ECLI:NL:RBAMS:2026:7015

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
C/13/778179 / FA RK 25-8469
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Tussenbeschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 1:253a lid 2 sub c BW
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling informatieregeling en gelasten raadsonderzoek in gezags- en omgangszaak

Partijen, voormalige partners, hebben gezamenlijk gezag over hun minderjarige kind, die bij de vrouw verblijft. De communicatie tussen partijen is ernstig verstoord, met wederzijdse beschuldigingen van onveiligheid en grensoverschrijdend gedrag. De vrouw verblijft sinds oktober 2025 in een vrouwenopvang vanwege angst voor de man.

De vrouw verzoekt eenhoofdig gezag toe te wijzen aan haar, terwijl de man verzet aantekent en een eigen omgangsregeling voorstelt. De Raad voor de Kinderbescherming adviseert een raadsonderzoek vanwege de tegenstrijdige verhalen en zorgen over de veiligheid van het kind.

De rechtbank acht nader onderzoek noodzakelijk en gelast een raadsonderzoek met specifieke vragen over het gezag en de omgang. Contactherstel tussen vader en kind wordt gewenst, bij voorkeur via begeleide omgang door de organisatie Klem, maar financiering hiervan ontbreekt, waardoor de rechtbank partijen niet kan doorverwijzen.

De rechtbank stelt een informatieregeling vast waarbij de vrouw de man maandelijks per e-mail informeert over belangrijke ontwikkelingen omtrent het kind. De behandeling van het gezag, omgang en consultatieregeling wordt aangehouden tot het rapport van de Raad is ontvangen, met een vervolgdatum in februari 2027.

Uitkomst: De rechtbank stelt een informatieregeling vast en gelast een raadsonderzoek, houdt verdere beslissingen aan en beveelt begeleide omgang aan ondanks het ontbreken van publieke financiering.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugd
zaaknummer / rekestnummer: C/13/778179 / FA RK 25-8469
Beschikking van 13 mei 2026 betreffende wijziging van het gezag en zorg-/omgangsregeling en vaststelling van een informatie-/consultatieregeling
in de zaak van:
[de vrouw] ,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. W.D. van Doorn, gevestigd te Amsterdam,
tegen
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. R. Tetteroo, gevestigd te Rotterdam.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Amsterdam,
hierna te noemen: de Raad.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift van de vrouw, ingekomen op 5 november 2025;
- het verweerschrift van de man, tevens houdende zelfstandige verzoeken, ingekomen op 23 december 2025;
- het verweerschrift van de vrouw op de zelfstandige verzoeken van de man, ingekomen op 18 maart 2026.
1.2.
De mondelinge behandeling achter gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 15 april 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen:
- de vrouw (per videoverbinding aanwezig), bijgestaan door haar advocaat;
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- mevrouw [naam] als vertegenwoordiger van de Raad met een collega als toehoorder.
1.3.
Na de mondelinge behandeling zijn, zoals afgesproken, nog de volgende stukken ontvangen:
- de brief van de Raad, ingekomen op 30 april 2026;
- de reactie van de zijde van de vrouw op de brief van de Raad, ingekomen op 4 mei 2026;
- de reactie van de zijde van de man op de brief van de Raad, ingekomen op 4 mei 2026.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben een relatie met elkaar gehad, welke relatie is beëindigd.
2.2.
Uit deze relatie is geboren:
- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2022.
2.3.
[minderjarige] is door de man erkend. Partijen oefenen het gezamenlijk ouderlijk gezag uit.
2.4.
[minderjarige] verblijft bij de vrouw.

