ECLI:NL:RBAMS:2026:7156

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
21 mei 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
C/13/785985 / KG ZA 26-269 NB/EV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:59 BWArt. 6:119 BWArt. 6:127 BWArt. 9 lid 1 Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese UnieArt. 15a Wav
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling openstaande facturen en verstrekking documenten in schoonmaakdiensten hotelsector

In deze kortgedingprocedure vordert [bedrijf 1] betaling van openstaande facturen voor schoonmaakdiensten aan vijf hotelexploitatiemaatschappijen van NH. NH stelt zich op het standpunt dat zij haar betalingsverplichting mag opschorten vanwege het niet verstrekken van documenten die nodig zijn voor naleving van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav), waardoor boetes dreigen.

De rechter oordeelt dat NH op grond van de toepasselijke Inkoopvoorwaarden terecht een opschortingsrecht heeft en dat de vorderingen van [bedrijf 1] onvoldoende aannemelijk zijn om in kort geding toegewezen te worden. De vordering tot betaling wordt daarom afgewezen.

In reconventie wordt [bedrijf 1] veroordeeld om binnen korte termijn de gevraagde documenten te verstrekken, waaronder identiteitsdocumenten, tewerkstellingsvergunningen, A1-verklaringen, arbeidsovereenkomsten en Posted Workers meldingen, voor de gespecificeerde tewerkgestelden. Tevens wordt [bedrijf 1] veroordeeld in de proceskosten en buitengerechtelijke incassokosten.

Uitkomst: Vordering tot betaling openstaande facturen afgewezen; [bedrijf 1] veroordeeld tot verstrekking documenten en betaling incassokosten.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht, voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/13/785985 / KG ZA 26-269 NB/EV
Vonnis in kort geding van 21 mei 2026
in de zaak van
[bedrijf 1],
te [vestigingsplaats 1] ,
eisende partij in conventie bij dagvaarding van 15 april 2026,
gedaagde partij in reconventie,
hierna te noemen: [bedrijf 1] ,
advocaat: mr. B.J. Maes,
tegen

1.DAM 9 B.V.,

te Amsterdam,
2.
[bedrijf 3] .,
te [vestigingsplaats 3] ,
3.
HOTELEXPLOITATIEMAATSCHAPPIJ AMSTERDAM NOORD B.V.,
te Amsterdam,
4.
[bedrijf 2],
te [vestigingsplaats 2] ,
5.
PALATIUM AMSTELODAMUM N.V.,
te Amsterdam,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: NH,
advocaten: mr. M.I. Nijenhof-Wolters en mr. Q. Schier.

1.De procedure

Op de mondelinge behandeling van 7 mei 2026 is namens [bedrijf 1] verschenen [naam 1] (bestuurder) met mr. Maes. Namens NH zijn verschenen [naam 2] (HR business partner), [naam 3] (juridisch directeur NH Hotels) en [naam 4] (Operations) met mr. Nijenhof-Wolters en mr. Schier. [bedrijf 1] heeft de vorderingen zoals omschreven in de dagvaarding toegelicht aan de hand van een pleitnota. NH heeft verweer gevoerd, mede aan de hand van een vooraf ingediende conclusie van antwoord en een pleitnota. Ook heeft zij een tegenvordering (eis in reconventie) ingesteld die door [bedrijf 1] is bestreden. Beide partijen hebben producties ingediend. Vonnis is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[bedrijf 1] verleent facilitaire- en schoonmaakdiensten ten behoeve van de hotelsector. Zij zet daarbij ingeleende vreemdelingen in om de werkzaamheden uit te voeren, via haar Poolse subcontractors Job-Job Sp.z.o.o. en Job-Job Services Sp.zo.o. [bedrijf 1] heeft in 2025 en begin 2026 haar diensten verleend aan vijf hotelexploitatiemaatschappijen van NH. De samenwerking is door NH beëindigd.
2.2.
Ten tijde van dagvaarden had NH een bedrag van € 180.168,61 aan onbetaalde facturen openstaan ten aanzien van de door [bedrijf 1] verrichte werkzaamheden.
2.3.
In januari 2026 heeft de Nederlandse Arbeidsinspectie (hierna: NLA) een inspectie verricht bij twee hotels van NH. De NLA-inspecteur heeft NH naar aanleiding van de inspectie bij Anantara Grand Hotel Krasnapolsky verzocht om onder meer een overzicht te verstrekken van alle arbeidskrachten die door [bedrijf 1] zijn ingeleend over de periode van 1 mei tot 1 december 2025 met identiteitsdocumenten, overeenkomsten, werkvergunningen en A1-verklaringen. NH heeft [bedrijf 1] op 30 januari 2026 verzocht de identiteitsdocumenten en verblijfsvergunningen van de betrokken arbeidskrachten op uiterlijk 2 februari 2026 aan haar te verstrekken. [bedrijf 1] heeft de stukken niet overhandigd.
2.4.
Op 12 februari 2026 heeft [bedrijf 1] laten weten dat zij bereid is om de gevraagde documenten te verstrekken, mits NH tegelijkertijd de openstaande facturen betaalt.
2.5.
Op 24 februari 2026 heeft NH aan [bedrijf 1] medegedeeld dat zij betaling van de facturen heeft opgeschort totdat alle documenten zijn aangeleverd en de arbeidsinspectie duidelijkheid heeft verschaft.

