ECLI:NL:RBAMS:2026:7169

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
13/061399-26
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 45 SrArt. 302 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak poging doodslag en veroordeling poging zware mishandeling met gevangenisstraf

Op 26 februari 2026 heeft verdachte in Amsterdam het slachtoffer meerdere keren met kracht geschopt, waaronder eenmaal tegen het gezicht terwijl het slachtoffer op de grond lag. Verdachte werd primair verdacht van poging tot doodslag, subsidiair poging tot zware mishandeling en meer subsidiair mishandeling.

De rechtbank achtte de poging tot doodslag niet bewezen wegens onvoldoende bewijs van een aanmerkelijke kans op dodelijk letsel en sprak verdachte daarvan vrij. Wel werd bewezen verklaard dat verdachte zich schuldig maakte aan poging tot zware mishandeling door met geschoeide voet krachtig tegen het gezicht en meermalen tegen het lichaam van het slachtoffer te schoppen, waarbij sprake was van voorwaardelijk opzet op zwaar lichamelijk letsel.

De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit, het feit dat verdachte onder invloed van alcohol was, zijn recidive en maatschappelijke omstandigheden. De strafmaat werd vastgesteld op vier maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest. Tevens werd gedeeltelijke tenuitvoerlegging bevolen van een eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van negen maanden, waarbij vijf maanden daadwerkelijk worden uitgevoerd om een stok achter de deur te houden.

De rechtbank wees de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging toe ondanks formele gebreken in de vordering, omdat verdachte niet benadeeld werd en de vordering duidelijk was. De straf is opgelegd conform de artikelen 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van poging tot doodslag en veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf voor poging tot zware mishandeling met gedeeltelijke tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/061399-26
Parketnummer vordering: 18/210885-23
Datum uitspraak: 24 juni 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
thans gedetineerd te: [Penitentiaire Inrichting] ,
hierna: verdachte.

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.T.A. de Ridder, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. N.I. Dolinski, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 26 februari 2026 in Amsterdam schuldig heeft gemaakt aan
poging tot doodslag van [slachtoffer]
subsidiair tenlastegelegd als poging tot zware mishandeling en meer subsidiair tenlastegelegd als mishandeling.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de als primair ten laste gelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend kan worden bewezen. Uit het dossier blijkt dat verdachte [slachtoffer] (hierna ook: het slachtoffer) meermalen hard tegen het hoofd heeft geschopt terwijl het slachtoffer op de grond lag. Het letsel van het slachtoffer bevindt zich aan beide kanten van het gezicht, in de buurt van zijn slapen. Verdachte heeft hiermee voorwaardelijk opzet gehad op de dood van het slachtoffer.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden van de primair tenlastegelegde poging tot doodslag. Het dossier bevat onvoldoende bewijs om vast te stellen dat er met kracht tegen het hoofd is geschopt. Daarnaast is niet vast te stellen dat de aanmerkelijke kans op de dood bestond door het handelen van verdachte.
De verdediging heeft zich ook op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het eerste gedachtestreepje (kort gezegd, het geven van vuistslagen) van de als subsidiair ten laste gelegde poging zware mishandeling Ten aanzien van het tweede gedachtestreepje (kort gezegd, het schoppen) refereert de raadsvrouw zich aan het oordeel van de rechtbank.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
Vrijspraak van het primair tenlastegelegde
De rechtbank acht de primair ten laste gelegde poging tot doodslag van het slachtoffer niet bewezen, zodat verdachte daarvan wordt vrijgesproken. Het dossier bevat onvoldoende informatie om vast te stellen dat sprake is geweest van een aanmerkelijke kans op dodelijk letsel bij het slachtoffer.
Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde
De rechtbank is op basis van de in
bijlage IIopgenomen bewijsmiddelen van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van het slachtoffer. De rechtbank spreekt verdachte vrij van het eerste gedachtestreepje van de tenlastelegging aangezien uit het dossier niet blijkt dat hij één of meerdere vuistslagen in het gezicht of tegen het lichaam van het slachtoffer heeft gegeven.
Voorwaardelijk opzet op zwaar lichamelijk letsel is aanwezig wanneer verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
Verdachte heeft het slachtoffer geduwd en hem vervolgens, terwijl het slachtoffer op de grond lag, tenminste eenmaal met kracht en met geschoeide voet in zijn gezicht (en meermalen tegen zijn lichaam) geschopt. Naar algemene ervaringsregels is de kans dan aanmerkelijk te achten dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel oploopt. Het op deze manier tegen het hoofd schoppen is naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte die kans bewust heeft aanvaard. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook sprake van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

5.De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte
op 26 februari 2026 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, voornoemde [slachtoffer] , terwijl deze op de grond lag, met kracht eenmaal tegen het gezicht en meermalen tegen het lichaam geschopt heeft, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

6.De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8.Motivering van de straf

