ECLI:NL:RBAMS:2026:7158

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
NL:TZ:0000487515:B001
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:444 BWArt. 1:362 BWArt. 1:445 lid 5 BW
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid voormalig bewindvoerder voor onrechtmatig gebruik gezamenlijke bankrekening

Bij beschikking van 11 september 2024 werd een bewind ingesteld over het vermogen van betrokkene vanwege diens lichamelijke en geestelijke toestand, waarbij voormalig bewindvoerder werd benoemd. Deze heeft nagelaten een boedelbeschrijving en eindrekening te overleggen en beschikte over een gezamenlijke bankrekening met betrokkene, wat niet is toegestaan.

Na het ontslag van voormalig bewindvoerder per 10 december 2025 werd een opvolgend bewindvoerder benoemd. De opvolgend bewindvoerder stelde voormalig bewindvoerder aansprakelijk voor meer dan €17.000,- vanwege onrechtmatig bestedingen van het vermogen, waaronder bedragen die zonder toestemming van betrokkene werden opgenomen, onder meer voor een tandheelkundige behandeling in Turkije.

Voormalig bewindvoerder reageerde niet op de vordering. De kantonrechter oordeelde dat de aansprakelijkheid beperkt is tot de periode waarin zij bewindvoerder was en stelde de schade vast op €7.161,33. Voormalig bewindvoerder werd veroordeeld tot betaling van dit bedrag en de beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Voormalig bewindvoerder is aansprakelijk gesteld en veroordeeld tot betaling van €7.161,33 wegens onrechtmatig gebruik van de gezamenlijke bankrekening.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
zaaknummer
:
NL:TZ:0000487515:B001
dossiernummer
:
BM37103
datum
:
10 juli 2026

beschikking

op verzoek van:
[bewindvoerder] ,
wonende te [adres 1] ,
hierna ook te noemen: [bewindvoerder] ,
bewindvoerder van
[betrokkene] , hierna te noemen: betrokkene, geboren te [geboorteplaats] op [geboorteplaats] 1947,wonende te [adres 2] ,
tegen de voormalig bewindvoerder:
[voormalig bewindvoerder] , wonende te [adres 3] ,
hierna ook te noemen: [voormalig bewindvoerder] .

Verloop van de procedure

Bij beschikking van de kantonrechter van 11 september 2024 is een bewind ingesteld over de goederen die (zullen) toebehoren aan betrokkene vanwege zijn lichamelijke / geestelijke toestand.
[voormalig bewindvoerder] is destijds tot bewindvoerder benoemd.
[voormalig bewindvoerder] heeft nagelaten een boedelbeschrijving te overleggen.
Op 14 juli 2025 heeft [voormalig bewindvoerder] wel bankafschriften (over de periode van 12 september 2024 tot en met 31 december 2024) ingediend. Uit de bankafschriften bleek dat zij een gezamenlijke rekening had met betrokkene. Omdat het voor een bewindvoerder niet is toegestaan om een en/of rekening te hebben met betrokkene, is [voormalig bewindvoerder] daarop aangeschreven en verzocht om de tenaamstelling te wijzigen.
Naar aanleiding van een verzoekschrift van [voormalig bewindvoerder] is zij vervolgens bij beschikking van de kantonrechter van 26 november 2025 -met ingang van 10 december 2025- ontslagen als bewindvoerder en is [bewindvoerder] benoemd tot opvolgend bewindvoerder.
[voormalig bewindvoerder] heeft nagelaten een eindrekening en verantwoording in te dienen.
Op 5 april 2026 heeft [bewindvoerder] [voormalig bewindvoerder] aansprakelijk gesteld voor een bedrag van meer dan
€ 17.000,- vanwege het onrechtmatig besteden van het vermogen van betrokkene.
De kantonrechter heeft op 10 april 2026 -en bij herinnering van 4 mei 2026 per aangetekende post- [voormalig bewindvoerder] in de gelegenheid gesteld om daar schriftelijk op te reageren.
Er is echter geen reactie ingekomen.
Op 30 juni 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden, waar [bewindvoerder] is verschenen.
[voormalig bewindvoerder] is tijdig en behoorlijk opgeroepen. Zij is echter niet verschenen.

