ECLI:NL:RBAMS:2026:7171

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
81/089947-26
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 33 SrArt. 33a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor smokkel van streng beschermde papegaaieneieren zonder invoervergunning

Op 24 maart 2026 namen verdachte en zijn medeverdachte een grote hoeveelheid papegaaieneieren mee als handbagage tijdens een vlucht vanuit Nicaragua naar Schiphol. De eieren betroffen soorten die zijn opgenomen in de bijlagen van het Cites-verdrag en de EU Basisverordening, waaronder de Buffons-Ara en de geelnekamazone, die ernstig bedreigd zijn in het wild. De eieren werden niet aangemeld voor officiële controle en er was geen invoervergunning overlegd.

De rechtbank oordeelde dat verdachte en medeverdachte nauw en bewust samenwerkten, waardoor sprake was van medeplegen. Verdachte had voorwaardelijk opzet op het eerste feit, omdat hij de aanmerkelijke kans aanvaardde dat het om beschermde eieren ging, en vol opzet op het tweede feit, het niet aanmelden van de zending voor controle.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 270 dagen op, waarvan 170 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, mede gelet op de ernst van de feiten en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder het ontbreken van eerdere veroordelingen en de zorg voor minderjarige kinderen. Daarnaast werd een mobiele telefoon verbeurd verklaard die bij de voorbereiding en uitvoering van de feiten was gebruikt.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 270 dagen gevangenisstraf, waarvan 170 dagen voorwaardelijk, voor het medeplegen van smokkel van streng beschermde papegaaieneieren zonder invoervergunning en het niet aanmelden voor officiële controle.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 81/089947-26
Datum uitspraak: 14 juli 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige economische kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 30 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.J. Blotwijk, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. B.J.W. Tijkotte, advocaat te Koog aan de Zaan, naar voren hebben gebracht.
De zaak is tegelijk, maar niet gevoegd, op de zitting behandeld met de zaak tegen medeverdachte [medeverdachte] , parketnummer 81/089529-26.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is, na een wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting, ten laste gelegd:
Feit 1
Het op 24 maart 2026 te Schiphol medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met de Omgevingswet door eieren van papegaaien die vermeld staan op bijlage A of bijlage B van de Basisverordening (EG) nr. 338/97 in de Gemeenschap binnen te brengen. Dit feit is subsidiair ten laste gelegd als het medeplegen van het onder zich hebben van deze eieren.
Feit 2
Het op 24 maart 2026 te Schiphol medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een voorschrift van een EU-verordening door papegaaieneieren binnen de Europese Unie te brengen, terwijl hij die niet heeft aangeboden voor een officiële controle.
De volledige tenlastelegging is opgenomen als
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat feit 1 primair en feit 2 bewezen kunnen worden.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich ten aanzien van beide feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De verdediging heeft zich hierbij op standpunt gesteld dat ten aanzien van beide feiten sprake is van voorwaardelijk opzet.
3.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de tenlastegelegde feiten 1 primair en 2 zijn bewezen. De bewijsmiddelen zijn als
bijlage IIbij dit vonnis gevoegd.
Feiten en omstandigheden
De rechtbank gaat op basis van de bewijsmiddelen uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Verdachte heeft samen met de medeverdachte (zijn echtgenote) 257 eieren vervoerd in twee sporttassen, die zij als handbagage met zich meenamen tijdens een vlucht naar Schiphol. Deze eieren hadden zij vanuit Nicaragua meegenomen. Op Schiphol is door de douane geconstateerd dat er eieren in de handbagage aanwezig waren en apparatuur om de eieren warm te houden. Het bleek na controle door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit om bevruchte papegaaieneieren te gaan. De eieren zijn hierop ondergebracht bij opslaghouders.
Van de in totaal 232 eieren die zijn uitgekomen, is gedetermineerd om welke papegaaisoorten het gaat. Het betreft telkens eieren van (met uitsterven) bedreigde papegaaien die vallen onder de bescherming van de Convention on International Trade in Endangered Species of wild fauna and flora (Cites). In de Europese Unie is aan de verplichtingen uit het Cites-verdrag uitvoering gegeven met Basisverordening (EG) nr. 338/97 (de Verordening). De beschermde diersoorten staan in het Cites-verdrag in bijlagen I en II genoemd. In de Verordening zijn deze opgenomen in de bijlagen A en B. Soorten die op bijlagen A en B staan mogen niet zonder dat aan de grens een invoervergunning is voorgelegd in de Gemeenschap (de Europese Unie) worden binnengebracht. De door verdachte en medeverdachte vervoerde papegaaieneieren zijn opgenomen in deze bijlagen.
Medeplegen feiten 1 en 2
De verdachten hebben beiden verklaard dat zij tegen betaling naar Nicaragua zijn gereisd om daar eieren op te halen en te vervoeren naar Hong Kong. Verdachten hebben de feiten gezamenlijk uitgevoerd door samen te reizen, waarbij zij allebei een zwarte sporttas met eieren bij zich hadden. Verdachte en zijn medeverdachte hebben daarmee nauw en bewust samengewerkt, zodat sprake is van medeplegen.
Feit 1, voorwaardelijk opzet
De verklaring van verdachte dat hij dacht dat het ging om kippeneieren die zouden dienen als voedsel, acht de rechtbank niet aannemelijk. Hierbij is van belang dat verdachte – zoals hiervoor staat vermeld – heeft verklaard dat het doel van de reis was om eieren op te halen, deze naar Hong Kong te vervoeren en dat zij daarvoor zouden worden betaald. Naar het oordeel van de rechtbank moet verdachte, gelet op de wijze waarop het vervoer was geregeld en werd uitgevoerd, geacht worden willens en wetens de aanmerkelijke kans te hebben aanvaard dat het ging om een waardevol transport en dat het eieren van bedreigde soorten betrof, beschermd door het Cites-verdrag en de Verordening. Vervolgens hebben zij de eieren op Schiphol zonder de vereiste invoervergunning voor te leggen de Gemeenschap binnengebracht. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt daarmee van het vereiste (voorwaardelijke) opzet op dit feit.
Feit 2, vol opzet
Verdachte en zijn medeverdachte hebben voorafgaand en na aankomst op Schiphol niet gemeld dat zij papegaaieneieren met zich vervoerden. Zij hebben daarmee de eieren niet aangemeld voor een officiële controle als bedoeld in artikel 47 van Pro Verordening EU 2017/625. Verdachte en zijn medeverdachte waren ook niet van plan om het vervoer van de eieren te melden. Het was juist hun bedoeling om het vervoer van de (in de handbagage vervoerde) eieren verborgen te houden. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat ook ten aanzien van dit feit sprake is van opzettelijk handelen.

