ECLI:NL:RBAMS:2026:7096

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
13/346093-25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 144 SrArt. 2.32 APV AmsterdamArt. 2.33 APV Amsterdam
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak vernieling en verstoring betoging op Dam Amsterdam wegens onvoldoende bewijs

Op 17 december 2025 vond op de Dam in Amsterdam een bijeenkomst plaats georganiseerd door 'Op de bres voor Israël'. Tijdens deze bijeenkomst werden op twee verschillende momenten rode vloeistoffen gegooid, waarbij goederen zoals een Israëlische vlag en kleding werden geraakt. Verdachte werd ervan beschuldigd deze vernielingen te hebben gepleegd en de betoging te hebben verstoord.

De rechtbank stelde vast dat verdachte alleen betrokken was bij het tweede incident waarbij rode vloeistof over de menigte werd gegooid. Omdat niet kon worden vastgesteld dat verdachte de vernielingen aan alle genoemde goederen had gepleegd, sprak de rechtbank hem vrij van vernieling. Daarnaast oordeelde de rechtbank dat de betoging niet geoorloofd was omdat het dossier geen bewijs bevatte dat aan de vereisten van de Algemene Plaatselijke Verordening was voldaan, waardoor verdachte ook werd vrijgesproken van verstoring van een geoorloofde betoging.

De benadeelde partijen vorderden schadevergoeding, maar deze vorderingen werden niet-ontvankelijk verklaard vanwege de vrijspraak. De rechtbank bepaalde dat verdachte en de benadeelde partijen ieder hun eigen kosten dragen.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken van vernieling en verstoring van een geoorloofde betoging wegens onvoldoende bewijs en het ontbreken van bewijs dat de betoging geoorloofd was.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/346093-25
Datum uitspraak: 9 juli 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997,
wonende op het adres [adres] , [woonplaats] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 25 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. B. van Duijn en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. I.I. Herremans naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Verdachte wordt er - kort gezegd - van beschuldigd dat hij op 17 december 2025 in Amsterdam:
Feit 1:opzettelijk en wederrechtelijk goederen die geheel of ten dele aan anderen toebehoorden, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.
Feit 2:door het verwekken van wanorde of maken van gedruis een geoorloofde betoging opzettelijk heeft verstoord.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Vrijspraak