Standpunten van partijen

[bewindvoerder] stelt, namens betrokkene, [voormalig bewindvoerder] aansprakelijk voor het onrechtmatig gebruik van de en/of rekening. Er zijn op de betreffende bankrekening geen inkomsten door [voormalig bewindvoerder] gestort. Alle bijschrijvingen zijn afkomstig van betrokkene, waaronder zijn pensioen.
Volgens [bewindvoerder] heeft [voormalig bewindvoerder] aanzienlijke bedragen gepind/afgeschreven voor haar eigen belang. [bewindvoerder] geeft verder aan dat betrokkene heeft verklaard dat hij nimmer op de hoogte is gesteld van het feit dat er gebruik is gemaakt van het door hem verstrekte geld. Evenmin heeft betrokkene toestemming gegeven voor de besteding daarvan. In het bijzonder heeft betrokkene aangegeven niet te hebben geweten dat (een deel van) het geld is aangewend voor een tandheelkundige behandeling in Turkije. Er is geen sprake van schenking.
[bewindvoerder] heeft op1 juni 2026 namens betrokkene aangifte gedaan bij de politie vanwege verduistering.
[voormalig bewindvoerder] is zowel schriftelijk als mondeling in de gelegenheid gesteld om op de vordering van [bewindvoerder] te reageren. [voormalig bewindvoerder] heeft de gevorderde schade niet betwist.

Beoordeling

Uit de door [voormalig bewindvoerder] overgelegde bankafschriften is gebleken dat zij beschikte over een gezamenlijke bankrekening met betrokkene. Nu een dergelijke constructie gedurende het bewind niet is toegestaan, is [voormalig bewindvoerder] hierop door de kantonrechter aangeschreven. [voormalig bewindvoerder] heeft evenwel geweigerd de tenaamstelling van de bankrekening te wijzigen.
In artikel 1:444 BW Pro is bepaald dat de bewindvoerder jegens de betrokkene aansprakelijk is, indien hij in de zorg van een goed bewindvoerder tekortschiet, tenzij de tekortkoming hem niet kan worden toegerekend. De bewindvoerder is aansprakelijk als hij niet heeft gehandeld zoals een redelijk handelend en redelijk bekwaam bewindvoerder in vergelijkbare omstandigheden gedaan zou hebben. Op grond van artikel 1:362 BW Pro(dat ingevolge artikel 1:445, lid 5 BW van overeenkomstige toepassing is bij bewind) kan de rechter desverzocht of ambtshalve de schade vaststellen, die de rechthebbende door slecht bewind van de voormalige bewindvoerder heeft geleden en de voormalige bewindvoerder tot vergoeding daarvan veroordelen.
Uit het door [bewindvoerder] ingediende overzicht blijkt dat een deel van de overboekingen betrekking heeft op de periode voorafgaand aan de instelling van het bewind, terwijl een ander deel ziet op de periode nadat [voormalig bewindvoerder] als bewindvoerder was ontslagen.
Voor zover de gevorderde schade betrekking heeft op de periode voorafgaand aan de instelling van het bewind dan wel op de periode na het ontslag van [voormalig bewindvoerder] als bewindvoerder, kan deze niet aan haar handelen
als bewindvoerderworden toegerekend. De aansprakelijkheid van een bewindvoerder is beperkt tot schade die is ontstaan als gevolg van een tekortschieten in de uitoefening van de bewindvoering gedurende de periode waarin hij of zij met het bewind was belast. Om die reden blijven de overboekingen die buiten deze periode vallen buiten beschouwing bij de vaststelling van de schade.
Nu [voormalig bewindvoerder] de door [bewindvoerder] gestelde schadeomvang niet heeft betwist en deze bovendien voldoende is onderbouwd, stelt de kantonrechter de schade vast op € 7.161,33.
De kantonrechter wijst er op dat de bewindvoerder, zonodig, in een civiele procedure de geleden schade vóór en na de periode dat [voormalig bewindvoerder] bewindvoerder was, indien door haar toedoen ontstaan, na toestemming van de kantonechter, op [voormalig bewindvoerder] kan verhalen.

beslissing

De kantonrechter:
  • bepaalt dat [voormalig bewindvoerder] aansprakelijk is voor de door betrokkene geleden schade;
  • stelt het bedrag aan schadeloosstelling vast op € 7.161,33;
  • veroordeelt [voormalig bewindvoerder] tot betaling van dit bedrag door storting op rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [betrokkene] ;
  • verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. R. Kruisdijk, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2026.
Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze beschikking (digitaal) is verstrekt of verzonden binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat deze beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.