Uitspraak
1.De procedure
2.De feiten
Betalingen
Rechtbank Amsterdam
In maart 2022 is een huurovereenkomst gesloten voor een bedrijfsruimte tussen de verhuurders en de huurder. Vanaf oktober 2025 ontstond een betalingsachterstand die opliep tot € 25.268,78 per 29 juni 2026. Ondanks herinneringen en sommaties bleef de huurder in gebreke.
De verhuurder vordert betaling van de achterstallige huur, contractuele boete, incassokosten en ontruiming van het gehuurde. De huurder is niet verschenen, waardoor verstek is verleend. De kantonrechter stelt vast dat de verhuurder op grond van eigendomsregistratie en notariële akte als verhuurder moet worden aangemerkt.
De kantonrechter oordeelt dat de betalingsachterstand ernstig genoeg is om ontbinding van de huurovereenkomst in een bodemprocedure aannemelijk te maken. De vordering tot betaling van de achterstand, contractuele boete en incassokosten wordt toegewezen. De vordering tot wettelijke handelsrente wordt afgewezen omdat deze niet naast de contractuele boete kan worden gevorderd.
De kantonrechter veroordeelt de huurder tot ontruiming van de bedrijfsruimte binnen veertien dagen en tot betaling van de gevorderde bedragen en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De huurder wordt veroordeeld tot betaling van achterstallige huur, boete, incassokosten en ontruiming van de bedrijfsruimte.