ECLI:NL:RBAMS:2026:6988

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
13/153804-24
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 141 SrArt. 36f SrArt. 6:97 BWArt. 6:106 BWArt. 238 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag van rechtsvervolging voor bespuiten museum, voorwaardelijke boete voor bespuiten personen

Op 4 november 2023 heeft een 28-jarige vrouw tijdens de Museumnacht in Amsterdam met een waterpistool rode vloeistof op het Van Gogh Museum en aanwezige personen gespoten. Dit gebeurde tijdens een demonstratie waarbij meerdere personen betrokken waren. De rechtbank acht bewezen dat verdachte openlijk geweld heeft gepleegd tegen personen en goederen door het bespuiten van het museumgebouw en aanwezigen.

De rechtbank oordeelt dat het bespuiten van het museumgebouw met een waterverfachtige substantie, die volledig kon worden verwijderd en geen gevaarlijke stof was, niet als laakbaar gedrag kwalificeert en binnen de grenzen van het demonstratierecht valt. Daarom wordt verdachte voor dit deel ontslagen van alle rechtsvervolging. Het bespuiten van personen met de vloeistof wordt wel als openlijk geweld beschouwd, omdat het de openbare orde verstoorde en inbreuk maakte op de lichamelijke integriteit en eigendomsrechten van de betrokkenen.

Verdachte wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van €500 met een proeftijd van één jaar. Daarnaast worden diverse schadevergoedingen aan benadeelde partijen toegekend voor materiële en immateriële schade, met wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregelen. Sommige vorderingen worden afgewezen wegens onvoldoende causaal verband of onderbouwing. De rechtbank legt hoofdelijkheid op voor de schadevergoedingen en bepaalt dat verdachte en mededaders hoofdelijk aansprakelijk zijn.

Uitkomst: Verdachte wordt ontslagen van rechtsvervolging voor het bespuiten van het museum en veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van €500 voor het bespuiten van personen; diverse schadevergoedingen worden toegewezen.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/153804-24
Datum uitspraak: 9 juli 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1997 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] , [woonplaats] .

1.Tenlastelegging

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 juni 2026 en 9 juli 2026. Op laatstgenoemde zitting is het onderzoek ter terechtzitting gesloten en heeft de rechtbank aansluitend uitspraak gedaan.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. B. van Duijn, en van wat verdachte en haar raadsman, mr. W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen mr. P.K. de Blieck-Willemsen namens de benadeelde partij [benadeelde partij 1] naar voren heeft gebracht. Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen M.D.M. van der Voort namens de benadeelde partij [benadeelde partij 2] naar voren heeft gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat zij zich op 4 november 2023 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen personen en/of tegen het gebouw van het Van Gogh Museum.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3.Waardering van het bewijs