3.Het verzoek, het verweer en het zelfstandig verzoek

3.1.
De vrouw verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
a. het gezamenlijk gezag te beëindigen en te bepalen dat de vrouw vanaf de datum van de beschikking zal zijn belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] ;
b. aan de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit gezagsregister een afschrift van de beschikking toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Amsterdam, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht.
3.2.
De man voert verweer en concludeert tot afwijzing van het verzoek van de vrouw. De man verzoekt zelfstandig:
I. te bepalen dat (bij niet integrale afwijzing van het verzoek van de vrouw) een raadsonderzoek dient plaats te vinden over het al dan niet toewijzen van eenhoofdig gezag;
II. te bepalen dat tussen de man en [minderjarige] de navolgende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken/omgangsregeling zal gelden:
- de man zal [minderjarige] de eerste twee maanden om de week één dag in het weekend (zaterdag) van 12:00 uur tot 17:00 uur bij zich hebben;
- de man zal [minderjarige] de daaropvolgende twee maanden om de week elk weekend van zaterdag van 12:00 uur tot zondag 12:00 uur bij zich hebben;
- de man zal [minderjarige] hierna eens per twee weken een weekend van vrijdag 17:00 uur tot zondag 17:00 uur bij zich hebben;
- de man zal daarnaast een vakantieregeling hebben met [minderjarige] gedurende 2 aaneengesloten weken tijdens de zomervakantie, alsmede de feestdagen (1ste of 2e Kerst-, Paas-, pinksterdag en Oud en Nieuw) jaarlijks om en om;
III. te bepalen dat er een informatie- en consultatieregeling zal zijn waarin de man eenmaal per drie maanden per e-mail op de hoogte wordt gehouden van de belangrijke ontwikkelingen zoals omschreven in randnummer 27.
IV. Subsidiair een zodanige uitspraak te doen als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;
een en ander kosten rechtens.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna – voor zover van belang – nader ingegaan.

