ECLI:NL:RBAMS:2026:6994

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
11888469 CV25-12931
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Verordening (EG) nr. 261/2004Art. 5 lid 3 Verordening 261/2004Art. 7 Verordening 261/2004
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing compensatieclaim passagier wegens vertraging vlucht door buitengewone omstandigheden

De passagier had een vlucht geboekt die vanwege een lekkage van hydraulische vloeistof op een landingsbaan moest uitwijken naar een andere luchthaven, waardoor zij met meer dan 24 uur vertraging op de eindbestemming aankwam. De passagier vorderde compensatie van €600 op grond van Verordening 261/2004, stellende dat de vervoerder geen redelijke maatregelen had genomen om de vertraging te beperken.

De vervoerder verweerde zich met het beroep op buitengewone omstandigheden, aangezien de lekkage een onverwacht vliegveiligheidsprobleem vormde. De rechtbank stelde vast dat de vlucht niet was geannuleerd maar vertraagd uitgevoerd en dat de vervoerder niet direct kon doorvliegen vanwege de gesloten landingsbaan en de verplichte rusttijd van de bemanning.

De rechtbank oordeelde dat de vervoerder voldoende had onderbouwd dat het onmogelijk was om de passagiers op andere vluchten om te boeken en dat hij alle redelijke maatregelen had getroffen om de vertraging te beperken. Daarom werd de vordering van de passagier afgewezen en werd zij veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vordering tot compensatie wegens vluchtvertraging wordt afgewezen omdat de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft getroffen en sprake is van buitengewone omstandigheden.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht
zaaknummer: 11888469 CV EXPL 25-12931
vonnis van: 26 mei 2026
fno.: 94

vonnis van de kantonrechter

I n z a k e

[eiseres]

wonende te [woonplaats]
eiseres
nader te noemen: de passagier
gemachtigde: mr. A.Y. Lai
t e g e n

Koninklijke Luchtvaart Maatschappij N.V.

gevestigd te Amstelveen
gedaagde
nader te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. J.J.O. Zandt

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 20 augustus 2025, met producties;
  • de conclusie van antwoord, met producties;
  • de conclusie van repliek met producties;
  • de conclusie van dupliek met producties;
  • de dagbepaling vonnis.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Feiten

1. Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staat het volgende vast:
1.1.
De passagier heeft bij de vervoerder een vlucht geboekt van [vlucht] uit te voeren op [datum 1] 2023. Deze vlucht zou door de vervoerder worden uitgevoerd.
1.2.
De vlucht heeft vanwege lekkage van hydraulische vloeistof op een landingsbaan in [plaats 1] moeten uitwijken naar [plaats 2] (Congo), alwaar zij om 21.00 Zulu tijd is aangekomen. Omdat de volgende dag in de ochtend de landingsbaan in [plaats 1] nog gesloten was en de bemanning recht had op 14 uur rusttijd, is de vlucht van [plaats 2] naar [plaats 1] op [datum 2] 2023 om 22.28 Zulu tijd aangekomen.
1.3.
De passagier is dus met een vertraging van meer dan 24 uur aangekomen op de eindbestemming.
1.4.
De gemachtigde van de passagier heeft bij de vervoerder geklaagd over de vertraagde aankomst op de eindbestemming en op grond van Verordening 261/2004 aanspraak gemaakt op compensatie van € 600,00.
1.5.
De vervoerder weigert de compensatie te betalen.

De vordering en het verweer

2. De passagier vordert dat de vervoerder veroordeeld zal worden tot betaling van
€ 600,00 aan compensatie en € 90,00 aan buitengerechtelijke kosten vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van respectievelijke de dag van de vlucht en de dag van de ingebrekestelling, met veroordeling van de vervoerder in de kosten van het geding.
3. De passagier heeft aan de vordering ten grondslag gelegd de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagier stelt dat vanwege de vertraagde aankomst op de eindbestemming de vervoerder gehouden is haar te compenseren conform artikel 7 van Pro de Verordening tot een bedrag van € 600,00. Volgens de passagier heeft de vervoerder geen redelijke maatregelen genomen omdat zij met een vertraging van meer dan 24 uur is aangekomen op haar eindbestemming.

Het verweer

4. De vervoerder betwist de vordering tot betaling van compensatie en doet een beroep op buitengewone omstandigheden. De lekkage van hydraulische vloeistof op de landingsbaan is immers een onverwacht vliegveiligheidsprobleem. Hij heeft de vlucht van [plaats 2] naar [plaats 1] zo snel mogelijk uitgevoerd. Het Tap-arrest is volgens hem niet op deze zaak van toepassing omdat het in dat arrest ging om een vlucht die is geannuleerd. De onderhavige vlucht is niet geannuleerd maar vertraagd uitgevoerd.

De beoordeling

5. Vast staat dat de passagier met een vertraging van meer dan drie uur is aangekomen op de eindbestemming. Gelet daarop is de vervoerder in beginsel gehouden de passagier te compenseren, tenzij de vervoerder op grond van artikel 5, lid 3 van de Verordening kan aantonen dat de vertraging het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden en dat de vertraging, ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen, niet voorkomen had kunnen worden.
6. De passagier heeft niet betwist dat er sprake was van een buitengewone omstandigheid, zodat dit als vaststaand wordt aangenomen.
7. De vraag die vervolgens beantwoord dient te worden is of de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging te beperken.
8. Tussen partijen staat vast dat de vlucht van de passagier niet is geannuleerd maar dat deze met al haar 396 passagiers was uitgeweken naar [plaats 2] . De kantonrechter is van oordeel dat de vervoerder genoegzaam heeft onderbouwd dat hij niet meteen kon doorvliegen naar [plaats 1] door de sluiting van de landingsbaan aldaar in de ochtend en de rusttijd van de bemanning. Ook heeft hij genoegzaam toegelicht dat het voor hem ondoenlijk was om al die 396 passagiers op verschillende kleine vluchten om te boeken omdat de maatschappijen waarmee deze vluchten zouden worden uitgevoerd niet op het omboeksysteem zijn aangesloten. Hij was genoodzaakt met de vlucht te wachten tot de eerste mogelijkheid dat hij weer kon landen in [plaats 1] . De vervoerder heeft in het onderhavige geval derhalve alle redelijke maatregelen getroffen. De vordering van de passagier wordt dan ook afgewezen.
9. De proceskosten komen voor rekening van de passagier omdat zij ongelijk krijgt.

BESLISSING

De kantonrechter:
wijst de vorderingen van de passagier af;
veroordeelt de passagier in de proceskosten, aan de zijde van de vervoerder tot op heden begroot op € 288,00 aan salaris gemachtigde, inclusief eventueel verschuldigde btw;
veroordeelt de passagier tot betaling van een bedrag van € 72,00 aan nasalaris, voor zover van toepassing, inclusief btw;
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Aldus gewezen door mr. A.J. Wesdorp, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 mei 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.