ECLI:NL:RBAMS:2026:7068

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
71/295103-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33 SrArt. 33a SrArt. 36b SrArt. 36d SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor witwassen en bezit van harddrugs met deels voorwaardelijke gevangenisstraf

Op 1 december 2025 werd bij een doorzoeking in de woning van de partner van verdachte grote geldbedragen in euro's en Zwitserse franken aangetroffen, samen met ongeveer 8 gram cocaïne en een XTC-pil. Verdachte werd beschuldigd van witwassen en het opzettelijk aanwezig hebben van harddrugs.

De verdediging voerde aan dat het geld afkomstig was van het legale bedrijf van de schoonvader van verdachte, maar de rechtbank oordeelde dat deze verklaring ongeloofwaardig en hoogst onwaarschijnlijk was. De rechtbank concludeerde dat het geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig moest zijn en sprak verdachte vrij van gewoontewitwassen wegens gebrek aan bewijs.

De rechtbank achtte bewezen dat verdachte de drugs bewust in bezit had en veroordeelde hem tot een gevangenisstraf van 21 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Daarnaast werden de geldbedragen verbeurd verklaard en het aangetroffen blok hasj onttrokken aan het verkeer.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 21 maanden gevangenisstraf, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, voor witwassen en bezit van harddrugs.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 71/295103-25
Datum uitspraak: 19 juni 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,
wonende op het adres [adres 1]