3.Het geschil in conventie

3.1.
Samengevat vordert [bedrijf 1] :
I. DAM 9 B.V. te veroordelen tot betaling aan [bedrijf 1] van een bedrag van € 147.249,63 (inclusief rente en buitengerechtelijke incassokosten);
II. [bedrijf 3] . te veroordelen tot betaling aan [bedrijf 1] van een bedrag van € 19.776,00 (inclusief rente en buitengerechtelijke incassokosten);
III. HEM Amsterdam Noord B.V. te veroordelen tot betaling aan [bedrijf 1] van een bedrag van € 15.357,01 (inclusief rente en buitengerechtelijke incassokosten);
IV. [bedrijf 2] te veroordelen tot betaling aan [bedrijf 1] van een bedrag van € 290,62 (inclusief rente en buitengerechtelijke incassokosten);
V. Palatium Amstelodamum N.V. te veroordelen tot betaling aan [bedrijf 1] van een bedrag van € 4.706,91 (inclusief rente en buitengerechtelijke incassokosten);
VI. (ten aanzien van vorderingen I t/m V) al dan niet bij wijze van voorschot totdat daarover een einduitspraak in een eventuele bodemprocedure zal zijn gedaan, vermeerderd met de wettelijke rente;
VII. NH hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover;
VIII. NH hoofdelijk te veroordelen in de nakosten.
3.2.
[bedrijf 1] legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag. [bedrijf 1] stelt dat NH in verzuim verkeert en vordert betaling van de openstaande facturen. NH mag haar betalingsverplichting niet opschorten. Zij heeft als opdrachtgever een eigen wettelijke verplichting om identiteitsdocumenten van de tewerkgestelden in haar administratie op te nemen, die zij kennelijk niet heeft nageleefd. Zelfs indien NH een opschortingsrecht zou toekomen, staat dat niet in redelijke verhouding tot de omvang van de opgeschorte betalingsverplichtingen. De boete voor een schending van de identificatie- en verificatieplicht naar aanleiding van een inspectie door de NLA bedraagt slechts € 1.500,00, ongeacht het aantal betrokken arbeidskrachten. Overigens heeft van gedaagden alleen Dam 9 B.V. (Anantara Grand Hotel Krasnapolsky) inspectie gehad van de NLA, wat betekent dat de overige vier gedaagden in het geheel geen grondslag hebben voor opschorting van hun betalingsverplichting. Bovendien wacht NH met betalen op ‘duidelijkheid vanuit de arbeidsinspectie’, hetgeen jaren kan duren. [bedrijf 1] heeft herhaaldelijk haar bereidheid getoond om de gevraagde stukken te verstrekken en deze staan al sinds begin maart 2026 klaar. Zij wil echter gelijk oversteken.
3.3.
NH voert verweer. Zij beroept zich op opschorting van haar betalingsverplichting. [bedrijf 1] is op grond van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: Wav) verplicht om de identiteitsdocumenten van de tewerkgestelde vreemdelingen bij aanvang van de arbeid aan NH te verstrekken, zodat zij deze in haar administratie kan opnemen. [bedrijf 1] heeft de stukken nooit overhandigd. Toen NH in januari 2026 werd geconfronteerd met een inspectie, kon zij de NLA niet van de benodigde documenten voorzien. Zij heeft de stukken (opnieuw) bij [bedrijf 1] opgevraagd om alsnog aan haar wettelijke verplichting te voldoen, maar [bedrijf 1] weigerde dit (wederom), met als gevolg dat de NLA oplegging van een boete heeft aangekondigd. NH wil die boete met de openstaande facturen van [bedrijf 1] verrekenen. Het opschortingsrecht is bedoeld om de wederpartij tot nakoming te dwingen en geeft bij verrekening de zekerheid dat de vordering wordt voldaan. De NLA heeft bij de inspectie aangekondigd ook bij de andere hotels van NH langs te gaan, waardoor NH vreest dat meer boetes zullen volgen. [bedrijf 1] is met haar weigering tekortgeschoten in haar wettelijke en contractuele verplichting om de stukken tijdig aan NH te verstrekken en verantwoordelijk voor de schade die NH als gevolg hiervan lijdt.