3.1
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit bewezenverklaard kan worden. Hij baseert zich daarbij op de verklaring van verdachte dat zij verf op het museumgebouw heeft gespoten, en de verklaringen van de getuigen [benadeelde partij 1] , [naam getuige 1] en [naam getuige 2] . Die getuigen hebben verklaard dat de aangehouden vrouw (te weten verdachte) op mensen en op het gebouw heeft gespoten.
3.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat niet bewezen kan worden dat verdachte de ten laste gelegde openlijke geweldpleging heeft gepleegd. Hij heeft daartoe aangevoerd dat, hoewel verdachte heeft verklaard dat zij met een waterpistool verf op het Van Gogh Museum heeft gespoten, deze handeling niet gekwalificeerd kan worden als ‘geweld’. Verder kan uit het handelen van verdachte niet worden afgeleid dat haar opzet was gericht op het spuiten tegen personen. De raadsman heeft daarom bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit.
3.3
Oordeel van de rechtbank
De feiten en omstandigheden
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit. [1]
Aangever [aangever] heeft namens het Van Gogh Museum, gevestigd op Museumplein 6 te Amsterdam, aangifte gedaan van vernieling. Aangever heeft verklaard dat hij op 4 november 2023 omstreeks 22.00 uur door de achterwacht van de beveiliging van het museum werd gebeld. De beveiliging deelde aan hem mee dat een groep mensen de hoofdingang had besmeurd met een rode substantie. Daarnaast zouden bezoekers en medewerkers van het museum zijn geraakt door de substantie. Als gevolg hiervan is schade aan zowel het gebouw als aan persoonlijke dan wel bedrijfskleding ontstaan. [2]
Op 4 november 2023 was getuige [naam getuige 1] werkzaam als beveiliger bij het Van Gogh Museum. Hij heeft verklaard dat op die dag de jaarlijkse Museumnacht in Amsterdam plaatsvond. In de avond hoorde hij op enig moment geschreeuw. Hij zag toen een aantal personen met waterpistolen, die een onbekende substantie op onder andere het Van Gogh Museum spoten. [3] [naam getuige 1] zag dat een vrouw, die later werd aangehouden, met een waterpistool op het Van Gogh Museum en ook richting de ingang waar bezoekers in de rij stonden, spoot. De bezoekers kwamen hierbij met de substantie in contact. [4]
Ook getuige [naam getuige 3] was beveiliger tijdens deze Museumnacht. Op een bepaald moment in de avond hoorde [naam getuige 3] een groep mensen de volgende leus schreeuwen:
“free free Palestina”. Hij zag toen dat mensen uit de groep waterpistolen uit een tas pakten en richting de mensen spoten. Hij zag dat deze mensen onder het rode chemische spul zaten. Zijn werkoutfit zat onder de rode verf. Ook zijn de ramen van het museum met de substantie beklad. [5] [naam getuige 3] is vervolgens overgegaan tot aanhouding van een vrouw die met een waterpistool op personen had gespoten. [6] De vrouw bleek verdachte te zijn. [7]
Tijdens deze Museumnacht bezocht getuige [naam getuige 4] het Van Gogh Museum. Zij heeft verklaard dat ze, toen ze het museum verliet, door een vrouw met een waterpistool werd bespoten met donkerrode verf. Hierna zag ze dat dezelfde vrouw werd aangehouden. [8]
Uiteindelijk hebben meerdere personen aangifte gedaan omdat zij met vloeistof werden bespoten (te weten [benadeelde partij 2] [9] , [benadeelde partij 1] [10] , [benadeelde partij 3] [11] , [benadeelde partij 4] [12] , [benadeelde partij 5] [13] en [naam getuige 2] mede namens [naam getuige 4] [14] ).
Bij de politie en ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat ze naar het Van Gogh Museum is gegaan en met een waterpistool verf op het museum heeft gespoten terwijl ze
“free Palestina”riep. [15] Ze heeft verklaard dat het een artistiek statement was en dat de gebruikte verf symbool stond voor het bloed van de kinderen in Gaza. Ter terechtzitting heeft ze toegelicht dat de substantie bestond uit een samenstelling van waterverf, cacao en melk. Ze had de verf vooraf op haar huid, kleding en schoenen getest, en stelde toen vast dat ze de verf kon verwijderen en dat haar huid er niet geïrriteerd door raakte. [16]
De politie heeft de samenstelling van de rode vloeistof niet onderzocht. Daarom gaat de rechtbank uit van de verklaring van verdachte dat de vloeistof uit waterverf, cacao en melk bestond.
Beoordelingskader openlijke geweldpleging
Openlijke geweldpleging strekt ter bescherming van de openbare orde. Om te kunnen spreken van ‘geweld’ moeten de handelingen van zodanige aard en omvang zijn dat hierdoor de openbare orde wordt verstoord of in gevaar wordt gebracht.
Van het ‘in vereniging’ plegen van openlijk geweld is sprake als de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, waarbij deze bijdrage zelf niet gewelddadig hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt, is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die ‘in vereniging’ geweld pleegt. Er moet worden beoordeeld of de door de verdachte geleverde bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is. Verdachte moet daarnaast ook opzet hebben gehad op het in vereniging gepleegde geweld.
Ten aanzien van het bewijs
Op basis van het voorgaande overweegt de rechtbank als volgt. Verdachte heeft bekend dat ze met een waterpistool met een rode vloeistof op het Van Gogh Museum heeft gespoten. De verklaring van [naam getuige 1] sluit aan op wat verdachte daarover heeft verklaard. De rechtbank acht daarom bewezen dat verdachte op het Van Gogh Museum heeft gespoten. Daarnaast acht de rechtbank bewezen dat verdachte ook op aldaar aanwezige personen met een waterpistool heeft gespoten. Getuige [naam getuige 3] heeft namelijk verklaard dat hij de vrouw die hij had aangehouden, te weten verdachte, gericht heeft zien spuiten op personen. Deze verklaring wordt ondersteund door de verklaring van [naam getuige 4] .
Uit verschillende verklaringen in het dossier blijkt dat er sprake was van een groep demonstranten, van wie meerdere met een rode vloeistof hebben gespoten. Doordat verdachte deel uitmaakte van die groep demonstranten en zelf ook vloeistof heeft gespoten op het museumgebouw en op personen, heeft zij naar het oordeel van de rechtbank een significante bijdrage geleverd aan het bespuiten van het museumgebouw en personen, en was haar opzet hier ook op gericht. Daarbij is voor de rechtbank ook van belang dat verdachte heeft verklaard dat ze de rode vloeistof op voorhand heeft getest op haar huid en kleding. Uit dit testen volgt dat verdachte de mogelijkheid, dat de vloeistof op personen terecht zou komen, heeft ingecalculeerd.
Geweld?
Bij openlijke geweldpleging is de openbare orde het beschermde rechtsgoed. Dat betekent dat om van ‘geweld’ te kunnen spreken, de handelingen van zodanige aard en omvang moeten zijn dat hierdoor de openbare orde wordt verstoord of in gevaar wordt gebracht. Aan de intensiteit van het geweld worden bij het delict van artikel 141, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) geen hoge eisen gesteld. Doorslaggevend voor het antwoord op de vraag of er sprake is van ‘geweld’ in de zin van artikel 141, eerste lid, Sr is dus niet de intensiteit van de fysieke handelingen, maar vooral de mate waarin die handelingen, naar de naar de vorm en binnen de context waarin zij worden verricht, geëigend zijn om de openbare orde te verstoren.
Bij de beoordeling van de vraag of het handelen van verdachte kan worden gekwalificeerd als geweld, is het volgende van belang.
Het voorval heeft zich afgespeeld tijdens Museumnacht, een bekend evenement dat ’s nachts veel mensen op de been brengt. Meerdere personen hebben gespoten met een rode vloeistof waardoor personen en het museum werden geraakt. De demonstranten hebben bewust gekozen voor deze kleur en uit de verklaringen van aanwezige bezoekers volgt dat daadwerkelijk de associatie met bloed is opgeroepen. Ook ontstond er paniek, doordat sprake was van een chaotische situatie waarbij er leuzen werden geschreeuwd, door meerdere personen werd gespoten en er meerdere personen begonnen te rennen. De rechtbank is van oordeel dat het handelen van verdachte bedoeld was en ook geëigend bleek om de openbare orde te verstoren, en dat dit dus als geweld kan worden gekwalificeerd.
Conclusie
De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen personen en goederen.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 3.3 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
op 4 november 2023 te Amsterdam, openlijk op het Museumplein nabij het Van Gogh Museum, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen
- meerdere personen, te weten
 [benadeelde partij 5] ,
 [naam getuige 4] ,
 [naam getuige 2] ,
 [benadeelde partij 2] ,
 [benadeelde partij 3] ,
 [benadeelde partij 4] en
 [benadeelde partij 1] ,
door voornoemden onder te spuiten met een rode vloeistof en
- een goed, te weten het museumgebouw van het Van Gogh Museum
door voornoemd pand met een rode vloeistof onder te spuiten.