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 5 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S. Kubicz, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. Y. Bouchikhi, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte zijn twee feiten ten laste gelegd, op de dagvaarding aangeduid als feit 2 en feit 3. De reden hiervoor is dat het oorspronkelijke feit 1 op de tenlastelegging is komen te vervallen, maar dat de feiten vervolgens niet opnieuw genummerd zijn. Ten behoeve van de consistentie zal de rechtbank hierna dezelfde nummering als op de dagvaarding aanhouden en zal het dus ook steeds hebben over de feiten 2 en 3.
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 1 december 2025 heeft schuldig gemaakt aan
Feit 2: het (gewoonte)witwassen van 238.320,00 euro en 128.400 Zwitserse franken (omgerekend 137,827,39 euro), gepleegd te Vleuten en/of Amsterdam.
Feit 3: het opzettelijk aanwezig hebben van ongeveer 8 gram cocaïne en één XTC-pil, gepleegd te Vleuten.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I, die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie acht beide feiten wettig en overtuigend bewezen. Ten aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat sprake is van witwassen, maar niet van gewoontewitwassen.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om verdachte vrij te spreken voor feit 2 (het witwassen). Hij heeft daartoe aangevoerd dat de aangetroffen geldbedragen niet van misdrijf afkomstig zijn, maar van de opbrengsten uit het bedrijf van de heer [persoon 1], de schoonvader van verdachte (hierna: [persoon 1]), die een bedrijf in zonnepanelen had. De verklaring van verdachte hierover is concreet, verifieerbaar en op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijk. Daarnaast stelt de raadsman dat er überhaupt onvoldoende omstandigheden uit het dossier blijken die het witwasvermoeden doen gelden. Verdachte moet daarom worden vrijgesproken, aldus de raadsman.
Ten aanzien van feit 3 (het bezit van de cocaïne en de XTC-pil) heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1
Ten aanzien van feit 2 (witwassen)
Bij de beoordeling of sprake is van witwassen geldt het volgende. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan witwassen worden bewezen als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is. Het ligt op de weg van het Openbaar Ministerie om zicht te bieden op het bewijs waaruit zodanige feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid. Als de aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen mag van verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld. Indien verdachte een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de herkomst van het geldbedrag, dan ligt het vervolgens op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaring van verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het geldbedrag. Uit de resultaten van dergelijk onderzoek zal moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het geldbedrag waarop de verdenking betrekking heeft een legale herkomst heeft en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.
Ten aanzien van het vermoeden van witwassen overweegt de rechtbank als volgt. Op 1 december 2025 is de woning aan de [adres 2] doorzocht. Dit betrof de woning van de partner van verdachte. Verdachte stond niet ingeschreven op dit adres, maar verbleef daar wel regelmatig. Tijdens deze doorzoeking zijn de in de tenlastelegging genoemde geldbedragen aangetroffen in een koffer op de zolder, achter een schot dat moest worden opengeschroefd. Het betrof zowel euro’s als Zwitserse franken. Het geld was verpakt in gesealde pakketten die bijna allemaal waren voorzien van een label waaruit de hoogte van het bedrag in het pakket bleek, bijvoorbeeld ‘30k’ en ‘50k’ (de rechtbank begrijpt: 30.000,- en 50.000,-). Bovendien waren er bundels van briefjes van 100 euro, welke in het reguliere betalingsverkeer niet meer worden geaccepteerd. De enige legale inkomsten van verdachte kwamen voort uit een bijstandsuitkering en verklaren de aanwezigheid van de grote hoeveelheden contant geld niet. Naast het geld zijn in dezelfde woning drugs aangetroffen, met daarbij onder meer weegschaaltjes. Ook blijkt uit onderzoek naar aangetroffen telefoons in de woning dat daarop gesprekken over vermoedelijke drugshandel worden gevoerd.
Hoewel een gronddelict niet kan worden vastgesteld, vormen de bovenstaande omstandigheden naar het oordeel van de rechtbank voldoende reden om een vermoeden van witwassen aan te nemen.
De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of verdachte een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft afgelegd waaruit blijkt dat het aangetroffen geld een legale herkomst heeft.
Over de herkomst van het geld heeft verdachte op 4 december 2025 bij de rechter-commissaris verklaard dat hij het geld moest verstoppen van iemand en dat hij wegens zijn veiligheid geen namen kan geven. In een nader politieverhoor op 6 februari 2026 heeft verdachte verklaard dat hij het geld voor iemand in bewaring heeft genomen, dat hij weet dat het op legale wijze is verdiend en dat hij dit zal aantonen als hij vrijkomt. In aanloop naar de zitting heeft de raadsman op 23 mei 2026 stukken toegestuurd die volgens verdachte betrekking hebben op de herkomst van de gelden en aangegeven dat het geld van [persoon 1] is. De stukken betreffen bankafschriften van [persoon 1] en financiële administratie en facturen van het bedrijf [naam bedrijf].
Pas op de zitting heeft verdachte een uitgebreide verklaring afgelegd over de herkomst van het geld. De verklaring van verdachte komt erop neer dat het geld van zijn schoonvader [persoon 1] is, die een bedrijf genaamd [naam bedrijf] heeft waarmee hij het geld op legale wijze heeft verdiend. In 2025 is verdachte benaderd door [persoon 1] en kreeg verdachte de opdracht om het geld in ontvangst te nemen en te bewaren. Verdachte weet niet meer op welke datum dit was. Het geld is door klanten van [naam bedrijf] contant betaald in Turkije en Nederland binnengekomen middels ondergronds bankieren. Verdachte heeft een adres doorgegeven waar de overdracht kon plaatsvinden. Hij kreeg een code van [persoon 1], die hij moest geven aan de persoon met het geld. Hij weet niet wie de persoon was die hem het geld heeft gegeven. Verdachte heeft het geld in bewaring genomen. Hij heeft het geteld en er extra elastiekjes om gedaan.
De rechtbank acht de verklaring die verdachte op de zitting heeft gegeven ongeloofwaardig en daarmee hoogst onwaarschijnlijk. De rechtbank stelt vast dat de naam van de vermeende eigenaar van het geld pas kort voor de zitting voor het eerst is genoemd. Verdachte heeft zelf pas voor het eerst op de terechtzitting verklaard over de herkomst van het geld, terwijl hij ruimschoots de gelegenheid heeft gehad om hierover voor die tijd te verklaren. De rechtbank stelt vast dat de verklaring die verdachte op de zitting heeft gegeven tegenstrijdig is aan de eerdere verklaring van verdachte dat hij het geld moest verstoppen en dat hij wegens zijn veiligheid geen namen kan geven. Dat is naar het oordeel van de rechtbank niet te rijmen met zijn latere verklaring dat het geld legaal verdiend is. Verder stelt verdachte zelf dat het geld in zijn bezit is gekomen via een netwerk van ondergronds bankieren. Dergelijke netwerken worden doorgaans alleen gebruikt in het crimineel circuit en niet voor geldbedragen die op legale wijze zijn verdiend. Daarnaast weet verdachte niet wie het geld heeft geleverd en kan hij de datum waarop en de periode waarin de overdracht van het geld heeft plaatsgevonden niet noemen. Ook dit maakt zijn verklaring ongeloofwaardig. De rechtbank is gelet op het voorgaande dan ook van oordeel dat de verklaring die verdachte heeft gegeven hoogst onwaarschijnlijk is.
De stukken die door de verdediging zijn overgelegd laten naar het oordeel van de rechtbank enkel zien dat sprake is (geweest) van een bedrijf waaruit inkomsten zijn gegenereerd. Dat deze specifieke aangetroffen contante geldbedragen betrekking hebben op de inkomsten van [naam bedrijf], blijkt uit de overgelegde stukken echter niet. Ook komen de geldbedragen uit de stukken qua hoogte niet overeen met de geldbedragen die zijn opgenomen in de tenlastelegging. Verder is gebleken dat het bedrijf [naam bedrijf] in 2023 is uitgeschreven uit de Kamer van Koophandel (KvK), terwijl het betreffende KvK-nummer en adres nog wel genoemd worden op later gedateerde facturen.
Naar het oordeel van de rechtbank is er dan ook geen andere conclusie mogelijk dan dat de in de tenlastelegging opgenomen geldbedragen onmiddellijk of middellijk afkomstig zijn uit enig misdrijf. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen van de in de tenlastelegging genoemde geldbedragen. De rechtbank spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde gewoontewitwassen, nu het dossier daarvoor geen bewijs bevat.
4.3.2
Ten aanzien van feit 3 (drugsbezit)
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte ongeveer 8 gram cocaïne en een XTC-pil opzettelijk aanwezig heeft gehad. Verdachte heeft bekend dat deze drugs in de woning aan de [adres 2] van hem waren.