4.Het geschil in reconventie

4.1.
Op haar beurt vordert NH samengevat:
I. [bedrijf 1] te gebieden om binnen 3 dagen na betekening van dit vonnis een afschrift van de documenten zoals uiteengezet in randnummer 3.1 van de eis in reconventie aan NH te verstrekken, op straffe van een dwangsom van € 10.000,00 per dag(deel);
II. [bedrijf 1] te veroordelen in de buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover;
III. [bedrijf 1] te veroordelen in de proceskosten, inclusief nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover.
4.2.
De standpunten van partijen in reconventie komen overeen met hetgeen zij in conventie naar voren hebben gebracht.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5.De beoordeling

In conventie
5.1.
De vorderingen van [bedrijf 1] strekken tot betaling van een geldsom. Voor toewijzing van een dergelijke vordering is in kort geding slechts plaats, als het bestaan en de omvang van de vordering voldoende aannemelijk zijn en uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is. Het moet voldoende aannemelijk zijn dat de vordering in een eventuele bodemprocedure wordt toegewezen.
5.2.
Het is tussen partijen niet in geschil dat NH facturen heeft openstaan ten aanzien van door [bedrijf 1] verrichte werkzaamheden. NH beroept zich echter op opschorting van de betaling daarvan, omdat [bedrijf 1] haar verplichting tot overlegging van de stukken niet nakomt. Opschorting van de betalingsverplichting is (ook tot verhaal van de dreigende boete) toegestaan op grond van de tussen partijen geldende Inkoopvoorwaarden. Deze zijn van toepassing omdat in correspondentie (productie 5 van NH) [bedrijf 1] aan de toepasselijkheid daarvan heeft gerefereerd en de toepasselijkheid daarmee erkent. Gelet op artikel 10 lid 4 van Pro de Inkoopvoorwaarden geldt dit opschortingsrecht ook voor de hotels waar (nog) geen inspectie is geweest. In artikel 50 lid 3 van Pro de Inkoopvoorwaarden is immers opgenomen dat [bedrijf 1] aansprakelijk is voor alle schade uit boetes (in het kader van de Wav).
“Artikel 10 (…)
4. In afwijking van artikel 6:127 BW Pro, zijn Minor en/of Coperama
(NH)te allen tijde bevoegd de vorderingen van Leverancier op Minor en/of Coperama, uit welke hoofde dan ook, te verrekenen met verschuldigde bedragen van de Leverancier
( [bedrijf 1] )aan Minor en/of aan Minor gelieerde ondernemingen, inclusief Coperama, ongeacht of die vorderingen of verschuldigde bedragen geheel of gedeeltelijk opeisbaar zijn (…).”
“Artikel 50
3. Leverancier
( [bedrijf 1] )ziet erop toe dat een ketenpartner zich houdt aan alle verplichtingen in het kader van deze Overeenkomst en de werkopdracht. Leverancier is aansprakelijk en vrijwaart Minor
(NH)voor alle schade die het gevolg is van gedragingen en/of nalatigheden van ketenpartners, als zijnde zijn eigen gedragingen en/of nalatigheden. Daaronder vallen onder meer door Minor te betalen loonvorderingen (bijvoorbeeld in het kader van de WAS), boetes (bijvoorbeeld in het kader van de Waadi of Wav) en belastingen/premies/rente/boetes (bijvoorbeeld in het kader van de inlenersaansprakelijkheid). Deze Overeenkomst beoogt niet een contractuele relatie te creëren tussen Minor en een door Leverancier gecontracteerde ketenpartner.”
5.3.
Het standpunt van [bedrijf 1] dat op grond van de Wav in de praktijk nooit een boete hoger dan € 1.500,00 zou worden opgelegd, maakt dit niet anders. Die matiging tot het boetebedrag voor één overtreding, geldt alleen er als geen schending is van artikel 15a Wav. Die schending kan in dit geval echter niet worden uitgesloten. De NLA heeft aan NH aangekondigd dat er een boete zal volgen. De exacte hoogte van die boete moet nog blijken. Er kan thans niet van worden uitgegaan dat de boete zal worden gematigd, zoals [bedrijf 1] heeft gesteld.
5.4.
Nu aan NH de bevoegdheid toekomt om haar betalingsverplichting op te schorten, kan niet worden vooruit gelopen op een toewijzing door de bodemrechter van de geldvorderingen van [bedrijf 1] . De vorderingen van [bedrijf 1] zijn in dit kort geding dan ook niet toewijsbaar.
In reconventie
5.5.
NH vordert een afschrift van de documenten zoals uiteengezet in randnummer 3.1 in haar conclusie van antwoord:
“3.1 (…) NH vordert de onderstaande gegevens van alle vreemdelingen die via [bedrijf 1] bij gedaagden sub 1 t/m 5 werkzaam zijn geweest in de afgelopen 5 jaar:
i. De identiteitsdocumenten;
ii. De tewerkstellingsvergunning of gecombineerde vergunning voor arbeid en verblijf, en indien een dergelijke vergunning niet benodigd zou zijn, de UWV- melding;
iii. De A1 verklaring;
iv. Een afschrift van de arbeidsovereenkomst;
v. Een Posted Workers melding.”
5.6.