8.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het door haar bewezen geachte feit (poging tot doodslag) zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, met aftrek van voorarrest.
8.2.
Het strafmaatverweer van de verdediging
De verdediging heeft verzocht verdachte, voor de door de raadsvrouw aangenomen poging tot zware mishandeling, een gevangenisstraf op te leggen gelijk aan het reeds ondergane voorarrest. Verdachte is al langer gedetineerd dan de oriëntatiepunten als strafduur aangeven voor een feit als het onderhavige dat licht letsel tot gevolg heeft en waarbij sprake is van meermalen recidive. Daarbij heeft verdachte het feit gepleegd onder invloed van alcohol. Sinds verdachte in detentie zit, heeft hij niet meer gedronken en hij wil na zijn vrijlating terugkeren naar AMOC (maatschappelijk werk) en gebruik maken van de daar geboden ondersteuning.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
De ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van het slachtoffer op het Centraal Station in Amsterdam. Verdachte was onder invloed van alcohol ten tijde van het feit en hij heeft – ogenschijnlijk – willekeurig een persoon toegetakeld. Daarbij heeft verdachte met kracht tegen het hoofd van het slachtoffer geschopt, dat weerloos op de grond lag. Ook heeft hij meermalen tegen het lichaam van het slachtoffer geschopt. Met zijn handelen heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Daar komt bij dat het feit op een drukke openbare plaats is gepleegd waardoor niet alleen het slachtoffer maar ook verschillende omstanders zijn geconfronteerd met het gewelddadig handelen van verdachte. Dit alles rekent de rechtbank verdachte aan.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 7 mei 2026. Hieruit blijkt dat verdachte meerdere keren is veroordeeld voor strafbare feiten, waaronder meerdere geweldsdelicten.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 1 juni 2026. Het ontbreekt verdachte, die sinds 2021 in Nederland verblijft, volgens de reclassering aan sociaal-maatschappelijke inbedding. Ten tijde van het feit had verdachte geen woning en geen baan. Bij verdachte is sprake van problematisch alcoholgebruik waarbij het gebruik in de laatste maanden voor het feit sterk is toegenomen. In het verleden is verdachte wel in staat geweest een maatschappelijk aanvaardbaar bestaan te leiden, hoewel hij in die periodes ook in contact kwam met justitie. De reclassering ziet geen begeleidingsmogelijkheden omdat verdachte geen sociale rechten heeft opgebouwd in Nederland. De reclassering adviseert dan ook een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden.
Uitgangspunt voor strafoplegging
De rechtbank kijkt naar de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Het oriëntatiepunt voor zware mishandeling, waarbij tegen het hoofd wordt geschopt, is een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden. De rechtbank houdt er rekening mee dat sprake is van een poging tot zware mishandeling en niet van een voltooid delict.
De straftoemeting
De rechtbank is van oordeel dat gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat om bij de straftoemeting af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd. Alles afwegende legt de rechtbank een gevangenisstraf van vier maanden op, met aftrek van voorarrest.

9.Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de (ongetekende) vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 18-210885-23 (en 21-002038-24 in hoger beroep) betreffende het onherroepelijk geworden arrest van 19 september 2025 van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Verdachte is daarin veroordeeld tot negen maanden gevangenisstraf, met bevel dat deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op drie jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie een getekende vordering aan verdachte uitgereikt.
9.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat, hoewel er onduidelijkheid bestond over de vordering, verdachte weet op welke zaak de vordering ziet, zodat de vordering kan worden toegewezen, te weten een gevangenisstraf van negen maanden.
9.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging stelt zich primair op het standpunt dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in haar vordering tot tenuitvoerlegging gelet op de vele formele gebreken. De ongetekende vordering in het dossier bevat een verkeerd parketnummer en een uitspraakdatum maar geen uitsprekende instantie. Hiermee is de herkomst van het vonnis volstrekt onduidelijk en is de grondslag niet verifieerbaar.
Subsidiair dient de vordering te worden afgewezen omdat de veroordeling waarvan de tenuitvoerlegging wordt verzocht op hele andere feiten ziet dan waar verdachte in deze strafzaak van wordt verdacht.
Indien de rechtbank de vordering wel toewijst is het van belang de straf niet volledig ten uitvoer te leggen zodat er voor verdachte een stok achter de deur blijft bestaan.
9.3.
Het oordeel van de rechtbank
Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis.
De rechtbank overweegt dat de stukken in het dossier met betrekking tot de tenuitvoerlegging eerst niet compleet waren en er aanvankelijk een parketnummer is genoemd van de procedure in eerste aanleg terwijl de zaak al onder een ander parketnummer in hoger beroep is afgerond. Verdachte is hierdoor niet benadeeld omdat uit het strafblad en uit de stukken in het dossier eenvoudig afgeleid kan worden op welke zaak en procedure de vordering ziet. De officier van justitie is dan ook ontvankelijk in haar vordering.
De eerder voorwaardelijk opgelegde straf van negen maanden ziet op andersoortige feiten en de rechtbank vindt het met de raadsvrouw van belang dat voor verdachte een stok achter de deur blijft bestaan om niet opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank ziet daarin aanleiding niet van de gehele straf, maar van een gedeelte, te weten vijf maanden, de tenuitvoerlegging te bevelen.

10.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

11.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
poging tot zware mishandeling
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van
vier (4) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Beveelt de gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de straf, voor zover deze voorwaardelijk is opgelegd bij genoemd arrest van 19 september 2025 van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, namelijk
vijf (5) maanden gevangenisstraf.
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.M. Loots, voorzitter,
mrs. R.A. Sipkens en B.J. Blok, rechters,
in tegenwoordigheid van L.E. Poel, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 juni 2026.
[…]