ECLI:NL:RBAMS:2026:7152

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
13/232018-25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 WVW 1994Art. 8 WVW 1994Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verkeersongeval door aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag onder invloed van alcohol

Op 21 december 2024 veroorzaakte verdachte een frontale aanrijding op de Beneluxbaan te Amstelveen door het verliezen van de macht over het stuur. Verdachte reed onder invloed van alcohol (1,86 mg/ml) en was vermoeid. Door haar rijgedrag kwam zij op de weghelft van het tegemoetkomende verkeer terecht, wat leidde tot een ongeval met zwaar lichamelijk letsel bij een van de slachtoffers.

De rechtbank oordeelde dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gehandeld, waardoor het ongeval aan haar schuld te wijten is. Verdachte kon zich niet herinneren hoe het ongeval ontstond, wat haar onvoldoende oplettendheid illustreert. Het letsel van één slachtoffer werd als ernstig genoeg beoordeeld om tijdelijke ziekte en verhindering vast te stellen.

De rechtbank sprak verdachte vrij van het subsidiaire ten laste gelegde en stelde vast dat verdachte strafbaar is. De strafmaat werd bepaald op een taakstraf van 140 uur, waarvan 70 uur voorwaardelijk, en een rijontzegging van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk. De rechtbank hield rekening met persoonlijke omstandigheden, eerdere veroordelingen en het reclasseringsadvies.