[bedrijf 1] verzet zich niet tegen afgifte van de gevorderde stukken onder i, ii, iii en v, zo blijkt uit de dagvaarding en hetgeen is bevestigd tijdens de mondelinge behandeling. Zij stelt daaraan wel de voorwaarde dat de in conventie aan de orde zijnde facturen moeten worden voldaan. Zoals hiervoor is overwogen komt aan NH het recht tot opschorting toe. Door het beroep op opschorting door NH verkeert [bedrijf 1] in schuldeisersverzuim (artikel 6:59 BW Pro) en kan laatstgenoemde haar verplichting niet meer opschorten. Daar komt bij dat opschorting door [bedrijf 1] is uitgesloten in de Inkoopvoorwaarden, waardoor zij deze contractueel voorwaarde niet mag stellen:
“Artikel 10
5. Verrekening en/of opschorting door de Leverancier is alleen toegestaan indien dit vooraf schriftelijk is overeengekomen.”
“Artikel 13
3. De Leverancier is niet gerechtigd enige verplichting onder de Overeenkomst op te schorten.”
5.7.
Verder voert [bedrijf 1] aan dat het overleggen van stukken beperkt moet zijn tot de tewerkgestelden van het hotel waar de inspectie op zag (Krasnapolski), genoemd in productie 9 van NH (met uitzondering van de drie geel gemarkeerde namen; deze personen zijn niet bekend bij [bedrijf 1] ). Daarbij wordt opgemerkt dat de identiteitsbewijzen van de met “ja” gemarkeerde personen reeds in het bezit zijn van NH.
Productie 9 NH:
"lijst met namen van de tewerkgestelden Krasnapolski (1 mei tot 1 dec)"
5.8.
In zoverre is de vordering van NH toewijsbaar. [bedrijf 1] is van mening dat onder de te overleggen stukken niet vallen de arbeidsovereenkomsten (onder iv). Zij heeft aangevoerd dat daartoe geen gehoudenheid bestaat. NH heeft echter informatie opgevraagd bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: IND) en de Sociale Verzekeringsbank (hierna: SVB) om na te vragen welke documenten zij als 'feitelijk werkgever' in haar bezit moet hebben. De IND en SVB hebben bevestigd dat NH onder meer over de arbeidsovereenkomst met de formele werkgever dient te beschikken. Daarnaast volgt de gehoudenheid tot afgifte van arbeidsovereenkomsten uit het in zoverre niet weersproken verzoek van de inspectie en uit artikel 9 lid 1 Wet Pro arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie (WagwEU) en artikel 44.2 van de Inkoopvoorwaarden.
“Artikel 44 (…)
2. Leverancier
( [bedrijf 1] )draagt in het geval van een Werknemer op het eerste verzoek van Minor
(NH)zorg voor een bewijs waaruit blijkt dat de Werknemer in dienst is van Leverancier. Leverancier draagt er verder zorg voor dat ook alle overige wettelijke voorwaarden, vereisten en formaliteiten zijn vervuld voordat een Werknemer de werkzaamheden bij Minor begint.”
5.9.
Het verweer dat de overeenkomsten zich bevinden in Polen bij Job-Job Sp.z.o.o. en Job-Job Services Sp.zo.o. – en [bedrijf 1] daar dus niet zelf over beschikt – gaat niet op. De dienstverrichter (de Poolse detacheerder) moet ervoor zorgen dat deze op de werkplek beschikbaar moeten zijn. De werkplek is in dit geval het hotel waar gewerkt wordt. [bedrijf 1] is de contractuele wederpartij van de Poolse dienstverrichter en die kan en moet daar dus voor zorgen.
5.10.
Voor zover afgifte wordt gevraagd van documenten over de laatste vijf jaar betreffende alle vreemdelingen die via [bedrijf 1] bij NH hebben gewerkt, is de vordering te onbepaald. Het is onduidelijk op welke werknemers deze vordering betrekking heeft en over welke documenten NH al wel beschikt. Bovendien is de spoedeisendheid daarvan niet evident.
5.11.
Concluderend oordeelt de voorzieningenrechter dat [bedrijf 1] zo spoedig mogelijk alle vijf de documenttypen aan NH moet overleggen ten aanzien van de onder 5.7 genoemde personen (minus de gele arceringen en de identiteitsbewijzen van de personen die met “ja” zijn gemarkeerd). Omdat [bedrijf 1] vrijwillige nakoming heeft toegezegd, is het niet nodig om een dwangsom te verbinden aan het overleggen van de stukken.
Buitengerechtelijke incassokosten
5.12.
De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden vastgesteld op basis van een vordering van onbepaalde waarde waarbij er geen hoofdsom is (Rapport BGK-Integraal 2013). Daarbij wordt aansluiting gezocht bij de hoogte van tariefgroep II van het liquidatietarief, hetgeen een vergoeding van € 925,00 oplevert.
Proceskosten in conventie en reconventie
5.13.
[bedrijf 1] is in conventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van NH worden begroot op:
- griffierecht
7.062,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
8.428,00
5.14.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5.15.
Ook in reconventie zal [bedrijf 1] als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Gezien de samenhang met het geding in conventie worden de proceskosten van NH in reconventie echter begroot op nihil.