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van alle feiten. De standpunten van de officier van justitie worden - voor zover van belang - besproken in paragraaf 3.3.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte van alle feiten moet worden vrijgesproken. De standpunten van de raadsvrouw worden - voor zover van belang - besproken in paragraaf 3.3.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht hetgeen onder feit 1 en feit 2 is ten laste gelegd niet bewezen, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
3.3.1.
Feiten en omstandigheden
Op 17 december 2025 heeft op de Dam in Amsterdam een bijeenkomst, georganiseerd door de organisatie ‘Op de bres voor Israël’, plaatsgevonden. De rechtbank stelt vast dat er gedurende die bijeenkomst op twee verschillende momenten en op twee verschillende plekken op de Dam incidenten hebben plaatsgevonden, waar meerdere personen bij betrokken waren.
Het eerste incident vond plaats bij een grote Israëlische vlag die boven het aanwezige publiek werd uitgerold en later weer ingerold. Tijdens het weer oprollen van de vlag werd er op korte afstand van de vlag vanuit de menigte een rode vloeistof op de vlag gegooid, waarbij ook meerdere kledingstukken van mensen werden geraakt door de vloeistof. Het dossier bevat geen bewijs dat verdachte de persoon is geweest die rode vloeistof heeft gegooid tijdens dit eerste moment.
Enkele minuten later vindt er opnieuw een incident plaats. Op basis van het dossier stelt de rechtbank vast dat verdachte wel betrokken is geweest bij dit tweede moment. Uit het dossier blijkt namelijk dat verdachte tijdens dat moment rode vloeistof over de menigte heeft gegooid en dat daardoor meerdere mensen werden geraakt door de vloeistof. Direct na dit moment is de wegrennende verdachte aangehouden.
3.3.2.
Vrijspraak feit 1
Voor een bewezenverklaring van vernieling, zoals onder feit 1 ten laste is gelegd, moet de rechtbank kunnen vaststellen dat verdachte de persoon is geweest die de in de tenlastelegging genoemde goederen heeft beschadigd of vernield.
Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat dit niet kan worden vastgesteld, nu het gaat om twee momenten, op verschillende plekken, waarbij in beide gevallen rode vloeistof is gegooid. Nu betrokkenheid van verdachte aan slechts één van beide momenten kan worden vastgesteld en op basis van het dossier niet van alle in de tenlastelegging genoemde Israëlische vlaggen, kledingstukken en een protestbord kan worden vastgesteld op welk moment de rode vloeistof op de genoemde goederen terecht is gekomen, leidt dit er dan ook toe dat de rechtbank verdachte vrijspreekt van de onder feit 1 ten laste gelegde vernieling.
3.3.3.
Vrijspraak feit 2
Onder feit 2 wordt verdachte verweten een geoorloofde betoging te hebben verstoord.
De rechtbank is van oordeel dat de bijeenkomst op de Dam op 17 december 2025 is aan te merken als een betoging, nu het ging om een groep mensen die op een openbare plaats een of meer gemeenschappelijke meningen, gevoelens en/of wensen op politiek of maatschappelijk gebied uitdroegen.
Voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 144 Wetboek Pro van Strafrecht (hierna: Sr) opgenomen bestanddeel "geoorloofde", moet uit de bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid dat het ging om een betoging die voldeed aan de daarvoor geldende vereisten.
In Amsterdam zijn deze vereisten neergelegd in de artikelen 2.32 en 2.33 van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 (hierna: APV). Op grond van artikel 2.32 APV dient degene die een betoging op een openbare plaats wil organiseren de burgemeester daarvan ten minste 48 uur vóór aanvang schriftelijk in kennis te stellen. Vervolgens ontvangt de organisator op grond van artikel 2.33 APV een bewijs van ontvangst van die kennisgeving.
De rechtbank stelt vast dat het dossier geen bewijs bevat waaruit kan worden afgeleid dat de betoging voldeed aan de daarvoor geldende vereisten, en dus “geoorloofd” was in de zin van artikel 144 Sr Pro. De rechtbank zegt daarmee uitdrukkelijk
nietdat de betoging naar haar oordeel daarmee dus ongeoorloofd was. De vaststelling dat het ging om een geoorloofde betoging kan op basis van de stukken in het dossier simpelweg niet worden gedaan.
Dat het dossier aanwijzingen bevat dat de betoging geoorloofd was en dat niet blijkt dat de betoging ongeoorloofd was, zoals door de officier van justitie is gesteld, is voor de rechtbank onvoldoende om te kunnen vaststellen dat de betoging voldeed aan de daarvoor geldende vereisten en daarmee dus geoorloofd was.
De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onder 2 tenlastegelegde.

4.Vorderingen benadeelde partijen

De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert € 49,- aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De benadeelde partij [benadeelde partij 2] vordert € 261,50 aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De benadeelde partij [benadeelde partij 3] vordert € 63,50 aan vergoeding van materiële schade en € 250,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van [benadeelde partij 1] geheel kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De officier van justitie heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat de vorderingen van [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard, omdat die onvoldoende onderbouwd zijn.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft primair verzocht om alle benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen vanwege de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om niet-ontvankelijkheid, onder meer omdat er onvoldoende verband bestaat tussen het handelen van verdachte en de gestelde schade.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
Alle benadeelde partijen zullen in hun vorderingen niet-ontvankelijk worden verklaard, nu de verdachte van de feiten waarop de vorderingen betrekking hebben wordt vrijgesproken.
De rechtbank zal bepalen dat de verdachte en de benadeelde partijen ieder de eigen kosten dragen die in verband met deze vorderingen zijn gemaakt.

5.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing:
Verklaart
niet bewezenhetgeen verdachte onder
feit 1 en feit 2is ten laste gelegd en
spreektverdachte daarvan
vrij.
Verklaart de
benadeelde partij [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijkin de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Verklaart de
benadeelde partij [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijkin de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Verklaart de
benadeelde partij [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijkin de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J. Thomas, voorzitter,
mrs. A.E. Wilbrink en M.P.N. Gommers, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.A.B. Fransen en S.B. le Noble, griffiers,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 juli 2026.