ECLI:NL:RBAMS:2026:7064

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
12159897 \ CV EXPL 26-4677
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7.59a WHWArt. 7.66 WHWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering wegens niet geschonden zorgplicht door universiteit bij scriptiebegeleiding

Eiser vordert dat de VU wordt veroordeeld wegens het schenden van haar zorgplicht in het kader van de begeleiding van haar scriptie. De kantonrechter stelt vast dat de civiele rechter bevoegd is, omdat het geschil niet ziet op de beoordeling van de scriptie zelf, maar op vermeend onrechtmatig handelen bij de begeleiding.

De kantonrechter analyseert de correspondentie tussen eiser en de scriptiebegeleider en concludeert dat de VU voldoende waarschuwingen en feedback heeft gegeven over de onvoldoende scriptieopzet. Eiser heeft ondanks deze waarschuwingen het risico genomen haar scriptie in te leveren met een onvoldoende opzet.

De kantonrechter oordeelt dat de VU meer heeft gedaan dan van een scriptiebegeleider verwacht mag worden, onder meer door extra kansen te bieden en aanvullende feedback. Er is geen sprake van een geschonden zorgplicht. De vorderingen worden afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten van de VU, inclusief wettelijke rente bij niet tijdige betaling.

Uitkomst: De vorderingen van eiser worden afgewezen omdat de VU haar zorgplicht niet heeft geschonden.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 12159897 \ CV EXPL 26-4677
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 7 juli 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
gemachtigde: mr. J. Paijmans,
tegen
STICHTING VU,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij,
procederend in persoon.
Partijen zullen hierna [eiser] en de VU worden genoemd.
De mondelinge behandeling wordt gehouden in het gebouw van de rechtbank in Amsterdam.
De zaak wordt behandeld door mr. N. Versteeg, kantonrechter, bijgestaan door mr. L.M. Garritsen als griffier.
Aanwezig zijn:
- [eiser] ,
- mvr. [naam 1] , moeder van [eiser] ,
- mr. Paijmans,
- mr. M.J.S. Bakkenhoven, namens de VU.
De volgende stukken zijn aan het procesdossier toegevoegd:
- de akte van [eiser] met producties 38 tot en met 40.
Partijen hebben op de mondelinge behandeling hun standpunten toegelicht. Mr. Paijmans en mr. Bakkenhoven hebben spreekaantekeningen overgelegd die aan het dossier zijn toegevoegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen en hun gemachtigden, zakelijk weergegeven, hebben gezegd. Die aantekeningen zijn ook aan het procesdossier toegevoegd.
Vervolgens is de mondelinge behandeling gesloten en heeft de kantonrechter in aanwezigheid van partijen de mondelinge uitspraak gedaan die in dit proces-verbaal is opgenomen.