5.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
Ten aanzien van feit 2:
op 1 december 2025 geldbedragen, te weten:
- een geldbedrag van in totaal 238.320,00 euro en
- een geldbedrag van in totaal 128.400 Zwitserse franken (omgerekend 137.827,39

euro), voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;

Ten aanzien van feit 3:
op 1 december 2025 te Vleuten opzettelijk aanwezig heeft gehad
- ongeveer 8 gram cocaïne
- 1 XTC-pil.

6.De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8.Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 2 en 3 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met daarbij de oplegging van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht. Deze straf kan worden aangevuld met een taakstraf. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat het geen toegevoegde waarde heeft als verdachte terug naar de gevangenis moet, omdat hij zijn leven inmiddels op orde heeft. Hij heeft onlangs een eigen transportbedrijf waarvoor hij een bus heeft geleaset en hij heeft een kind gekregen. Een terugkeer naar de gevangenis zou betekenen dat zijn schulden oplopen en hij zijn inkomsten kwijt zou raken.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van criminele geldbedragen die samen een waarde van ongeveer 375.000 euro vertegenwoordigen. Hij heeft hierdoor de integriteit van het financiële en economische verkeer aangetast. Ook heeft verdachte een gebruikershoeveelheid harddrugs aanwezig gehad. Harddrugs vormen risico’s voor de gezondheid en veiligheid van de gebruikers en anderen.
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 3 juni 2026. Hieruit blijkt dat verdachte in de afgelopen jaren meermaals is veroordeeld voor strafbare feiten.
De rechtbank heeft daarnaast acht geslagen op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Het oriëntatiepunt voor fraude met een bedrag van tussen de € 250.000,- en € 500.000,- is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van tussen de twaalf en achttien maanden. Deze oriëntatiepunten hebben echter betrekking op alle vormen van fraude en niet specifiek op witwassen.
Tot slot heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsrapport van Reclassering Nederland van 26 februari 2026, opgemaakt door [persoon 2]. Hieruit blijkt dat de reclassering een beginnend delictpatroon constateert. Ook vindt de reclassering het zorgelijk dat sprake is van een verdenking van ernstige strafbare feiten, nadat verdachte een begeleidingstraject bij de reclassering in 2025 positief heeft afgerond. Volgens de reclassering is sprake van instabiliteit in het leven van verdachte. Hij heeft geen gestructureerde dagbesteding en ontvangt een bijstandsuitkering. Het risico op recidive kan niet worden ingeschat. Het risico op onttrekking aan voorwaarden wordt ingeschat als laag, omdat verdachte zich in het verleden ook heeft gehouden aan de voorwaarden van de reclassering. Door de reclassering wordt de oplegging van een deels voorwaardelijke straf geadviseerd, met daarbij als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering en de verplichting tot het vinden en houden van passende dagbesteding.
De rechtbank is van oordeel dat op basis van alle hierboven genoemde omstandigheden in combinatie met het reclasseringsrapport, een deels voorwaardelijke gevangenisstraf passend is. De rechtbank acht het daarbij belangrijk dat een relatief groot deel van deze straf voorwaardelijk wordt opgelegd, om verdachte ervan te weerhouden om in de toekomst soortgelijke strafbare feiten te plegen. De rechtbank ziet onvoldoende toegevoegde waarde in de voorgestelde reclasseringsbegeleiding, nu verdachte in het verleden positief een traject bij de reclassering heeft afgerond en desondanks opnieuw de fout in is gegaan. De rechtbank acht de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf van 21 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, passend en geboden.