5.De strafbaarheid van het feit

5.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit is gepleegd in het kader van een demonstratie, maar dat deze demonstratie niet als vreedzaam kan worden aangemerkt. Gezien de ordeverstoring was er een dringende noodzaak om op te treden en dit optreden was ook proportioneel. Verdachte komt daarom geen beroep toe op de bescherming van de artikelen 10 en 11 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Volgens de officier van justitie is het gepleegde feit dan ook strafbaar.
5.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat – als de rechtbank tot een bewezenverklaring komt – verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat in strijd met de artikelen 10 en 11 EVRM is gehandeld. De raadsman meent dat strafrechtelijk ingrijpen bij de demonstratie niet noodzakelijk was in een democratische samenleving, zodat de relevante strafbepaling van openlijke geweldpleging buiten toepassing moet worden gelaten.
5.3
Het oordeel van de rechtbank
Het demonstratierecht
De rechtbank gaat uit van de in rubriek 3.3 vervatte feiten en omstandigheden.
Uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) blijkt dat de demonstratievrijheid een essentieel recht vormt binnen een democratische samenleving, waarin ruimte moet bestaan voor ontwikkeling en verandering van maatschappelijke opvattingen.
Onder artikel 11 EVRM Pro wordt de vreedzame betoging
(het demonstratierecht)beschermd. Dit recht staat in nauw verband met het recht op vrijheid van meningsuiting, zoals vastgelegd in artikel 10 EVRM Pro, en moet ook mede in dat licht worden bezien. Het recht om te demonstreren is een fundamenteel recht binnen een democratische samenleving en moet door de overheid worden gewaarborgd. Er moet voldoende ruimte bestaan om standpunten over maatschappelijke thema’s en actuele problemen, binnen bepaalde grenzen, vrijuit te kunnen uiten – ook als dat op gebeurt op een manier die door anderen als storend wordt ervaren. Uitgangspunt in de rechtspraak van het EHRM is dat elke demonstratie een zekere mate van
‘disruption to ordinary life’met zich kan brengen. Het demonstratierecht is echter niet absoluut: het moet worden afgewogen tegen andere rechten en belangen. Dat betekent dat een beperking van het demonstratierecht enkel is toegestaan als tijdens de demonstratie door de betreffende persoon
laakbaar gedrag(een
‘reprehensible act’) werd vertoond waartegen strafrechtelijk optreden geboden was.
Om vast te stellen of een dergelijke beperking is toegestaan, is een aantal factoren van belang. De beperking moet bij wet zijn voorzien, een gerechtvaardigd doel nastreven en noodzakelijk zijn in een democratische samenleving in het belang van – onder meer – de openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, en de bescherming van de rechten van anderen. De rechtbank zal aan de hand van deze vereisten beoordelen of sprake is geweest van een gerechtvaardigde beperking van het demonstratierecht.
De beperking is in dit geval bij wet voorzien, namelijk in artikel 141 Sr Pro. De beperking strekt niet alleen ter bescherming van de openbare orde, maar ook ter bescherming van het recht op eigendom en het recht op lichamelijke integriteit. De rechtbank heeft in rubriek 3.3 geconcludeerd dat sprake was van geweld en dat dit geweld ook van dien aard was, dat de openbare orde erdoor werd verstoord. Daarnaast is tijdens de demonstratie verf gespoten op personen en het museumgebouw, waardoor hun lichamelijke integriteit en het eigendomsrecht van het museum is aangetast. Ten slotte is bij het beantwoorden van de vraag of de beperking noodzakelijk is in een democratische samenleving, de proportionaliteitstoets van belang. Dat houdt in dat de beperking niet onevenredig mag zijn ten opzichte van het gerechtvaardigd belang. Bij de beantwoording van die vraag zal de rechtbank de verrichte handelingen tegen de personen en het museumgebouw apart bespreken.
Allereerst zal de rechtbank de handelingen tegen de personen bespreken. Door aanwezigen tijdens de Museumnacht te bespuiten met de vloeistof, heeft verdachte een inbreuk gemaakt op hun lichamelijke integriteit. Uit de verklaringen van deze personen volgt dat kleding en schoenen besmeurd zijn geraakt met de vloeistof, en dat dit niet in alle gevallen (volledig) kon worden verwijderd. Zij heeft daardoor ook inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht. Verdachte had ook zonder zich fysiek te richten op de bezoekers haar door de artikelen 10 en 11 EVRM gewaarborgde rechten kunnen uitoefenen en zich tijdens de Museumnacht kunnen uitspreken over het gebrek aan aandacht van musea voor de gebeurtenissen in Gaza. Het door verdachte gepleegde openlijk geweld heeft een inbreuk op de eigendomsrechten van anderen en (daarmee) opzettelijk een meer ingrijpende ordeverstoring opgeleverd dan het geval zou zijn geweest bij een normale vreedzame uitoefening van de hier bedoelde rechten, ook als die uitoefening gepaard zou zijn gegaan met een zekere mate van ‘
disruption of ordinary life’. De rechtbank verwerpt het verweer.
Wat betreft het spuiten van verf op het Van Gogh Museum overweegt de rechtbank als volgt. Gedurende de demonstratie heeft verdachte met een waterpistool een vloeistof gespoten op (de ruiten van) het museumgebouw. Hierdoor heeft het museum schade gelopen en moesten de entree en het natuursteen van het gebouw worden gereinigd. Hoewel de vloeistof niet direct eenvoudig te verwijderen was, kon het gebouw uiteindelijk wel volledig worden gereinigd en in de oude staat worden teruggebracht, voor relatief geringe schoonmaakkosten. Daarnaast is niet gebleken dat het om een gevaarlijke of ernstig verontreinigende vloeistof zou gaan. Gelet op de geringe schoonmaakkosten en de gebruikte vloeistof, is de rechtbank van oordeel dat het handelen van verdachte, wat betreft het bespuiten van het museumgebouw, niet als een
‘reprehensible act’(laakbaar gedrag) kan worden beschouwd.
Verdachte heeft op 4 november 2023, voor wat betreft het bespuiten van het museumgebouw, op toegestane wijze gebruik gemaakt van uit de artikelen 10 en 11 EVRM voortvloeiende en beschermde grondrechten. Zij heeft daarbij gehandeld binnen de grenzen die aan die artikelen kunnen worden gesteld. Dit brengt mee dat zij voor die handeling geen subject van een sanctie had mogen zijn en het vervolgen voor die handeling achterwege had moeten worden gelaten. Door dit toch te doen is een ontoelaatbare inbreuk op deze grondrechten van verdachte gemaakt.
Omdat sprake is van een schending van de artikelen 10 en 11 EVRM is de rechtbank van oordeel dat gelet op artikel 94 van Pro de Grondwet de ten laste gelegde strafbepaling, te weten artikel 141 Sr Pro, voor zover deze ziet op het bespuiten van het museumgebouw, buiten toepassing moet blijven.
De rechtbank ontslaat verdachte gelet hierop van alle rechtsvervolging, voor wat betreft het bespuiten van het museumgebouw. Bij het buiten toepassing blijven van artikel 141 Sr Pro levert dit deel van het bewezenverklaarde immers geen strafbaar feit meer op.