4.De beoordeling

Eenhoofdig gezag, zorg-/omgangsregeling en vakantieregeling
4.1.
Uit de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken, is de rechtbank gebleken dat de communicatie tussen partijen ernstig is verstoord en dat er veel wantrouwen tussen hen bestaat. De rechtbank constateert dat partijen over gebeurtenissen uit het verleden en recente gebeurtenissen zeer uiteenlopende lezingen hebben. De vrouw verblijft sinds medio oktober 2025 – na overleg met Veilig Thuis – in een vrouwenopvang op een voor de man onbekende locatie. Zij brengt naar voren dat zij angst heeft voor contact met de man vanwege gebeurtenissen uit het verleden zoals huiselijk geweld en bedreiging door de man jegens haar. De man daarentegen ontkent de door de vrouw genoemde angsten en gebeurtenissen.
4.2.
De Raad heeft de rechtbank tijdens de mondelinge behandeling geadviseerd om een raadsonderzoek te gelasten. De verhalen van partijen staan haaks op elkaar. De vrouw heeft gevoelens van grote onveiligheid en angst op grond waarvan zij per videoverbinding aanwezig is. Tegelijkertijd worden de door de vrouw gestelde onveiligheid en angst door de man betwist. Er is in ieder geval een onwenselijke situatie ontstaan in Kosovo en er is sprake geweest van politiebetrokkenheid bij partijen. Dit zijn zorgwekkende signalen die maken dat de Raad ernstige zorgen heeft over [minderjarige] . Daarnaast geven de omgangsverslagen (productie 12 van de zijde van de vrouw) aanleiding voor zorgen. Zo wil de man geen hulp in de vorm van bijvoorbeeld omgangsbegeleiding en vertoont de man grensoverschrijdend gedrag. [minderjarige] heeft recht op contact met haar vader, maar dit moet op een veilige wijze worden vormgegeven. De Raad acht het Uniform Hulpaanbod niet passend in deze zaak omdat de veiligheid niet is geborgd en vastgesteld. Als alternatief heeft de Raad aan partijen geadviseerd om via de organisatie Klem (hierna Klem) begeleide omgang op te starten in afwachting van de resultaten van het raadsonderzoek.
4.3.
De rechtbank overweegt dat zij de door de Raad geuite zorgen over [minderjarige] deelt. Aan de hand van de beschikbare informatie acht de rechtbank zich echter op dit moment onvoldoende voorgelicht om een weloverwogen beslissing te kunnen nemen over de voorliggende verzoeken met betrekking tot het gezag, de zorg-/omgangsregeling en de vakantieregeling. Daarom is de rechtbank – met de Raad – van oordeel dat een onderzoek door de Raad noodzakelijk is. De rechtbank verzoekt de Raad om een onderzoek in te stellen en daarin in ieder geval, maar niet uitsluitend, de hierna geformuleerde vragen te betrekken:
  • bestaat er bij gezamenlijk gezag het onaanvaardbare risico dat [minderjarige] klem of verloren raakt tussen partijen en is niet te verwachten dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen op grond waarvan het gezag moet worden gewijzigd en/of is eenhoofdig gezag door de vrouw anderszins in het belang van [minderjarige] noodzakelijk?
  • zijn er omstandigheden of contra-indicaties die een zorg-/omgangsregeling belemmeren? Zo ja, welke komen vanuit [minderjarige] en welke vanuit de ouder(s)? Hoe en op welke termijn zijn deze omstandigheden op te heffen?
  • zo nee, welke mogelijkheden zijn er voor een zorg-/omgangsregeling van [minderjarige] met de man? En moeten daarbij veiligheidsvoorwaarden worden opgesteld? Zo ja, hoe kan ervoor worden gezorgd dat die veiligheidsvoorwaarden worden nageleefd?
  • hoe zou een zorg-/omgangsregeling (vorm en frequentie) er in het belang van [minderjarige] uit moeten zien? Op welke wijze kan dit veilig worden vormgegeven?
  • is nadere hulpverlening voor partijen en/of [minderjarige] geïndiceerd, en zo ja, welke hulpverlening is in dat geval aangewezen?
  • in hoeverre komen er uit het onderzoek bevindingen naar voren die niet aan de orde zijn gekomen in voornoemde vragen, maar wel van belang zijn met betrekking tot de te nemen beslissing?
  • heeft de Raad nog andere adviezen?
4.4.
De rechtbank zal in afwachting van de resultaten van het onderzoek van de Raad, iedere verdere definitieve beslissing ten aanzien van het gezag, de zorg-/omgangsregeling en vakantieregeling aanhouden tot na te melden datum.
Contactherstel / begeleide omgang
4.5.
