ECLI:NL:RBAMS:2026:7060

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
C/13/761178 / HA RK 24-448
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 192 lid 1 en 2 RvArt. 200 lid 1 Rv (oud)Art. 205 lid 1 Rv (oud)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek nieuwe mondelinge behandeling na deskundigenbericht in civiele zaak

In deze civiele zaak heeft de rechtbank Amsterdam een deskundige benoemd om het bedrijfspand en de inventaris te waarderen. Partijen hebben gezamenlijk het voorschot op de kosten van de deskundige voldaan, waarna het deskundigenbericht op 24 april 2026 is uitgebracht.

Na ontvangst van het deskundigenbericht heeft de verwerende partij verzocht om een nieuwe mondelinge behandeling om haar eigen deskundige inhoudelijk te laten reageren, omdat zij het niet eens is met de conclusies. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen, stellende dat de wet geen mogelijkheid biedt tot een nieuwe mondelinge behandeling na het deskundigenbericht en dat de procedure hiermee is afgerond.

De rechtbank compenseert de proceskosten tussen partijen en wijst het meer of anders verzochte af. De verwerende partij kan in een eventuele volgende procedure een verzoek indienen om haar eigen deskundige te horen. De beschikking is uitgesproken door rechter R.A. Dudok van Heel op 9 juli 2026.

Uitkomst: Verzoek tot nieuwe mondelinge behandeling na deskundigenbericht wordt afgewezen en proceskosten worden gecompenseerd.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer / rekestnummer: C/13/761178 / HA RK 24-448
Beschikking van 9 juli 2026
in de zaak van
[verzoeker],
wonende te [woonplaats 1],
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker],
advocaat: mr. T. Albayrak,
tegen
[verweerder],
wonende te [woonplaats 2],
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder],
advocaat: mr. J.G.J. Elslo.

1.De verdere beoordeling

1.1.
Bij tussenbeschikking van 8 mei 2025 heeft de rechtbank drs. G. Rooijackers (hierna: Rooijackers) tot deskundige benoemd. Voorts is in de tussenbeschikking overwogen:
- dat het voorschot op de kosten van de deskundige door partijen gezamenlijk elk voor de helft moet worden gedeponeerd omdat partijen het erover eens zijn dat een deskundige moet worden benoemd (zie 4.13),
- dat om dezelfde reden aanleiding wordt gezien de proceskosten te compenseren (zie 4.14).
Kosten deskundige(n)
1.2.
Op 17 juli 2025 hebben partijen het ontvangen voorschot op de kosten van de deskundige gedeponeerd (ieder voor de helft). Vervolgens heeft Rooijackers een deskundige voorgedragen om het bedrijfspand en de inventaris te waarderen, waarna hij een voorstel voor een aanvullend voorschot aan de griffie heeft gestuurd. Partijen hebben daartegen geen bezwaar gemaakt. Het aanvullende voorschot is door partijen gedeponeerd (wederom ieder voor de helft), waarna de deskundigen aan de slag zijn gegaan. Dat heeft geleid tot het deskundigenbericht van 24 april 2026, ingekomen ter griffie op 28 april 2026. Partijen hebben geen bezwaar gemaakt tegen de eindnota van de deskundige(n). Aangezien de eindnota gelijk is aan de voorschotnota en partijen reeds een voorschot hadden gedeponeerd ter hoogte van hun aandeel in de kosten van de deskundige(n), is de eindnota volledig uit het voorschot voldaan en kan een beslissing hieromtrent verder achterwege blijven.
Het verzoek tot een nieuwe mondelinge behandeling wordt afgewezen
1.3.
Op 13 mei 2026 heeft (de advocaat van) [verweerder] per e-mailbericht aan de rechtbank verzocht om een nieuwe mondelinge behandeling zodat haar eigen deskundige inhoudelijk kan reageren op het deskundigenbericht, omdat [verweerder] het niet eens is met de slotconclusies. Daar heeft de rechtbank per e-mailbericht van 17 juni 2026 als volgt op gereageerd:
“(...) Met het deskundigenbericht is de procedure afgerond. De wet voorziet niet in de mogelijkheid om na het uitbrengen van het deskundigenbericht een mondelinge behandeling te bepalen en de rechter ziet ook anderszins geen aanleiding om dat te doen.
Wij gaan het dossier dan ook sluiten (...)”. Op 25 juni 2026 heeft [verweerder] per e-mailbericht nogmaals verzocht om een mondelinge behandeling, met verwijzing naar artikel 192 lid 1 en Pro 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Daartegen heeft [verzoeker] per e-mailbericht van 25 juni 2026 bezwaar gemaakt.
1.4.
De rechtbank ziet geen aanleiding om op dit nieuwe verzoek van [verweerder] anders te beslissen dan zij eerder heeft gedaan. Het artikel 192 lid 1 Rv Pro (of het gelijkluidende artikel 200 lid 1 Rv Pro (oud) dat hier van toepassing is) geeft [verweerder] geen recht op een (nieuwe) mondelinge behandeling. Op grond van artikel 200 lid 1 Rv Pro (oud) kan de rechter een partij op haar verzoek toestaan niet door de rechter benoemde deskundigen te horen. Hoewel artikel 205 lid 1 Rv Pro (oud) bepaalt dat (onder meer) artikel 200 lid 1 Rv Pro (oud) van overeenkomstige toepassing in de onderhavige procedure, verandert dat niets aan de eerdere beslissing. De procedure is afgerond. In een eventuele volgende procedure waarin een van partijen een beroep doet op het deskundigenbericht van Rooijackers kan [verweerder] met een beroep op deze bepaling de rechter verzoeken ook haar eigen deskundige te horen.

2.De beslissing

De rechtbank
2.1.
compenseert de proceskosten tussen partijen,
2.2.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.A. Dudok van Heel, rechter, bijgestaan door mr. L.M. Garritsen, griffier en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2026.