6.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straf

7.1
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 500,-.
7.2
Strafmaatverweer van de verdediging
Bij strafoplegging heeft de raadsman verzocht om rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn en de omstandigheid dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Primair heeft de raadsman de rechtbank verzocht te volstaan met een schuldigverklaring zonder oplegging van een straf of maatregel. Subsidiair heeft hij verzocht de straf te beperken tot een geheel voorwaardelijke straf.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
Aard en ernst van het feit
Tijdens Museumnacht op 4 november 2023 vond er op het Museumplein in Amsterdam, bij het Van Gogh Museum, een demonstratie plaats. Verdachte maakte deel uit van een groep Pro-Palestinabetogers. Tijdens de demonstratie heeft verdachte met een waterpistool, gevuld met een rode vloeistof, het museumgebouw en mensen bespoten. Terwijl bezoekers het museum in het kader van Museumnacht wilden bezoeken en werknemers hun werk deden, werden zij geconfronteerd met de protestactie van verdachte en haar medebetogers. Ten gevolge van hun handelen hebben het museum, de bezoekers van het museum en de werknemers niet alleen hinder ondervonden, maar ook schade geleden. De rode vloeistof ging niet meer uit hun kleding en het museum heeft kosten moeten maken om het gebouw te reinigen.
De rechtbank constateert dat verdachte het strafbare feit heeft gepleegd tegen de achtergrond van haar bezorgdheid over de situatie in Gaza. In plaats van op een vreedzame manier aandacht te vragen voor de situatie in Gaza, is verdachte overgegaan tot het spuiten van verf op personen. Door zo te handelen, werden de bezoekers van het museum, de medewerkers van het museum en omstanders de dupe van de protestactie. Uit verklaringen die bezoekers bij de rechter-commissaris hebben afgelegd, blijkt dat zij achter het doel staan van de demonstratie, maar de uitvoering ervan als vervelend hebben ervaren.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 30 maart 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Gelet hierop is herhaling geen reden om verdachte zwaarder te straffen.
LOVS
De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf ook gekeken naar de door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (hierna: LOVS) vastgestelde oriëntatiepunten. Hieruit volgt dat het uitgangspunt bij een bewezenverklaring van openlijke geweldpleging tegen personen zonder lichamelijk letsel een taakstraf van 120 uren betreft.
De op te leggen straf
Strafbare handelingen tijdens een demonstratie kunnen leiden tot schade, gevaar voor personen en verstoring van de openbare orde. Juist de bescherming van de openbare orde is essentieel in een democratische samenleving. Daarom geldt dat, ook tijdens het uitoefenen van het demonstratierecht, de grenzen van de wet gerespecteerd moeten worden om de rechten en vrijheden van anderen te beschermen. Verdachte heeft tijdens de demonstratie verf op personen gespoten, wat een meer ingrijpende ordeverstoring opleverde dan een vreedzame uitoefening van het demonstratierecht. De rechtbank acht toepassing van artikel 9a Sr daarom niet passend. Het is echter van belang dat optreden tegen personen die hun demonstratierecht (willen) uitoefenen geen
‘chilling effect’heeft op diegenen of op andere betogers. Dat betekent dat burgers niet ontmoedigd of afgeschrikt mogen worden om hun recht op demonstratie uit te oefenen, omdat zij bang zijn dat deelname aan een vreedzame demonstratie wordt bedreigd met strafrechtelijke sancties. Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank daarom ook rekening met het
‘chilling effect’dat een strafrechtelijke sanctie kan hebben.
Er is geen sprake van een overschrijding van een redelijke termijn van berechting. Deze termijn is aangevangen op het moment dat verdachte is uitgenodigd voor de politierechterzitting van 7 maart 2025 en sindsdien zijn nog geen twee jaar verstreken.
De rechtbank acht, alles afwegende, een voorwaardelijke geldboete van € 500,-, met een proeftijd van één jaar, passend en geboden.