Tijdens de mondelinge behandeling hebben beide partijen naar voren gebracht dat zij het van belang vinden dat [minderjarige] en de man weer contact met elkaar zullen hebben. De vrouw staat open voor contact tussen [minderjarige] en de man, zolang dit wordt vormgegeven op een voor de vrouw en [minderjarige] veilige wijze. De voorkeur van de man gaat ernaar uit om het contact tussen hem en [minderjarige] te herstellen zonder tussenkomst van (een vorm van) hulpverlening. Wat de man betreft is begeleide omgang niet noodzakelijk omdat hij weet hoe hij met [minderjarige] om moet gaan. De man heeft toegelicht dat het wellicht in het begin niet wenselijk is dat partijen elkaar direct treffen. Hiervoor kan bijvoorbeeld de hulp van een neutrale derde worden ingeschakeld. De man voert aan dat wanneer hij en [minderjarige] weer contact met elkaar zullen hebben, het contact tussen partijen ook zal verbeteren.
4.6.
Zoals overwogen in rechtsoverweging 4.2 heeft de Raad ouders geadviseerd om via het hulpverleningstraject van Klem begeleide omgang te starten. Klem is een gespecialiseerde organisatie die een veiligheidsanalyse uitvoert en ook in onveilige situaties de omgang kan vormgeven. De Raad heeft tijdens de mondelinge behandeling aan partijen aangeboden om contact met Klem op te nemen teneinde na te vragen of er plek is en op welke manier Klem de situatie van partijen zou kunnen oppakken.
4.7.
Op 30 april 2026 heeft de rechtbank hieromtrent een nader bericht van de Raad ontvangen. Uit het bericht volgt dat Klem de gewenste veiligheidsanalyse in deze zaak kan uitvoeren en dat zij de begeleide omgang kunnen faciliteren, maar dat zij geen ingekocht zorgaanbod zijn zodat de kosten gemoeid met het hulpverleningstraject voor eigen rekening van partijen komen. De Raad geeft partijen mee dat soms de Blijfgroep mogelijkheden ziet tot financiering voor begeleide omgang en adviseert aan partijen om met hen hierover in contact te treden.
4.8.
In reactie op de berichtgeving van de Raad heeft de rechtbank op 4 mei 2026 van de zijde van de vrouw een bericht ontvangen. Hieruit volgt dat de vrouw bij de Blijfgroep heeft geïnformeerd naar de eigen financieringsmogelijkheden voor het hulpverleningstraject van Klem. De Blijfgroep heeft echter aangegeven hierover niet te beschikken.
4.9.
In reactie op de berichtgeving van de Raad heeft de rechtbank op 4 mei 2026 eveneens van de zijde man een bericht ontvangen. Hieruit volgt dat de man bij de Raad heeft geïnformeerd of er nog alternatieve instanties zijn in de regio Amsterdam die een vergelijkbaar aanbod hebben als Klem en wel onder de gefinancierde hulpverlening vallen. De Raad heeft hier echter nog niet op gereageerd, zodat de man verzoekt de zaak twee weken aan te houden om de Raad in de gelegenheid te stellen zich hierover uit te kunnen laten alsmede daarna partijen een week in de gelegenheid te stellen om op het bericht van de Raad een reactie te geven.
Inhoudelijke beoordeling
4.10.
De rechtbank stelt voorop dat beide partijen uiteindelijk hetzelfde doel voor ogen hebben, namelijk dat [minderjarige] en de man (weer) fijn contact met elkaar zullen hebben. Over de wijze waarop het contactherstel het beste kan worden vormgegeven, zijn partijen het echter niet met elkaar eens. Naar de rechtbank begrijpt uit hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken, gaat de voorkeur van beide partijen ernaar uit dat het contact tussen de man en [minderjarige] wordt hersteld terwijl in de tussentijd het raadsonderzoek plaatsvindt. Ook de voorkeur van de Raad gaat hiernaar uit omdat het contact anders pas kan worden hersteld na verloop van het raadsonderzoek, wat doorgaans negen maanden duurt. Aldus zou een hulpverleningstraject bij Klem voor partijen, gelet op hun situatie waarbij de veiligheid ter discussie staat, zeer geschikt zijn. Daarmee kan worden toegekomen aan de gedeelde wens van partijen om te komen tot contactherstel én kan tegelijkertijd de veiligheid van de vrouw en [minderjarige] worden gewaarborgd. Helaas bestaat er voor de rechtbank geen mogelijkheid om partijen in het kader van het uniform hulpaanbod door te verwijzen naar Klem. De rechtbank beschikt verder ook niet over andere mogelijkheden om partijen met hun specifieke hulpvraag door te verwijzen naar een geschikte zorgaanbieder. Daarmee wordt de rechtbank als het ware klem gezet. Een nadere aanhouding, zoals door de man verzocht, zal ook niet tot een andere uitkomst leiden zodat de rechtbank hier niet in mee zal gaan. Vanwege de naar voren gebrachte omstandigheden die een rol spelen in de situatie tussen partijen acht de rechtbank begeleide omgang de enige mogelijkheid om het contact tussen de man en [minderjarige] te herstellen zolang het raadsonderzoek plaatsvindt. De rechtbank kan partijen echter niet doorverwijzen naar een zorgaanbieder die hen hierbij kan helpen. Dat is een pijnlijke constatering omdat [minderjarige] en de man daar de dupe van zijn. Voor hen is dit een slechte en verdrietige zaak.