De uitspraak werd gewezen door de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam op 16 juli 2026 na een zitting op 2 juli 2026. De officier van justitie had een zwaardere straf geëist, maar de rechtbank matigde deze gelet op de omstandigheden en het belang van verdachte bij behoud van haar rijbewijs.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 140 uur (waarvan 70 uur voorwaardelijk) en een rijontzegging van 12 maanden (waarvan 6 maanden voorwaardelijk) wegens aanmerkelijk onvoorzichtig rijden onder invloed met ongeval en letsel.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/232018-25
Datum uitspraak: 16 juli 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1988 te [geboorteplaats] ,
wonende op het [adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van
2 juli 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J.J. Smilde, en van wat verdachte en haar raadsvrouw, mr. M.H. Aalmoes, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging op de zitting, – kort gezegd – ten laste gelegd dat op 21 december 2024 te Amstelveen :
door haar schuld een verkeersongeval heeft plaatsgevonden ten gevolge waarvan [persoon 1] en [persoon 2] (zwaar) lichamelijk letsel werd toegebracht, dan wel (subsidiair) zij zich zodanig heeft gedragen dat daardoor gevaar op de weg werd veroorzaakt.
zij zich schuldig heeft gemaakt aan het besturen van een personenauto na gebruik van een meer dan de toegestane hoeveelheid alcohol.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in de
bijlagedie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie vindt dat de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.
Verdachte heeft aanmerkelijke schuld aan het veroorzaken van het verkeersongeval. Zij is, terwijl zij al vermoeid was en na het drinken van te veel alcohol, in de auto gaan rijden. Op enig moment is zij daarbij op de linker weghelft terecht gekomen en met volle snelheid tegen een tegenligger aangereden. Als het zo is dat een maagverkleining invloed heeft op de mate waarin alcohol in het bloed komt, dan is het aan verdachte zelf om daar wetenschap van te hebben en rekening mee te houden. De slachtoffers uit de andere auto hebben door het ongeval zwaar lichamelijk letsel opgelopen.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 primair ten laste gelegde feit.
De in de tenlastelegging beschreven gedragingen zijn geen afzonderlijke overtredingen van de WVW, maar allemaal beschrijvingen van hetzelfde feitelijke handelen. Verdachte is door één enkele handeling, namelijk het niet op tijd invoegen op de rechterbaan bij een wegversmalling, in een slip terecht gekomen. Dat zij de wegversmalling niet heeft waargenomen kan haar niet in volle omvang worden verweten omdat het donker was en regende. Er is geen sprake van verwijtbare onoplettendheid. Zowel in tijd als in intensiteit was dit een momentopname. Verdachte heeft niet moedwillig onnodige risico’s genomen.
Verdachte heeft een maagverkleining gehad, en daardoor kan alcohol sneller worden opgenomen en sterker aankomen dan daarvoor. De aangetroffen alcoholwaarde is op zichzelf niet voldoende om aan te nemen dat verdachte niet voldoende voorzichtigheid in acht heeft genomen.
Voor wat betreft het onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank en voorts heeft zij opgemerkt dat er sprake is van eendaadse samenloop met feit 2.
Oordeel van de rechtbank
Feitelijke toedracht
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit. [1]
Op 21 december 2024 in de avond reed verdachte in het donker in haar auto (Volkswagen Polo) op de Beneluxbaan te Amstelveen . Verdachte kwam vanaf haar werk in [plaats 1] en was op weg naar huis in [plaats 2] . Aangekomen bij het stuk van de Beneluxbaan gelegen tussen de Hammarskjoldsingel en de Legmeerdijk is verdachte door de middenberm gereden en op de weghelft voor het tegemoetkomende verkeer terechtgekomen. Daar is verdachte frontaal op een tegemoetkomende auto gebotst [2] . De inzittenden van die tegemoetkomende auto, [persoon 1] en [persoon 2] , hebben verklaard als gevolg van het ongeval diverse verwondingen te hebben opgelopen, te weten [persoon 1] een gebroken duim en een gebroken knie [3] , onderbouwd door een letselverklaring [4] , en [persoon 2] een gebroken duim en een breuk in de borstkas [5] .
Uit toxicologisch onderzoek van het bloed van verdachte is vastgesteld dat het alcoholgehalte van haar bloed 1,86 milligram, per milliliter bloed bedroeg [6] .
Schuld in de zin van artikel 6 WVW Pro
Bij de beoordeling van de vraag of een verdachte schuld heeft aan een ongeval in de zin van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 (WVW) komt het volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Het gaat daarbij om aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig of onachtzaam verkeersgedrag waardoor het ongeval en de gevolgen daarvan zijn ontstaan. Dit brengt mee dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van deze bepaling. Voorts verdient het opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin. [7]
Verdachte heeft verklaard dat zij al sinds de voorgaande dag moe was toen zij desondanks op verzoek van haar collega’s eten ging bereiden voor een gezellige avond van haar werk, waar zij zelfniet meer dan een paar wijntjes had gedronken. Zij herinnert zich dat zij tijdens de terugrit kort haar ogen sloot. [8]
Verdachte kan zich niet herinneren hoe het komt dat zij op de weghelft voor het tegemoetkomende verkeer is terechtgekomen. Vast staat dat dit is gebeurd door de middenberm over te steken. De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte onvoldoende rechts is blijven rijden doordat zij de macht over het stuur heeft verloren.
De rechtbank is van oordeel dat het verdachte kwalijk kan worden genomen dat zij onder deze omstandigheden, vermoeid én met alcohol op, toch is gaan rijden en dat het om die reden aan haar schuld te wijten is dat er een ongeval heeft plaatsgevonden.
Dat zij onvoldoende oplettend en voorzichtig is geweest, wordt ook geïllustreerd door het feit dat zij zich niet kan herinneren hoe het ongeval is ontstaan en geen verklaring kan geven voor het feit dat zij op de weghelft voor tegemoetkomend verkeer terecht is gekomen. Van een voldoende voorzichtige verkeersdeelnemer mag worden verwacht dat deze in staat is om op de juiste weghelft te blijven en zodra daar twijfel over mocht bestaan, besluit om niet (verder) te rijden.
Lichamelijk letsel slachtoffers
Wat betreft het letsel van de beide slachtoffers is de rechtbank van oordeel dat kan niet worden vastgesteld dat er sprake is van zwaar lichamelijk letsel als bedoeld in artikel 82 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr). Recente medische stukken over het letsel ontbreken en er is daardoor geen zicht op de ernst en de aard van de verwondingen, de ingrijpendheid van benodigde medische ingrepen en de mate van zicht op volledig herstel.
Wel ziet de rechtbank voldoende aanwijzingen dat het letsel bij [persoon 1] zodanig is (volgens de letselverklaring is sprake van breuken op meerdere plaatsen) dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan voor hem. De rechtbank kan het letsel in het geval van [persoon 2] niet vaststellen, nu voor haar een letselverklaring ontbreekt. Verdachte zal van die delen van de tenlastelegging worden vrijgesproken.
Conclusie
Dit alles maakt dat verdachte door te rijden zoals zij heeft gedaan onverantwoorde risico’s heeft genomen waar het de verkeersveiligheid betreft, met het ongeval als gevolg.
De rechtbank kwalificeert het verkeersgedrag van verdachte als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend, en is derhalve van oordeel dat het ongeval aan haar schuld te wijten is.