8.De vorderingen van de benadeelde partijen

8.1
Overwegingen ten aanzien van de uitwasbaarheid van de verf
Standpunt van de verdediging
De raadsman stelt dat de vorderingen van de benadeelde partijen, voor zover deze zien op vergoeding van materiële schade, moeten worden afgewezen dan wel niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat het wateruitwasbare verf betrof. Hierdoor is het aannemelijk dat de verf van de kleding en de schoenen te verwijderen was.
Het verrichte onderzoek door de politie
De politie heeft naar aanleiding van de feiten onderzoek verricht naar de uitwasbaarheid van de gebruikte vloeistof afkomstig uit de waterpistolen. Daarbij heeft de politie de vloeistof telkens op een theedoek gegoten en op vier verschillende manieren geprobeerd uit te wassen. Bij slechts één van de vier pogingen is de vlek compleet uitgewassen en bij de overige drie pogingen bleef de vlek goed zichtbaar, waarbij van belang bleek hoeveel tijd er zat tussen het besmeuren en het wassen.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat er weliswaar beperkt onderzoek is gedaan door de politie, en dat bijvoorbeeld de samenstelling van de vloeistof niet is onderzocht, maar dat de benadeelde partijen bijna allemaal hebben verklaard dat de vloeistof niet (volledig) uit hun kleding en schoenen is gegaan. Het is aannemelijk, gelet op de feiten en omstandigheden in deze zaak, dat de benadeelde partijen de kledingstukken niet kort na het besmeuren hebben kunnen wassen. Uit deze verklaringen, in combinatie met het onderzoek door de politie, blijkt dan ook voldoende dat de vloeistof in dit geval niet uitwasbaar (meer) was. Daar komt bij dat bepaalde kledingstukken en schoenen niet gewassen kunnen worden (op een hoge temperatuur). Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de vorderingen ten aanzien van de materiële schade (kleding en schoenen) onvoldoende gemotiveerd is betwist. Alle vorderingen met betrekking tot de kledingstukken en schoenen worden daarom toegewezen. Bij het bepalen van de waarde van de goederen gaat de rechtbank uit van de dagwaarde van de goederen en zal, op basis van de informatie uit het dossier, daarbij gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 6:97 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
8.2
De benadeelde partij [benadeelde partij 5]
De vordering
De benadeelde partij [benadeelde partij 5] vordert € 379,95 aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dat bedrag bestaat uit vergoeding voor een jas.
Standpunt officier van justitie en verdediging
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voldoende is onderbouwd en toewijsbaar is, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De raadsman verzoekt de schadevergoeding met 10% te matigen vanwege afschrijving.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft gepleegd. Vaststaat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks schade is toegebracht, omdat de rode vloeistof op de jas terecht is gekomen. De kosten van de jas zijn met stukken onderbouwd. Gelet op de dagwaarde zal de rechtbank afschrijving van 10% toepassen. De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van materiële schade daarom vaststellen op € 341,96 en dat bedrag toewijzen.
8.3
De benadeelde partij [naam getuige 4]
De vordering
De benadeelde partij [naam getuige 4] vordert € 537,90 aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dat bedrag bestaat uit vergoeding voor een spijkerbroek (€ 109,95), laarzen (€ 179,95), een jas (€ 59,-) en een blazer (€ 189,-).
Standpunt officier van justitie en verdediging
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voldoende is onderbouwd en toewijsbaar is, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Omdat het om relatief nieuwe goederen gaat, hoeft geen afschrijving plaats te vinden.
De raadsman verzoekt de schadevergoeding te matigen vanwege afschrijving. Omdat de broek en de laarzen in 2022 zijn aangeschaft, dient de aanschafwaarde met 20% te worden verminderd. De jas en de blazer zijn in 2023 aangeschaft, waardoor daarop 10% afschrijving dient te worden toegepast.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft gepleegd. Vaststaat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks schade is toegebracht, omdat de rode vloeistof op de kleding terecht is gekomen. De spijkerbroek en de blazer zijn onderbouwd met betalingsbewijzen. Hoewel de waarde van de laarzen en jas niet is onderbouwd met betalingsbewijzen, is wel een uitdraai met de nieuwprijs bijgevoegd. Gelet op de dagwaarde van de spijkerbroek en de laarzen zal de rechtbank afschrijving van 20% toepassen. Gelet op de dagwaarde van de jas en de blazer zal de rechtbank afschrijving van 10% toepassen. De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van materiële schade daarom vaststellen op € 455,12 en dat bedrag toewijzen.
8.4
De benadeelde partij [benadeelde partij 3]
De vordering
De benadeelde partij [benadeelde partij 3] vordert € 404,89 aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dat bedrag bestaat uit vergoeding voor een jas (€ 129,99), een spijkerbroek (€ 129,95) en schoenen (€ 144,95).
Standpunt officier van justitie en verdediging
De officier van justitie stelt dat het schadebedrag niet kan worden vastgesteld omdat er geen rekeningen of aankoopbewijzen zijn overgelegd. Desalniettemin blijkt uit de foto’s voldoende duidelijk dat de benadeelde partij schade heeft geleden. Daarom verzoekt de officier van justitie de schadevergoeding te matigen tot € 300,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De raadsman heeft aangevoerd dat de gevorderde schade onvoldoende is onderbouwd en niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft gepleegd. Vaststaat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks schade is toegebracht, omdat de rode vloeistof op de kleding terecht is gekomen. Hoewel de benadeelde partij geen betalingsbewijs of een uitdraai met de nieuwprijs heeft overgelegd, zijn aan het verzoek wel foto’s van de schade gevoegd. De rechtbank maakt daarom gebruik van haar schattingsbevoegdheid en wijst de vordering toe tot een bedrag van € 300,-.
8.5
De benadeelde partij [benadeelde partij 6]
De vordering
De benadeelde partij [benadeelde partij 6] vordert € 0,74 aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dat bedrag bestaat uit vergoeding voor het gebruik van de wasmachine.
Standpunt officier van justitie en verdediging
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering, omdat de relatie tot het strafbare feit onvoldoende is vastgesteld.
De verdediging stelt dat de vordering van de benadeelde partij moet worden afgewezen dan wel niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat onduidelijk is of de vordering schade betreft die door het strafbare feit is veroorzaakt.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat het rechtstreeks verband tot het bewezenverklaarde onvoldoende kan worden vastgesteld. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering.
8.6
De benadeelde partij [benadeelde partij 7]
De vordering
De benadeelde partij [benadeelde partij 7] vordert € 408,99 aan vergoeding van materiële schade, bestaande uit vergoeding voor een regenjas (€ 79,99), een tas (€ 250,-) en schoenen (€ 79,-). Daarnaast vordert de benadeelde partij € 250,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt officier van justitie en verdediging
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering, omdat zijn relatie tot het strafbare feit onvoldoende is vastgesteld.
De raadsman stelt dat het oogmerk van verdachte niet gericht was op het toebrengen van nadeel aan de benadeelde partij en dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde partij onvoldoende zijn onderbouwd.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat het rechtstreeks verband tot het bewezenverklaarde onvoldoende kan worden vastgesteld. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering.
8.7