6.De beslissing

De voorzieningenrechter
in conventie
6.1.
weigert de gevraagde voorzieningen,
6.2.
veroordeelt [bedrijf 1] in de proceskosten van € 8.428,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als zij niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
veroordeelt [bedrijf 1] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald en tot betaling van de wettelijke rente over € 98,00 plus de kosten van betekening vanaf veertien dagen na die betekening,
6.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
in reconventie
6.5.
gebiedt [bedrijf 1] om zo spoedig mogelijk na betekening van dit vonnis aan NH te verstrekken afschriften van de identiteitsdocumenten, de tewerkstellingsvergunning of gecombineerde vergunning voor arbeid en verblijf, de A1 verklaring, een afschrift van de arbeidsovereenkomst en een Posted Workers melding van alle personen op de lijst onder 5.7 (minus de gele arceringen en de identiteitsbewijzen van de personen die met “ja” zijn gemarkeerd),
6.6.
veroordeelt [bedrijf 1] tot betaling aan NH van de buitengerechtelijke incassokosten van € 925,00, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover, vanaf veertien dagen na dagtekening van dit vonnis,
6.7.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.8.
veroordeelt [bedrijf 1] in de proceskosten aan de zijde van NH, begroot op nihil,
6.9.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.C.H. Blankevoort, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. E.P.M. Vos, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026. [1]

Voetnoten

1.Type: EV