4.Bewezenverklaring

ten aanzien van feit 1 primair:
hij op 24 maart 2026 te Schiphol in de gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk, heeft gehandeld in strijd met artikel 4.3, lid 2 Omgevingswet jo artikel 11.93, lid 1 Besluit activiteiten leefomgeving juncto artikel 4, lid 1 en/of 2 van de Basisverordening (EG) nr. 338/97 door specimen van de in bijlage A en B bij deze verordening genoemde soorten, te weten; 232 eieren van papegaaiachtigen (Psittaciformes spp), te weten
- 8 eieren van de geelwangamazone (Amazona autumnalis), bijlage B en
- 208 eieren van de geelnekamazonepapegaaien, bijlage A en
- 14 eieren van de geelvleugel ara (Ara macao), bijlage A en
- 2 eieren van de Buffons ara (Ara ambiguus), bijlage A,
in de Gemeenschap binnen te brengen;
ten aanzien van feit 2:
hij op 24 maart 2026 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk, heeft gehandeld in strijd met een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften van een EU-verordening, immers heeft hij, verdachte, als bij de betrokken zending verantwoordelijke exploitant een zending levende producten, te weten 232, papegaaieneieren binnen de Europese Unie gebracht uit een derde land, te weten Nicaragua, terwijl hij, verdachte, genoemde zending niet heeft aangeboden voor officiële controle als bedoeld in als bedoeld in artikel 47 van Pro Verordening (EU) 2017/625.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal de rechtbank deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