De benadeelde partij [benadeelde partij 4]
De vordering
De benadeelde partij [benadeelde partij 4] vordert € 165,- aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dat bedrag bestaat uit vergoeding voor een broek (€ 75,-) en schoenen (€ 90,-).
Standpunt officier van justitie en verdediging
De officier van justitie stelt dat het schadebedrag niet kan worden vastgesteld omdat er geen aankoopbewijzen zijn overgelegd. Desalniettemin blijkt uit de foto’s voldoende duidelijk dat de benadeelde partij schade heeft geleden. Daarom verzoekt de officier van justitie de schadevergoeding te matigen tot € 100,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft aangevoerd dat de gevorderde schade onvoldoende is onderbouwd en niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft gepleegd. Vaststaat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks schade is toegebracht, omdat de rode vloeistof op de kleding terecht is gekomen. Hoewel de benadeelde partij geen betalingsbewijzen of een uitdraai met de nieuwprijs heeft overgelegd, zijn aan het verzoek wel foto’s van de schade gevoegd. De rechtbank maakt daarom gebruik van haar schattingsbevoegdheid en wijst de vordering toe tot een bedrag van € 100,-.
8.8
De benadeelde partij [benadeelde partij 2]
De vordering
De benadeelde partij [benadeelde partij 2] vordert € 704,69 aan vergoeding van materiële schade, bestaande uit vergoeding voor schoenen (€ 64,95) en uit kosten van het eigen risico van de ziektekostenverzekering van [benadeelde partij 2] (€ 639,74). Daarnaast vordert de benadeelde partij € 800,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Ter terechtzitting heeft de gemachtigde van de benadeelde partij aangevoerd dat bij de benadeelde PTSS is vastgesteld en dat zij hiervoor bij de psycholoog is geweest. Daarom wordt aansluiting gezocht bij de Rotterdamse schaal, categorie d (minder ernstig), waarbij de hoogte wordt begroot op een bedrag van € 2.675,- tot € 5.500,-. De vordering tot vergoeding van immateriële schade wordt daarom verhoogd tot € 2.675,-.
Standpunt officier van justitie en verdediging
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering ten aanzien van de schoenen voldoende is onderbouwd en toewijsbaar is, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ten aanzien van de overige materiële en immateriële schadeposten dient de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard, omdat onvoldoende is komen vast te staan dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen de geleden schade en het strafbare feit.
De raadsman heeft aangevoerd dat de schade onvoldoende is onderbouwd en niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De vordering ten aanzien van het eigen risico moet worden afgewezen dan wel niet-ontvankelijk verklaard, omdat de vordering geen schade betreft die door het strafbare feit is veroorzaakt. Daarnaast was het oogmerk van verdachte niet gericht op het toebrengen van nadeel aan de benadeelde partij en bestaat er twijfel over de PTSS-diagnose. Wegens de bestaande twijfel over de diagnose heeft de raadsman verzocht de vordering tot immateriële schade niet-ontvankelijk te verklaren. Subsidiair vordert de raadsman matiging van de vordering.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank acht bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft gepleegd. Vaststaat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks schade is toegebracht, omdat de rode vloeistof op de kleding terecht is gekomen. Hoewel de benadeelde partij geen betalingsbewijs of een uitdraai met de nieuwprijs van de schoenen heeft overgelegd, zijn aan het verzoek wel foto’s van de schade gevoegd. De rechtbank maakt daarom gebruik van haar schattingsbevoegdheid en wijst de vordering toe tot een bedrag van € 50,-.
Ten aanzien van het eigen risico overweegt de rechtbank als volgt. Uit de overgelegde verslagen blijkt dat bij de benadeelde partij als gevolg van het handelen van verdachte PTSS is vastgesteld en dat zij haar eigen risico heeft verbruikt voor psychologische hulp. Er is daarom sprake van voldoende causaal verband tussen de bewezenverklaarde openlijke geweldpleging en het psychische letsel. De reactie van een slachtoffer op een gebeurtenis die wordt teweeggebracht door de predispositie van het slachtoffer, wordt niet voor rekening van het slachtoffer gelaten, maar wordt aan de veroorzaker van de gebeurtenis toegerekend, waardoor de vordering ten aanzien van het eigen risico volledig zal worden toegewezen.
Immateriële schade
Op grond van artikel 6:106, eerste lid, BW heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade als de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. Er dient sprake te zijn van meer dan een enkel psychisch onbehagen of een zich gekwetst voelen.
De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij voldoende concrete en objectieve gegevens heeft aangevoerd waaruit blijkt dat ten gevolge van de strafbare feiten een psychische beschadiging is ontstaan. Uit de overgelegde stukken van de GZ-psycholoog blijkt namelijk dat sprake is van een direct verband tussen het incident en het opgelopen trauma. De GZ-psycholoog is bij uitstek deskundig om een PTSS-diagnose te stellen. De eventuele kwetsbaarheid van de benadeelde partij evenals de omstandigheid dat de GZ-psycholoog haar behandelaar is, doet daar niets aan af. Zoals hierboven ook al is overwogen, wordt de reactie van een slachtoffer op een gebeurtenis, die wordt teweeggebracht door de predispositie van het slachtoffer, niet voor rekening van het slachtoffer gelaten, maar wordt deze aan de veroorzaker van de gebeurtenis toegerekend. Aan de hand van de stukken stelt de rechtbank daarom vast dat de benadeelde partij psychisch letsel heeft opgelopen als gevolg van het bewezenverklaarde feit. Uit de slachtofferverklaring volgt dat ze zich onveilig voelde op haar werk, extreme stress ervaarde en angstig werd op straat. Door de gebeurtenissen heeft zij geestelijk letsel (in de vorm van PTSS) opgelopen en last van nachtmerries. De rechtbank wijst de gevorderde immateriële-schadevergoeding, gelet op de Rotterdamse schaal, integraal toe.
Conclusie
De rechtbank zal de vordering toewijzen tot een bedrag van € 3.364,74.
8.9
De benadeelde partij [benadeelde partij 1]
De vordering
De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert € 1.924,75 aan vergoeding van materiële schade. Daarnaast vordert de benadeelde partij € 1.000,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en € 2.216,- aan proceskosten.
De materiële schade is als volgt opgebouwd:
kosten kleding, bestaande uit schoenen (€ 163,78), een jas (€ 107,-) en een colbert (€ 187,40);
reis- en parkeerkosten, bestaande uit reiskosten voor twee dagen (€ 45,80) en parkeerkosten (€ 26,85);
misgelopen inkomsten voor twee werkdagen (€ 1.393,92).
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de posten 1 en 2 van de vordering tot materiële schade voldoende zijn onderbouwd en toewijsbaar zijn, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Wat betreft post 3 heeft de officier van justitie aangevoerd dat onduidelijk is gebleven wanneer de benadeelde partij op de hoogte was geraakt dat de zitting op 11 oktober 2024 niet doorging, zodat deze post niet voor vergoeding in aanmerking komt.
De officier van justitie is van oordeel dat de gevraagde immateriële-schadevergoeding niet toewijsbaar is en dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de nadelige gevolgen van beperkte duur en tijdelijke aard zijn.
Ten aanzien van de proceskosten heeft de officier van justitie gevorderd dat twee punten conform het liquidatietarief kunnen worden toegekend.
Standpunt van de verdediging
