat het kind klem raakt tussen de ouders en dat het belang van het kind vereist dat de moeder het gezag alleen krijgt. De omgang met de vader wordt ontzegd wegens de te belastende situatie voor het kind. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden worden aangevochten.

Uitkomst: Het gezamenlijk gezag wordt beëindigd en het eenhoofdig gezag wordt aan de moeder toegekend met ontzegging van omgang aan de vader.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummer / rekestnummer: C/13/782719 / FA RK 26-829 (KD/WvL)
Beschikking van 16 april 2026 betreffende wijziging van het gezag
in de zaak van:
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. A. Krim te Haarlem,
tegen
[de man] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen de man,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw van 2 februari 2026.
1.2.
De mondelinge behandeling achter gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 2 april 2026.
Verschenen zijn: de vrouw bijgestaan door haar advocaat.
Op 25 maart 2026 is de minderjarige apart gehoord.
1.3.
De man is op 17 februari 2026 opgeroepen op het adres waar hij volgens de Brp staat ingeschreven. Hij is derhalve behoorlijk opgeroepen. Van de man is geen bericht ontvangen.

2.De feiten

Partijen hebben een relatie met elkaar gehad, welke relatie is beëindigd.
Uit deze relatie is geboren:
[minderjarige],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2015.
Deze minderjarige is erkend door de man. Partijen oefenen gezamenlijk het gezag uit. Partijen hebben afspraken over de omgang vastgelegd in een ouderschapsplan bij het proces-verbaal in kort geding van 18 juni 2021.

3.Het verzoek

3.1.
Het verzoek strekt tot beëindiging van het gezamenlijk gezag ex artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek en tot het bepalen dat het gezag over de minderjarige voortaan aan de vrouw toekomt. Voorts heeft de vrouw verzocht dat er geen verdeling van de zorg- en opvoedingsaken meer zal plaatsvinden ten behoeve van de man.
3.2.
Aan het ouderschapsplan, is weliswaar stroef, tot november 2022 uitvoering gegeven. De man is erg boos geworden. Zowel de vrouw als de minderjarige hebben de man verzocht de omgang weer op gang te brengen, maar hij heeft daar nooit positief op gereageerd. Op gegeven moment is het verdriet van de minderjarige omgeslagen in boosheid en wilde zij geen omgang meer. Zij voelde zich afgewezen. Van 27 februari 2025 tot 12 augustus 2025 heeft de man geen contact meer gehad met [minderjarige] , nadat zij op 19 februari 2025 voor het eerst ging menstrueren. Hij gaf aan dat hij haar niet kon ophalen omdat zij ongesteld was geworden en het niet passend is binnen de Surinaamse cultuur om menstruerende meisjes en vrouwen in de buurt van mannen te laten komen. De man heeft de minderjarige aan haar lot overgelaten. Zij is een kwetsbaar kind. Zij is licht verstandelijk beperkt en bezoekt speciaal onderwijs. Partijen kunnen niet communiceren.
De minderjarige is in 2020 aangemeld bij de Opvoedpoli. Uit het verslag van de Opvoedpoli blijkt dat zij kampt met ernstige emotionele problematiek. In 2023 was het weer nodig de minderjarige aan te melden bij de Opvoedpoli, maar de man heeft daarvoor geen toestemming gegeven. De minderjarige heeft wel de SOVA-training gevolgd met goed gevolg. In oktober 2023 heeft zij hulp gekregen van POH-GGZ jeugd. De vrouw is nu ook klaar met de situatie. De gedragingen van de man schaden de minderjarige. Hij houdt zich niet aan het ouderschapsplan. De vrouw heeft al 10 jaar het leeuwendeel van de verzorging op zich genomen. Zij heeft alle contacten onderhouden met de school, de huisarts, de Opvoedpoli en de andere hulpverleners. De minderjarige wil inmiddels geen contact meer met de man. Hij laat met zijn gedrag zien dat hij haar niet op nummer één zet.
3.3.
Bij de mondelinge behandeling heeft mr. Krim verklaard dat de man op de hoogte is van de zitting en dat hij heeft gezegd dat hij geen advocaat in de arm wilde nemen, dat hij het verzoek had gezien en begrepen en dat hij “er klaar mee was”. Hij had gevraagd waar hij kon tekenen zodat hij er vanaf was. De vrouw heeft ook een appje van de man ontvangen waarin hij haar laat weten “ik geef het gezag terug aan jou”. Hij behandelt de minderjarige niet met respect en zij voelt zich daardoor afgewezen. Zij zit nu op een vrije school, voelt zich daar goed en de vrouw heeft goed contact met de school. De zorgregeling is te belastend voor het kind. De communicatie is heel slecht en vaak bestaat die uit vervelende gesprekken en scheldt de man de vrouw uit. De man is vaak maanden uit contact en als er weer contact is, moet alles gaan zoals hij het wil. De vrouw heeft al twee keer een vakantie in het buitenland gemist omdat de man geen toestemming verleende. Hij is ook niet betrokken bij [minderjarige] en ziet haar behoeftes niet. De moeder heeft verklaard dat de man uiteindelijk wel heeft meegewerkt dat [minderjarige] naar de Opvoedpoli kon, maar dat kostte haar wel drie maanden. Ook bij de wisseling van de school was hij niet betrokken. De school probeert hem wel te bellen, maar vaak lukt dat niet. Dat de man de menstruatie van [minderjarige] als vies beschouwt, heeft veel indruk op haar gemaakt. De vrouw heeft ook een appje van de man ontvangen waarin hij haar laat weten “ik geef het gezag terug aan jou”.