5.De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straffen en maatregelen

7.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat aan een gevangenisstraf van 18 maanden moet worden opgelegd. De officier van justitie heeft daarbij onder meer gesteld dat moet worden aangesloten bij de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) voor fraude.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht bij de strafoplegging in matigende zin rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
Ernst van de feiten
Verdachte heeft samen met de medeverdachte een grote hoeveelheid papegaaieneieren gesmokkeld. Het betrof eieren van papegaaisoorten die staan opgenomen in de bijlages bij het Cites-verdrag. Het doel van dit verdrag is de bescherming van bedreigde diersoorten door handel in die soorten te reguleren. De strengst beschermde soorten mogen daarom niet zonder invoervergunning de EU worden binnengebracht. De door verdachte en zijn medeverdachte meegenomen papegaaieneieren behoren tot deze strengst beschermde soorten, omdat het voortbestaan van deze papegaaien – onder meer door stroperij – wordt bedreigd. Verdachte en zijn medeverdachte vervoerden onder meer eieren van een Buffons-Ara. Van deze ara leven in het wild vermoedelijk nog slechts minder dan 1000 exemplaren. Ook vervoerden zij 208 eieren van de geelnekamazone. Van deze soort wordt geschat dat de wilde populatie nog slechts tussen de 1000 en 2500 exemplaren betreft. Op de zwarte markt worden papegaaien van deze soorten voor (zeer) forse bedragen verkocht. Verdachte heeft door deze grote hoeveelheid papegaaieneieren te smokkelen een bijdrage geleverd aan de illegale handel in ernstig bedreigde diersoorten. Het gaat daarmee om ernstige feiten, waarbij een gevangenisstraf passend is.
Persoon van verdachte
Uit het strafblad van verdachte van 4 juni 2026 blijkt dat verdachte in Nederland niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld. De rechtbank weegt bij de strafoplegging mee dat verdachte en zijn medeverdachte twee minderjarige kinderen hebben. Zij moeten op dit moment de zorg van beide ouders al lange tijd missen en hebben er belang bij dat zij die zorg weer zo spoedig mogelijk op zich kunnen nemen.
Strafoplegging
Anders dan de officier van justitie heeft gesteld, ziet de rechtbank geen aanleiding om bij de strafoplegging aan te sluiten bij de oriëntatiepunten van het LOVS voor fraude. In dit verband weegt de rechtbank mee dat het hier weliswaar gaat om smokkel die gericht is op het genereren van financieel voordeel, maar dit maakt niet dat de feiten kunnen worden gelijkgesteld met financiële fraude zoals bedoeld in de LOVS-oriëntatiepunten. Er is immers geen informatie beschikbaar over de waarde die de zending eieren vertegenwoordigt. Niet kan zonder meer worden aangeknoopt bij de waarde van volwassen vogels omdat niet bekend is hoe het (onzekere) proces van tot volle wasdom laten komen van dergelijke vogels financieel wordt vertaald. Daarbij wordt de ernst van deze feiten in het bijzonder bepaald doordat het gaat om gedragingen die betrekking hebben op bedreigde diersoorten, zoals hiervoor is uiteengezet. De rechtbank ziet evenmin aanleiding aansluiting te zoeken bij straffen die in het buitenland voor dit soort feiten worden opgelegd. Onbekend is immers welke bandbreedte de buitenlandse rechter ter beschikking staat en of bij het opleggen van een straf bijvoorbeeld rekening wordt gehouden met factoren die pas in de executiefase aan de orde komen.
De rechtbank zal alles afwegend aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 270 dagen, waarvan 170 dagen voorwaardelijk opleggen. Het voorwaardelijk deel is bedoeld om de ernst van het feit uit te drukken en verdachte ervan te weerhouden nogmaals dergelijke feiten te plegen. Gelet op de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan, ziet de rechtbank aanleiding in dit verband de daaraan verbonden proeftijd op drie jaar te stellen.

8.Beslag

Onder verdachte is een mobiele telefoon in beslag genomen. De rechtbank zal deze mobiele telefoon verbeurdverklaren omdat is gebleken dat de bewezenverklaarde feiten met behulp van deze telefoon is voorbereid en begaan.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1, 1a, 2 en 6 van de Wet Economische Delicten, artikel 5.1 van de Omgevingswet, artikelen 2.7 en 6.2 van de Wet Dieren en artikel 11.93 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

10.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
ten aanzien van feit 1 primair:
medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 4.3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet, opzettelijk begaan
ten aanzien van feit 2:
medeplegen van overtreding van voorschrift, gesteld krachtens artikel 2.7 eerste en tweede lid, met betrekking tot het onderwerp bedoeld in het tweede lid, onderdeel k, in samenhang met artikel 6.2, eerste lid, van de Wet Dieren, opzettelijk begaan
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
270 (tweehonderdzeventig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot
170 (honderdzeventig) dagen, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van 3 (drie) jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Ten aanzien van het beslag
Verklaart verbeurd het op de beslaglijst vermelde goed:
- 1 STK Iphone 13 (NVWA-180960-1999505).
Dit vonnis is gewezen door
mr. M. Bijleveld, voorzitter,
mr. A.K. Glerum en H.J. Bos, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S.L. van Tellingen, griffier.
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 14 juli 2026.
[…]