9.Beslag

Onder verdachte zijn meerdere geldbedragen en een blok hasj in beslag genomen.
Verbeurdverklaring
Er zijn bedragen van € 238.320,- en € 137.827,- in beslag genomen. Dit zijn de geldbedragen die verdachte volgens de bewezenverklaring heeft witgewassen. Ten aanzien van de € 137.827,- geldt dat dit de Zwitserse franken zijn waarvan de waarde is omgerekend naar euro’s. Nu met betrekking tot deze geldbedragen het onder feit 2 bewezen verklaarde is gepleegd, zal de rechtbank deze geldbedragen verbeurd verklaren.
Ten aanzien van de in beslag genomen € 150,- merkt de rechtbank op dat dit bedrag eveneens afkomstig is uit de koffer, maar niet gescand kon worden waardoor het separaat in beslag is genomen. Dit geldbedrag volgt daarom hetzelfde oordeel en zal worden verbeurdverklaard.
Onttrekking aan het verkeer
Onder feit 3 is bewezen verklaard dat verdachte opzettelijk in strijd heeft gehandeld met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod. Hoewel het blok Hasj niet onder de reikwijdte van artikel 2 van Pro de Opiumwet valt omdat het niet op lijst I van de Opiumwet vermeld staat, is hasj wel opgenomen op lijst II van de Opiumwet en valt het onder artikel 3 van Pro diezelfde wet. Naar het oordeel van de rechtbank kan het blok hasj dan ook dienen tot het begaan van soortgelijke feiten als het onder feit 3 bewezen verklaarde. Bovendien is het van zodanige aard, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. Het blok hasj zal dan ook worden onttrokken aan het verkeer.
Teruggave
Er is ook een geldbedrag van € 36.580,- in beslag genomen. Dit geldbedrag komt niet voor op de tenlastelegging en de officier van justitie heeft op de zitting expliciet aangegeven dat het geldbedrag daar niet onder valt. Dit geldbedrag is daarom niet vatbaar voor verbeurdverklaring. Verdachte heeft verklaard dat het geldbedrag van zijn partner is. Het geldbedrag zal daarom worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende.

10.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36b, 36d, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

11.Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 2:
witwassen
Ten aanzien van feit 3:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
21 maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot 12 maanden, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaar vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Verklaart verbeurd:
  • 875536 (238.320 euro)
  • 876740 (137,827 euro)
  • 876807 (150 euro)
Verklaart onttrokken aan het verkeer:
875534 (blokje hasj)
Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:
875478 (36.580 euro)
Dit vonnis is gewezen door
mr. W.M.C. van den Berg, voorzitter,
mrs. D. Bode en A.R. Vlierhuis, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.D.N. Tool, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 juni 2026.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
[...]
[...]

[...]

[...]

[...]