4.De beoordeling

4.1.
Op grond van artikel 1:253n in samenhang met artikel 1:251a eerste lid van het Burgerlijk Wetboek kan de rechter bepalen dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt, indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
4.2.
De rechtbank stelt vast dat sprake is van een wijziging van omstandigheden, nu de relatie van partijen is beëindigd, zij uitermate moeizaam communiceren en de man gedurende langere periodes geen contact met [minderjarige] wenst, zodat de vrouw ontvankelijk is in haar verzoek om haar voortaan met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] te belasten.
4.3.
De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt van de huidige wetgeving is dat de ouders na uiteengaan in beginsel gezamenlijk belast zullen blijven met het ouderlijk gezag. In het algemeen wordt er dan ook van uitgegaan dat het in het belang van minderjarigen is dat ook de niet verzorgende ouder met het gezag belast is. Voor gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in feite in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over de minderjarigen in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond de minderjarigen kunnen voordoen, zodanig dat de minderjarigen niet klem of verloren zullen raken tussen de ouders. Het ontbreken van goede communicatie brengt niet zonder meer met zich mee dat het gezag in het belang van de minderjarigen niet aan beide ouders toegekend moet blijven. Als de communicatie tussen ouders zodanig ernstig verstoord is dat de minderjarigen bij gezamenlijk gezag van de ouders klem of verloren raken tussen de ouders, en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering komt, beëindigt de rechtbank het gezamenlijk gezag.
4.4.
De rechtbank concludeert dat, gelet op de naar voren gebrachte omstandigheden, die door de man niet zijn weersproken, de communicatie tussen partijen zodanig ernstig is verstoord dat [minderjarige] klem raakt tussen partijen. [minderjarige] is een kwetsbaar kind, zij is licht verstandelijk beperkt en bezoekt speciaal onderwijs. Zij kampt met emotionele problematiek en moest bij de Opvoedpoli worden aangemeld. De man werkte niet mee aan de inschrijving op school en pas na maanden werkte hij mee aan de aanmelding bij de Opvoedpoli. Ook heeft de vrouw vakanties moeten missen doordat hij geen medewerking verleende. Onder deze omstandigheden en mede gelet op hetgeen tot nu toe is voorgevallen, kan het gezamenlijk gezag niet in stand blijven.
4.5.
Het verzoek van de vrouw om het gezamenlijk gezag te beëindigen en haar voortaan alleen met het gezag over [minderjarige] te belasten wordt dan ook toegewezen. Ook de omgang wordt de man ontzegd, omdat deze te belastend is voor haar. Mocht dat op een toekomstig moment anders zijn, dan kan uiteraard een omgangsverzoek door de man worden ingediend. De beslissing zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, zodat de beslissing ook al gedurende de hoger beroepstermijn (dus met ingang van heden) van kracht is.

5.De beslissing

De rechtbank:
- beëindigt het gezamenlijk ouderlijk gezag van de man en de vrouw en belast de vrouw voortaan met de uitoefening van het gezag over het minderjarige kind van partijen:
[minderjarige],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2015,
voor zover de bevoegdheid daartoe niet door een eerdere rechterlijke beslissing is uitgesloten;
- wijzigt de bij het ouderschapsplan bepaalde omgang van de man met [minderjarige] in die zin dat deze hem wordt ontzegd;
- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door de rechter mr. K. Duker, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. W.C. van Lavieren, griffier, op 16 april 2026. [1]

Voetnoten

1.Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).