De raadsman stelt dat de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Wat betreft het colbert omdat het geen rechtstreekse schade betreft, dan wel omdat de aanschafdatum onbekend is gebleven. Ten aanzien van de schoenen omdat de aanschafdatum onbekend is gebleven, dan wel omdat onderzoek naar de zool van de schoen een onevenredige belasting van het geding oplevert. Ten slotte wat betreft de jas omdat de schade mogelijk door het museum is vergoed, dan wel omdat de schade is geleden door een ander bedrijf. Meer subsidiair dient ten aanzien van het colbert en de schoenen afschrijving plaats te vinden van 33%.
De posten 2 en 3 van de vordering dienen volgens de raadsman ook niet-ontvankelijk te worden verklaard, omdat het geen rechtstreekse schade betreft. Daarnaast vormt nader onderzoek naar de vaststelling van het causaal verband en de omvang van de gestelde inkomstenderving een onevenredige belasting van het onderzoek.
Ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden bewezen dat de vloeistof een irriterende stof betrof. Daarnaast was het oogmerk van verdachte niet gericht op het toebrengen van nadeel aan de benadeelde partij en zijn de nadelige gevolgen voor de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. De vordering dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard. Subsidiair vordert de raadsman afwijzing van de vordering.
De raadsman stelt dat de proceskosten dienen te worden afgewezen.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank heeft vastgesteld dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte het ten laste gelegde heeft gepleegd. Vaststaat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht.
1.
Kosten kleding
Als gevolg van een aanhouding met geweld heeft de benadeelde partij schade aan zijn kleding opgelopen. Dit is een voorzienbaar gevolg van het plegen van openlijk geweld. Daarmee is sprake van een voldoende rechtstreeks verband tussen het bewezenverklaarde feit en de schade. De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende is betwist dat schade aan de schoenen is ontstaan als gevolg van het incident. Wat betreft de jas wordt het verweer van de raadsman verworpen, omdat de bonnen wel zien op de jas van de benadeelde. De goederen zijn onderbouwd met betalingsbewijzen. Gelet op de dagwaarde van de goederen zal de rechtbank een afschrijving van 33% toepassen. De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van materiële schade daarom vaststellen op € 306,98 en dat bedrag toewijzen.
2.
Reis- en parkeerkosten
Op grond van artikel 238 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) komen reis- en verblijfkosten slechts voor vergoeding in aanmerking voor zover in persoon – dat wil zeggen: zonder gemachtigde (advocaat) – wordt geprocedeerd. Procedeert de benadeelde partij met een gemachtigde, dan komen slechts de kosten voor salaris en noodzakelijke verschotten van de gemachtigde voor vergoeding in aanmerking, en dus niet ook de in artikel 238, eerste lid, Rv bedoelde kosten van de benadeelde partij.
De gevorderde reis- en parkeerkosten worden daarom afgewezen.
3.
Misgelopen inkomsten
De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in dit deel van zijn vordering. Er bestaat onduidelijkheid over de misgelopen inkomsten, waardoor de behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding op levert. De vordering is onvoldoende onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden, terwijl de zittingsdatum al geruime tijd bekend was bij de benadeelde partij. De benadeelde partij kan dit deel van zijn vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen. De benadeelde partij en verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.
Immateriële schade
Zoals in rubriek 8.8 is aangegeven, heeft een benadeelde partij recht op immateriële-schadevergoeding. De benadeelde partij heeft onvoldoende concrete en objectieve gegevens aangevoerd waaruit blijkt dat ten gevolge van de strafbare feiten een psychische beschadiging is ontstaan. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat, op basis van het dossier, onvoldoende kan worden vastgesteld dat de huid van de benadeelde is losgelaten als gevolg van de vloeistof. De rechtbank is daarom van oordeel dat de nadelige gevolgen van het bewezenverklaarde niet zodanig voor de hand liggen dat een aantasting van de persoon kan worden aangenomen. De benadeelde partij zal daarom in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij en verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.
Proceskosten
Kosten van rechtsbijstand komen in aanmerking voor vergoeding op grond van artikel 532 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Een redelijke uitleg van artikel 532 Sv Pro brengt mee dat bij de begroting van deze kosten dezelfde maatstaf wordt gehanteerd als in civiele procedures. Dit betekent dat het liquidatietarief dient te worden gehanteerd. Bij de toepassing van het liquidatietarief dient aansluiting te worden gezocht bij de competentieregels voor de civielrechtelijke procedure. Dat wil zeggen dat voor vorderingen tot en met € 25.000,- het liquidatietarief kanton wordt gehanteerd. De rechtbank zal de proceskosten daarom bepalen naar de maatstaf van het liquidatietarief kanton.
De totale vordering komt neer op een geldswaarde van € 5.140,75. Met betrekking tot vorderingen tussen € 5.000,- en € 10.000,- wordt ieder punt gewaardeerd op € 360,-, met een maximum van zes punten. De rechtbank is van oordeel dat aan het indienen van de vordering en het bijwonen van de zitting twee punten dienen te worden toegekend en aan het bijwonen van het getuigenverhoor één punt.
De rechtbank zal de proceskosten aan de hand van het liquidatietarief kanton, gelet op de omvang van de verrichte werkzaamheden, bepalen op € 1.080,- (drie punten à € 360,-).
Conclusie
De rechtbank zal de vordering toewijzen tot een bedrag van € 1.386,98.
8.1
De benadeelde partij [naam getuige 2]
De vordering
De benadeelde partij [naam getuige 2] vordert € 513,65 aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dat bedrag bestaat uit vergoeding voor een jas (€ 200,-), een broek (€ 73,65) en schoenen (€ 240,-).
Standpunt officier van justitie en verdediging
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voldoende is onderbouwd en toewijsbaar is, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De raadsman verzoekt de schadevergoeding te matigen vanwege afschrijving. Omdat de jas en de broek in 2021 zijn aangeschaft, dient de aanschafwaarde met 40% te worden verminderd. De schoenen zijn in 2022 aangeschaft, waardoor daarop 20% afschrijving dient te worden toegepast.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft gepleegd. Vaststaat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks schade is toegebracht, omdat de rode vloeistof op de kleding terecht is gekomen. De schoenen zijn onderbouwd met een betalingsbewijs. Hoewel de benadeelde partij geen betalingsbewijs heeft overgelegd, zijn aan het verzoek wel een uitdraai met de nieuwprijs en foto’s van de schade toegevoegd. Gelet op de dagwaarde van de goederen zal de rechtbank afschrijving van 40% toepassen op de jas en de broek en 20% op de schoenen. De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van materiële schade daarom vaststellen op € 407,97 en dat bedrag toewijzen.
8.11
Wettelijke rente, schadevergoedingsmaatregel, proceskosten en hoofdelijkheid
De rechtbank bepaalt dat verdachte over de toegewezen bedragen de wettelijke rente moet betalen vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten op 4 november 2023, en dat aan haar ten aanzien van alle toegewezen vorderingen de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat de toegewezen vorderingen hoofdelijk dienen te worden toegewezen, omdat verdachte het schadeveroorzakende feit samen met een ander/anderen heeft gepleegd. Verdachte is, als zij wordt aangesproken door de benadeelde partijen, verplicht om het totale bedrag aan de benadeelden te betalen, tenzij een ander het hele bedrag al heeft betaald.
Verder moet verdachte de kosten betalen die de benadeelde partijen hebben gemaakt en nog moeten maken voor de tenuitvoerlegging hiervan. Deze kosten zijn tot nu toe begroot op nihil.