1.De beoordeling

Bevoegdheid
1.1.
[eiser] heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat de VU onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld dan wel tekort is geschoten in de nakoming van de onderliggende onderwijsovereenkomst door haar zorgplicht niet goed na te komen. De civiele rechter is dus bevoegd om kennis te nemen van de vordering. Met dit oordeel is echter nog niet gegeven dat [eiser] ontvankelijk is in haar vorderingen.
Ontvankelijkheid
1.2.
Voor de beoordeling van die ontvankelijkheid is de taakverdeling tussen de civiele rechter enerzijds en de bestuursrechter anderzijds van belang. De keuze tussen de civiele rechter of de bestuursrechter staat niet ter vrije bepaling van partijen. De rechter dient deze taakverdeling ambtshalve te bewaken. Indien de wet een bestuursrechtelijke rechtsgang heeft aangewezen waarin de gestelde onrechtmatigheid of tekortkoming kan worden beoordeeld, resteert geen taak meer voor de civiele rechter, ook al is deze bevoegd om van de vordering kennis te nemen.
1.3.
De Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: de WHW) voorziet namelijk in een eigen stelsel van rechtsbescherming voor studenten. De artikelen 7.59a tot en met 7.68 WHW regelen de interne rechtsbescherming, waaronder de mogelijkheid van bezwaar tegen beslissingen op grond van de WHW en daarop gebaseerde regelingen. Na een beslissing op bezwaar staat op grond van artikel 7.66 WHW beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State of een College van beroep bijzonder onderwijs.
1.4.
In deze procedure gaat het er echter niet om of de VU wel of niet terecht de scriptie met een onvoldoende heeft beoordeeld, maar of de VU haar zorgplicht heeft geschonden. [eiser] stelt namelijk dat de VU onrechtmatig heeft gehandeld bij de wijze waarop zij [eiser] bij deze scriptie heeft begeleid. Daarbij gaat het om vermeend onrechtmatig feitelijk handelen en kan [eiser] dit aan de civiele rechter voorleggen. [eiser] is dus ontvankelijk in haar vordering.
Onderwijsovereenkomst
1.5.
In de dagvaarding van [eiser] wordt de vraag of er wel of niet sprake is van een onderwijsovereenkomst in het midden gelaten. Op grond van wat hierna wordt overwogen kan die vraag inderdaad in het midden worden gelaten.
De zorgplicht van de VU
1.6.
Het gaat in deze zaak om de vraag of de VU haar zorgplicht heeft geschonden. De kantonrechter oordeelt dat de VU haar zorgplicht niet heeft geschonden. Hierna wordt uitgelegd waarom dit niet het geval is.
1.7.
Uit de correspondentie tussen [eiser] en [naam 2] (hierna: [naam 2]) blijkt namelijk niet dat [naam 2] [eiser] onvoldoende begeleiding heeft geboden. In deze correspondentie leest de kantonrechter namelijk dat [eiser] zelf een niet geschikt onderwerp voor haar scriptie heeft geformuleerd, dat [naam 2] – nadat de scriptie opzet een aantal keer op en neer is gegaan – zelf suggesties doet en dat [eiser] deze suggestie kennelijk anders geïnterpreteerd heeft dan [naam 2] bedoelde. Verder blijkt uit de correspondentie dat [eiser] kennelijk haast had bij het schrijven van haar scriptie, waardoor dit misverstand kan zijn ontstaan, maar dat kan de VU niet verweten worden. [eiser] schrijft op 24 mei 2025 aan [naam 2], nadat zij alle waarschuwingen van [naam 2] dat haar scriptie opzet ondermaats was had ontvangen, “
voor mij is de scriptieopzet echter dus een gepasseerd station”, terwijl de kantonrechter begrijpt dat dit voor [naam 2] op dat moment nog niet een gepasseerd station was.
1.8.
[eiser] stelt dat [naam 2] haar geen adequate feedback heeft gegeven. De beoordeling daarvan door de kantonrechter is lastig, omdat zijn feedback op de verschillende concepten van haar scriptie opzet en de concepten van haar scriptie niet aan het procesdossier zijn toegevoegd. Daarom moet de kantonrechter het doen met de e-mails die [naam 2] aan [eiser] heeft gestuurd. Uit die e-mails maakt de kantonrechter op dat [naam 2] [eiser] wel steeds waarschuwt dat met deze opzet en afbakening van het onderwerp niet tot een voldoende gekomen kan worden (bijvoorbeeld zijn e-mails van 3, 14, 23 en 27 mei 2024). [eiser] heeft ondanks deze waarschuwingen zelf het risico genomen dat haar scriptie met een onvoldoende zou worden beoordeeld door op basis van alleen haar mondelinge toelichting van wat ze van plan was, te gaan schrijven en het concept van de scriptie in te leveren.
1.9.
Als de kantonrechter de feedback van de nieuwe eerste en tweede lezer op de uiteindelijke versie van de scriptie bekijkt, dan is te lezen dat er meer feedback wordt gegeven dan puur de boodschap dat de hoofd- en deelvragen niet goed zijn geformuleerd, welke door [naam 2] zijn aangeleverd. [naam 3] zegt bijvoorbeeld ook:
“Waar zijn je deelvragen? Zonder deelvragen heb ik geen inzicht hoe je dit onderzoek gaat uitwerken en of alle verschillende onderdelen bij zullen dragen aan de beantwoording van je hoofdvraag.”. Vervolgens is de feedback van [naam 3] ook dat zij dingen in hoofdstukken ziet staan die daar niet thuishoren en die niet onder de hoofdvraag vallen. Het standpunt van [eiser] dat de scriptie alleen is afgekeurd omdat [naam 3] zegt dat met deze hoofd- en deelvragen het nooit tot een voldoende had kunnen komen, volgt de kantonrechter daarom niet.
1.10.
[eiser] verwijt [naam 2] dat hij [eiser] niet goed heeft begeleid bij de totstandkoming van haar scriptie opzet en vervolgens niet adequaat heeft ingegrepen toen bleek dat de scriptie opzet onvoldoende was. De kantonrechter begrijpt uit de toelichting van de VU dat [naam 2] ook harder had kunnen zijn door te zeggen dat [eiser] twee pogingen had om de opzet goedgekeurd te krijgen, die allebei onvoldoende zijn beoordeeld, waarmee het scriptietraject zou stoppen en zij in het nieuwe studiejaar in september 2024 met een nieuw scriptietraject had moeten beginnen. De vraag is dan of [eiser] slechter af was geweest dan dat zij nu is. Uit de stukken volgt dat [naam 2] geprobeerd heeft om eigenlijk meer te doen dan wat van een scriptiebegeleider verwacht mag worden, namelijk de hoofd- en deelvragen aanreiken en [eiser] extra kansen geven om de opzet goedgekeurd te krijgen. [eiser] is zelfs een extra kans geboden om alsnog met een nieuwe eerste en tweede lezer de scriptie goedgekeurd te krijgen. Daar leest de kantonrechter eerder in dat de VU meer heeft gedaan dan van een scriptiebegeleider verwacht mag worden dan dat zij haar zorgplicht geschonden heeft. De conclusie is dan ook dat de VU niet haar zorgplicht heeft geschonden waardoor de vorderingen van [eiser] worden afgewezen.
1.11.
Dat betekent ook dat [eiser] wordt veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) van de VU. Die worden als volgt begroot:
- salaris gemachtigde
577,00
(1 punt × € 557,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
721,00
1.12.
De door de VU gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

2.De beslissing

De kantonrechter
2.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
2.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 721,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
2.3.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over deze proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan.
Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. N. Versteeg en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.