ECLI:NL:RBAMS:2026:7050

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
12125343 \ CV EXPL 26-3201
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:74 BWArt. 6:162 BWArt. 210 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming voor oproeping in vrijwaring in geschil over kozijnkosten VVE

In deze civiele zaak vordert de Vereniging van Eigenaren (VVE) betaling van kosten voor vervanging van kozijnen die nooit zijn geplaatst. De gedaagde, eigenaar van een appartement en lid van de VVE, betwist de betaling omdat de kozijnen niet voldeden aan gemeentelijke regels en de werkzaamheden zijn stilgelegd. Hij vordert in een incident toestemming om de rechtsopvolger van de beheerder van de VVE in vrijwaring op te roepen.

De beheerder was verantwoordelijk voor het adviseren en begeleiden van onderhoud, maar zou tekortgeschoten zijn door onjuiste kozijnen te bestellen en waarschuwingen te negeren. De gedaagde stelt dat de beheerder aansprakelijk is voor de schade en dat hij vrijwaring moet verlenen.

De kantonrechter oordeelt dat de gedaagde voldoende heeft onderbouwd dat er een rechtsverhouding bestaat die een vrijwaring kan rechtvaardigen. Daarom wordt de oproeping in vrijwaring toegestaan. De proceskosten van het incident worden gecompenseerd, en de hoofdzaak wordt aangehouden voor verdere behandeling.

Uitkomst: De kantonrechter staat toe dat de gedaagde de rechtsopvolger van de beheerder in vrijwaring oproept en compenseert de proceskosten van het incident.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 12125343 \ CV EXPL 26-3201
Vonnis van 2 juli 2026 in het incident
in de zaak van
VERENIGING VAN EIGENAREN VVE [VvE],
gevestigd te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
verwerende partij in het incident,
gemachtigde: Straetus Amsterdam Amstelland,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
eisende partij in het incident,
gemachtigde: mr. R.H. van Duivenboden.
Partijen worden hierna de VVE en [gedaagde] genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 9 februari 2026 met producties 1 tot en met 4,
- de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring met producties 1 tot en met 4,
- de op 4 juni 2026 tegen de VVE verleende akte van niet dienen van antwoord in het incident.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2.De feiten, voor zover relevant in het incident

2.1.
[gedaagde] is eigenaar van een appartement, gelegen aan [adres] .
2.2.
[gedaagde] is als appartementseigenaar lid van de VVE.
2.3.
Op 16 december 2016 hebben de eenmanszaak [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ) en de VVE een overeenkomst tot beheer van de VVE gesloten, met ingang van 1 januari 2017. Volgens het Handelsregister van de Kamer van Koophandel was [naam] (hierna: [naam] ) eigenaar van deze eenmanszaak.
2.4.
De onderneming van [bedrijf 1] is op 24 maart 2026 overgedragen aan [bedrijf 2] B.V. (hierna: [bedrijf 2] ). [bedrijf 2] is dus de rechtsopvolger van [bedrijf 1] . [naam] is indirect enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 2] .
2.5.
De VVE heeft in de loop van 2020 besloten tot vervanging van de kozijnen in de voorgevel.

3.Het geschil in de hoofdzaak

3.1.
De VVE vordert in de hoofdzaak dat [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot betaling van € 14.736,07, vermeerderd met wettelijke rente en kosten.
3.2.
De VVE legt daar samengevat het volgende aan ten grondslag. De VVE heeft kosten gemaakt voor het vervangen van kozijnen in de voorgevel, welke zij heeft doorbelast aan haar leden. Het aandeel van [gedaagde] van deze kosten bedraagt € 11.360,78. [gedaagde] heeft dit bedrag niet aan de VVE betaald. Verder had [gedaagde] een betalingsachterstand van de servicekosten, welke tussen de datum van uitbrengen van de dagvaarding en het aanbrengen bij de kantonrechter zijn betaald, waarvoor nog wel de reeds verschenen wettelijke rente wordt gevorderd. Verder vordert de VVE de reeds verschenen wettelijke rente over de kosten voor de kozijnen. Dit alles vermeerderd met de buitengerechtelijke incassokosten.
3.3.
In de hoofdzaak is door [gedaagde] nog niet van antwoord gediend.