4.11.
Ten overvloede overweegt de rechtbank dat zij hoopt dat partijen met elkaar in onderling overleg alsnog zullen proberen om begeleide omgang te starten met behulp van een hulpverleningsinstantie, waarbij de voorkeur uitgaat naar Klem, zodat ervoor kan worden gezorgd dat [minderjarige] en de man op korte termijn weer contact met elkaar zullen hebben.
Informatie- en consultatieregeling
4.12.
De man verzoekt een informatie- en consultatieregeling vast te stellen waarbij hij eens per drie maanden op de hoogte wordt gehouden per e-mail over belangrijke ontwikkeling met betrekking tot [minderjarige] . In de toekomst wenst hij ook een kopie van het schoolrapport van [minderjarige] te ontvangen. Verder wenst de man geconsulteerd te worden zodat zijn mening kan worden meegewogen bij het nemen van (gezamenlijke) besluiten in het belang van [minderjarige] .
4.13.
De vrouw voert geen verweer tegen het door de man verzochte en zal meewerken aan de informatieregeling. Zij zal de man maandelijks informeren over onder andere [minderjarige] ’s school en gezondheid. De vrouw refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.
Inhoudelijke beoordeling
4.14.
Op grond van artikel 1:253a lid 2 sub c BW kan de rechtbank een regeling treffen over de wijze waarop informatie omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van hun minderjarige kind wordt verschaft door de ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijf heeft aan de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft, dan wel de wijze waarop deze ouder wordt geraadpleegd.
4.15.
De rechtbank kan het verzoek van de man om een informatieregeling vast te stellen als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen omdat de vrouw geen verweer heeft gevoerd en zich refereert aan het oordeel van de rechtbank. In haar verweerschrift van 18 maart 2026 heeft de vrouw zelf voorgesteld om de man maandelijks te informeren, zodat de rechtbank dienovereenkomstig het voorstel van de vrouw zal beslissen. Dit betekent dat de vrouw vanaf heden iedere maand aan de man een e-mail dient te sturen waarmee hij op de hoogte wordt gehouden over belangrijke ontwikkelingen met betrekking tot [minderjarige] , zoals bijvoorbeeld haar schoolresultaten onder toezending van het schoolrapport. De rechtbank acht het van belang dat de man weet wat er in het leven van [minderjarige] speelt, zodat hij de informatie heeft om bij haar aan te kunnen sluiten wanneer het contact tussen hen is hersteld.
4.16.
Ten aanzien van de door de man verzochte consultatieregeling overweegt de rechtbank als volgt. Omdat het verzoek ten aanzien van het gezag wordt aangehouden, blijven partijen samen belast met het gezag en moeten zij elkaar betrekken bij beslissingen die worden genomen ten aanzien van [minderjarige] . De rechtbank acht de vaststelling van een consultatieregeling dan ook meer voor de hand in het geval van eenhoofdig gezag, waar op dit moment (nog) geen sprake van is. In afwachting van het raadsonderzoek zal de rechtbank ook de behandeling van de consultatieregeling aanhouden.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
bepaalt dat de vrouw gehouden is de man eenmaal per maand per e-mail op de hoogte te stellen van gewichtige aangelegen met betrekking tot de persoon en het vermogen van [minderjarige] en dat zij de man moet betrekken in belangrijke beslissingen over en/of belangrijke aangelegenheden betreffende [minderjarige] ;
5.2.
verzoekt de Raad onderzoek te doen, te rapporteren en te adviseren zoals hiervoor is overwogen in rechtsoverweging 4.3;
5.3.
bepaalt dat de griffier een afschrift van de processtukken aan de Raad voor de Kinderbescherming zal toesturen;
5.4.
verklaart de beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
bepaalt dat de behandeling van de verzoeken omtrent het gezag, de zorg-/omgangsregeling, de vakantieregeling en consultatieregeling
pro formawordt voortgezet op
15 februari 2027, en houdt iedere beslissing aan in afwachting van het rapport van de Raad.
Deze beschikking is gegeven door de rechter mr. C.F. de Lemos Benvindo, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. I.L. Mulder, griffier, op 13 mei 2026. [1]

Voetnoten

1.Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).