5.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de hiervoor in rubriek 4 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

1.primair

op 21 december 2024 te Amstelveen , als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende over de Beneluxbaan, zich zodanig, te weten aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend en onachtzaam heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander, genaamd [persoon 1] , zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan,
immers werd voornoemde [persoon 1] een gebroken duim en een gebroken knie toegebracht, bestaande dat gedrag hieruit:
verdachte heeft gereden over de Beneluxbaan, komende uit de richting van [plaats 1] , en gaande in de richting van [plaats 2] ,
- terwijl de weg vochtig was,
- terwijl het donker was,
- terwijl verdachte onder invloed van alcohol verkeerde,
verdachte is op de Beneluxbaan tussen de Hammarskjoldsingel en de Legmeerdijk, niet uiterst rechts blijven rijden,
verdachte heeft vervolgens de macht over het stuur verloren,
verdachte is vervolgens in de middenberm terecht gekomen en
verdachte is vervolgens de middenberm van de Beneluxbaan overgestoken, en
verdachte is vervolgens op de rijbaan voor tegemoetkomend verkeer terecht gekomen, en
verdachte heeft vervolgens de Beneluxbaan in tegengestelde richting bereden,
verdachte is vervolgens tegen (de rechtbank begrijpt: de auto van) [persoon 1] aangebotst, ten gevolge waarvan die [persoon 1] vorenomschreven zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl verdachte verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste, tweede of derde lid van de Wegenverkeerswet 1994;
2.
op 21 december 2024 te Amstelveen als bestuurder van een motorrijtuig, namelijk als bestuurder van een personenauto, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van haar bloed bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1,86 milligram alcohol per milliliter bloed bleek te zijn;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8.Motivering van de straffen en maatregelen

Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem onder 1 primair en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand met als bijzondere voorwaarden de voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, met een proeftijd van 2 jaren, een taakstraf van 160 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 80 dagen, en een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen (OBM) voor de duur van 2 jaar.
Strafmaatverweer van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om bij een veroordeling voor het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde te volstaan met een taakstraf waarvan de helft voorwaardelijk en met de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, waarbij Amsta als begeleidende instantie zou moeten worden aangewezen. Voorts heeft de raadsvrouw verzocht te volstaan met een (deels) voorwaardelijke OBM. Een onvoorwaardelijke OBM zou voor verdachte zeer belastend zijn. Zij heeft nog heel veel afspraken en is nu aangewezen op aanvullend vervoer waarbij zij telkens een uur van tevoren klaar moet staan.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft een verkeersongeval veroorzaakt waardoor [persoon 1] en [persoon 2] verschillende verwondingen hebben opgelopen. Uit de slachtofferverklaring van [persoon 1] is duidelijk geworden dat hij hiervan in het dagelijkse leven veel hinder heeft ondervonden.
De rechtbank heeft voor wat betreft de strafoplegging gekeken naar straffen die voor vergelijkbare gevallen door rechtbanken en gerechtshoven worden opgelegd. Ook is gekeken naar de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting, die bij een situatie als deze (middelengebruik en lichamelijk letsel) bij aanmerkelijke schuld aan een ongeval zoals de rechtbank die bewezen acht, uitgaan van een onvoorwaardelijke taakstraf van 140 uur en een OBM voor de duur van 18 maanden.
De rechtbank heeft ook gekeken naar de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals deze mede naar voren komen uit wat ter zitting is besproken en uit het door de Reclassering Nederland uitgebrachte reclasseringsadvies van 13 maart 2026. Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 20 mei 2026 blijkt voorts dat verdachte niet eerder voor overtreding van de Wegenverkeerswet is veroordeeld.
De rechtbank weegt ook mee dat het al een wat oudere zaak is en dat verdachte door het ongeval zelf ernstig is getroffen, zowel fysiek als geestelijk. Zelfs is even gevreesd of zij het wel zou overleven.
Alles afwegende komt de rechtbank tot een lagere strafoplegging dan door de officier van justitie is gevorderd. Gelet op de mate van schuld die de rechtbank bewezen acht, de ernst van de verweten gedragingen en de gevolgen daarvan acht de rechtbank, met inachtneming van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, in dit geval een taakstraf van 140 uur, waarvan 70 uur voorwaardelijk, passend en geboden. Nu verdachte uit hoofde van een eerdere veroordeling nog reclasseringsbegeleiding heeft tot april 2027 ziet de rechtbank geen aanleiding om aan de onderhavige voorwaardelijke veroordeling dezelfde bijzondere voorwaarden te verbinden, zoals door de officier van justitie gevorderd en door de raadsvrouw verzocht.
In het kader van de verkeersveiligheid en ter voorkoming van verdere recidive acht de rechtbank daarnaast een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van één jaar op zijn plaats. Gelet op het feit dat verdachte oprecht overkwam in het betuigen van haar spijt op zitting, zij inmiddels zich meer bewust lijkt te zijn van de consequenties van haar maagverkleining, dit een eenmalig incident lijkt te zijn geweest en het belang van verdachte bij behoud van haar rijbewijs in verband met haar vele afspraken, zal deze voor de helft voorwaardelijk worden opgelegd.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 55 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, en op de artikelen 6, 8, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

10.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 1 primair en feit 2
Eendaadse samenloop van:
Overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval
betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.
en
Overtreding van artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.
Ten aanzien van feit 1 primair en feit 2
Veroordeelt verdachte tot een
taakstraf van 140 (honderdveertig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van
70 (zeventig) dagen.
Beveelt dat een gedeelte, groot 70 (zeventig) uren, van deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 jaar vast.
De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.
Ten aanzien van feit 1 primair
Ontzegtverdachte terzake van het onder 1 primair bewezenverklaarde
de bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de tijd van
12 (twaalf) maanden.
Beveelt dat een gedeelte, groot 6 maanden van deze bijkomende straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 jaar vast.
De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.A. Spoel, voorzitter,
mrs. A.S. Dogan en A.R. Vlierhuis, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. West, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 juli 2026.
[…]

Voetnoten

1.Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste digitale nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
2.Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2024304403-7 (p.11-17/179).
3.Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer PL1300-2024304403-8 (p.120-122/179).
4.Een document bevattende een omschrijving van het letsel van [persoon 1] van 18 februari 2025, ondertekend door SEH-arts drs. [persoon 3] .
5.Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer PL1300-2024304403-9 (p.123-125/179).
6.Een geschrift, te weten een rapport van Eurofins Forensics te Brugge d.d. 18 januari 2025, opgemaakt door de toxicoloog, [persoon 4] (p. 152 – 153/179)
7.Zie onder meer de arresten van de Hoge Raad van 1 juni 2004 ECLI:NL:HR:2004:AO5822 en van 29 april
8.Verklaring verdachte ter zitting van 2 juli 2026.