4.Het geschil in het incident

4.1.
[gedaagde] vordert samengevat dat:
hem wordt toegestaan [bedrijf 2] en [naam] in vrijwaring op te roepen;
de hoofdzaak aan te houden totdat in het incident is beslist;
met een veroordeling van de VVE in de kosten van het incident.
4.2.
[gedaagde] legt daar samengevat het volgende aan ten grondslag. [bedrijf 2] , [bedrijf 1] en [naam] (hierna samen te noemen: de beheerder) waren krachtens de beheersovereenkomst onder meer belast met het adviseren en begeleiden van preventief onderhoud aan de gemeenschappelijke gedeelten, het aanvragen van offertes en het verrichten van betalingen namens de VVE. De door de beheerder bestelde en afgenomen kozijnen voldeden niet aan de regels. De gemeente heeft de werkzaamheden stilgelegd en het plaatsen van de kozijnen verboden. [gedaagde] heeft voorafgaand aan de bestelling, levering en betaling meermaals gewaarschuwd dat de kozijnen (mogelijk) niet zouden voldoen aan de toepasselijke gemeentelijke regelgeving, en dat een omgevingsvergunning diende te worden aangevraagd. De waarschuwing was gegrond. De kozijnen zijn daarna door de beheerder in opslag gegeven bij een derde, alwaar deze (zouden) zijn gestolen. De kozijnen zijn dus nooit in het pand aangebracht. De vordering van de VVE op [gedaagde] in de hoofdzaak betreft kosten die zijn gemaakt voor kozijnen die nooit zijn geplaatst.
[gedaagde] is van mening dat [bedrijf 2] en [naam] krachtens hun rechtsverhouding tot de VVE en hemzelf geheel of gedeeltelijk verplicht zijn de nadelige gevolgen van een veroordeling te dragen. Op grond van de beheersovereenkomst was de beheerder gehouden de belangen van de VVE en haar leden zorgvuldig te behandelen. Daartoe behoort het adviseren over en begeleiden van onderhoudswerkzaamheden, alsmede het tijdig verwerken en opvolgen van relevante waarschuwingen. Door de waarschuwing van [gedaagde] te negeren, onjuiste kozijnen te bestellen en de opslag onzorgvuldig te regelen, is de beheerder tekortgeschoten in de nakoming van de beheersovereenkomst waardoor sprake is van een wanprestatie op grond van artikel 6:74 BW Pro. De schade die hieruit voortvloeit – het bestellen van kozijnen die niet aan de gemeentelijke eisen voldeden, betaling aan de leverancier voor ondeugdelijke kozijnen en de opslag bij een derde – is veroorzaakt door het handelen en nalaten van de beheerder. Voor zover de schade niet reeds via wanprestatie kan worden verhaald, heeft de beheerder onrechtmatig gehandeld (artikel 6:162 BW Pro) jegens [gedaagde] door, in weerwil van kenbare waarschuwingen, de bestelling door te zetten en de opslag onzorgvuldig te organiseren. Als in de hoofdzaak wordt geoordeeld dat [gedaagde] geheel of gedeeltelijk aansprakelijk is voor de gevorderde kozijnkosten, dient de beheerder [gedaagde] daarvoor te vrijwaren dan wel bij te dragen in de schade, nu de schadeveroorzakende gebeurtenissen in overheersende mate aan de beheerder zijn toe te rekenen. Omdat [bedrijf 1] per 24 maart 2026 is voortgezet door [bedrijf 2] , die tevens de handelsnamen ‘ [bedrijf 1] ’ en ‘ [bedrijf 1] ’ voert, kan [bedrijf 2] als rechtsopvolger worden aangesproken voor de verplichtingen die voortvloeien uit de beheersactiviteiten van [bedrijf 1] , aldus steeds [gedaagde] .
4.3.
De VVE heeft, ondanks dat zij daartoe wel in de gelegenheid is gesteld, geen verweer gevoerd.

5.De beoordeling in het incident

Vordering i
5.1.
Voor toewijzing van een vordering tot oproeping in vrijwaring is vereist dat de gedaagde partij in de hoofdzaak (hier: [gedaagde] ) (voldoende onderbouwd) stelt dat de in vrijwaring op te roepen derde (hier: [bedrijf 2] en [naam] ) krachtens zijn rechtsverhouding tot hem verplicht is de nadelige gevolgen van een veroordeling van gedaagde in de hoofdzaak te dragen (artikel 210 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Het bestaan van die rechtsverhouding hoeft in het vrijwaringsincident niet vast te staan. Ook is niet vereist dat rechtstreeks verband bestaat tussen de vordering in de hoofdzaak en die in de vrijwaring.
5.2.
De kantonrechter is van oordeel dat de incidentele vordering onder i moet worden toegewezen, nu de aangevoerde en niet weersproken gronden die vorderingen kunnen dragen. Uitgaande van de stellingen van [gedaagde] zou tussen hem enerzijds en [bedrijf 2] en [naam] anderzijds een rechtsverhouding kunnen bestaan, die voor laatstgenoemden een verplichting tot vrijwaring zou kunnen meebrengen. [gedaagde] wordt toegelaten [bedrijf 2] en [naam] in vrijwaring op te roepen.
Vordering ii
5.3.
[gedaagde] vordert onder ii om de hoofdzaak aan te houden totdat in het incident is beslist. Gelet op wat hiervoor is overwogen en geoordeeld behoeft op die vordering niet te worden beslist.
Proceskosten
5.4.
De kantonrechter is van oordeel dat in dit incident geen van partijen als de in het ongelijk gestelde partij kan worden beschouwd en daarom zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

6.De beslissing

De kantonrechter
in het incident
6.1.
staat toe dat [bedrijf 2] en [naam] door [gedaagde] worden gedagvaard tegen de terechtzitting van
30 juli 2026,
6.2.
compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
in de hoofdzaak
6.3.
verwijst de zaak naar de rolzitting van
30 juli 2026te
10:00 uurvoor conclusie van antwoord aan de zijde van [gedaagde] ,
6.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. N. Versteeg, kantonrechter, bijgestaan door mr. L.M. Garritsen, griffier en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026.