ECLI:NL:RBAMS:2026:7127
Rechtbank Amsterdam
- Op tegenspraak
- Rechtspraak.nl
Toewijzing vordering tot ontruiming woning na vaststellingsovereenkomst zonder huurovereenkomst
De zaak betreft een vordering tot ontruiming van een woning door de mede-eigenaar, nadat een vaststellingsovereenkomst was gesloten met de gebruiker die zonder recht of titel verbleef. De gebruiker stelde dat een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd was ontstaan, maar de rechtbank volgde de lijn van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2025:167) dat de vaststellingsovereenkomst slechts uitstel bood voor ontruiming en geen huurovereenkomst tot stand kwam.
Feitelijk was de gebruiker zonder recht of titel in de woning aanwezig, en de eigenaar had hem meerdere malen tot ontruiming gemaand. De vaststellingsovereenkomst was bedoeld om de illegale bewoning te beëindigen en de gebruiker tijdelijk uitstel te geven tot 1 juni 2026. De rechtbank oordeelde dat de overeenkomst niet als huurovereenkomst kon worden gekwalificeerd, ook al werd er een vergoeding betaald.
De vordering tot ontruiming werd toegewezen met een termijn van twee maanden na betekening van het vonnis. De gevorderde contractuele boete werd afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang. De gebruiker werd veroordeeld tot betaling van proceskosten en wettelijke rente. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De vordering tot ontruiming van de woning wordt toegewezen en de gedaagde wordt veroordeeld tot ontruiming binnen twee maanden na betekening.