9.De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

10.De beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen
Verklaart het bewezene voor zover dat betrekking heeft op het openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen niet strafbaar en
ontslaat verdachte van alle rechtsvervolgingter zake daarvan.
Verklaart het overig bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
voorwaardelijke geldboetevan
€ 500,-(zegge: vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 5 (vijf) dagen.
Bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.
Stelt daarbij een
proeftijdvan
1 (één) jaarvast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Vorderingen benadeelde partijen
Ten aanzien van de benadeelde partijen [benadeelde partij 6] en [benadeelde partij 7] :
Verklaart de benadeelde partijen
niet-ontvankelijkin hun vorderingen.
Bepaalt dat de benadeelde partijen en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde partij 5] :
Wijstde vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 5]
gedeeltelijk toetot een bedrag van
€ 341,96(zegge: driehonderdeenenveertig euro en zesennegentig eurocent) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (4 november 2023) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 5] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander/anderen is betaald.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 5] aan de Staat
€ 341,96(zegge: driehonderdeenenveertig euro en zesennegentig eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (4 november 2023) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 3 (drie) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Verdachte is met haar mededader(s) hoofdelijk aansprakelijk voor het gehele bedrag. Verdachte is van haar schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover zij of haar mededader(s) heeft voldaan aan een van de haar opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Ten aanzien van de benadeelde partij [naam getuige 4] :
Wijstde vordering van de benadeelde partij [naam getuige 4]
gedeeltelijk toetot een bedrag van
€ 455,12(zegge: vierhonderdvijfenvijftig euro en twaalf eurocent) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (4 november 2023) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam getuige 4] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander/anderen is betaald.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [naam getuige 4] aan de Staat
€ 455,12(zegge: vierhonderdvijfenvijftig euro en twaalf eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (4 november 2023) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 4 (vier) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Verdachte is met haar mededader(s) hoofdelijk aansprakelijk voor het gehele bedrag. Verdachte is van haar schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover zij of haar mededader(s) heeft voldaan aan een van de haar opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] :
Wijstde vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]
gedeeltelijk toetot een bedrag van
€ 300,-(zegge: driehonderd euro) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (4 november 2023) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 3] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander/anderen is betaald.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 3] aan de Staat
€ 300,-(zegge: driehonderd euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (4 november 2023) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 3 (drie) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Verdachte is met haar mededader(s) hoofdelijk aansprakelijk voor het gehele bedrag. Verdachte is van haar schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover zij of haar mededader(s) heeft voldaan aan een van de haar opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] :
Wijstde vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4]
gedeeltelijk toetot een bedrag van
€ 100,-(zegge: honderd euro) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (4 november 2023) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 4] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander/anderen is betaald.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 4] aan de Staat
€ 100,-(zegge: honderd euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (4 november 2023) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 1 (één) dag. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Verdachte is met haar mededader(s) hoofdelijk aansprakelijk voor het gehele bedrag. Verdachte is van haar schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover zij of haar mededader(s) heeft voldaan aan een van de haar opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] :
Wijstde vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]
gedeeltelijk toetot een bedrag van
€ 3.364,74(zegge: drieduizend driehonderdvierenzestig euro en vierenzeventig eurocent), bestaande uit € 689,74 aan vergoeding van materiële schade en € 2.675,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (4 november 2023) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 2] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander/anderen is betaald.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 2] aan de Staat
€ 3.364,74(zegge: drieduizend driehonderdvierenzestig euro en vierenzeventig eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (4 november 2023) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 33 (drieëndertig) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Verdachte is met haar mededader(s) hoofdelijk aansprakelijk voor het gehele bedrag. Verdachte is van haar schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover zij of haar mededader(s) heeft voldaan aan een van de haar opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] :
Wijstde vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]
gedeeltelijk toetot een bedrag van
€ 306,98(zegge: driehonderdzes euro en achtennegentig eurocent), aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (4 november 2023) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partijen gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op
€ 1.080,-(zegge: duizend tachtig euro).
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 1] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander/anderen is betaald.
Wijst de vordering voor een bedrag van € 71,65, bestaande uit reis- en parkeerkosten, af.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 1] aan de Staat
€ 306,98(zegge: driehonderdzes euro en achtennegentig eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (4 november 2023) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 3 (drie) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Verdachte is met haar mededader(s) hoofdelijk aansprakelijk voor het gehele bedrag. Verdachte is van haar schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover zij of haar mededader(s) heeft voldaan aan een van de haar opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Ten aanzien van de benadeelde partij [naam getuige 2] :
Wijstde vordering van de benadeelde partij [naam getuige 2]
gedeeltelijk toetot een bedrag van
€ 407,97(zegge: vierhonderdzeven euro en zevenennegentig eurocent ), aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (4 november 2023) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam getuige 2] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander/anderen is betaald.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [naam getuige 2] aan de Staat
€ 407,97(zegge: vierhonderdzeven euro en zevenennegentig eurocent ) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (4 november 2023) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 3 (drie) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Verdachte is met haar mededader(s) hoofdelijk aansprakelijk voor het gehele bedrag. Verdachte is van haar schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover zij of haar mededader(s) heeft voldaan aan een van de haar opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M.R.J. van Wel voorzitter,
mrs. H.J. Bos en M.P.N. Gommers, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A. Fransen, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 juli 2026.