ECLI:NL:RBAMS:2026:7191

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
13-125935-26
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6 OLWArt. 7 OLWArt. 22 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering Nederlandse verdachte op grond van Europees aanhoudingsbevel wegens illegale drugshandel

De rechtbank Amsterdam behandelde op 1 juli 2026 het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de rechtbank te Tiergarten, Duitsland, gericht op de overlevering van een Nederlandse verdachte geboren in 1993. Het EAB betreft een strafbaar feit van illegale handel in verdovende middelen, een lijstfeit waarvoor dubbele strafbaarheid niet hoeft te worden onderzocht.

De verdachte, die de Nederlandse nationaliteit bezit en zijn gezinsleven in Nederland heeft, beriep zich op de terugkeergarantie zoals bedoeld in artikel 6 OLW Pro. De Duitse autoriteiten gaven een garantie dat de verdachte, indien veroordeeld, zijn straf in Nederland mag uitzitten. De rechtbank achtte deze garantie voldoende en stelde vast dat de maatschappelijke re-integratie in Nederland beter kan plaatsvinden.

De raadsman verzocht om schorsing van de gevangenhouding na uitspraak vanwege persoonlijke omstandigheden en het lopende Nederlandse strafproces. De rechtbank wees dit verzoek af omdat geen uitzonderlijke omstandigheden waren aangetoond en de detentie noodzakelijk werd geacht in het kader van een voorlopige terbeschikkingstelling of feitelijke overlevering.

De rechtbank concludeerde dat het EAB aan alle wettelijke eisen voldoet, geen weigeringsgronden aanwezig zijn en dat de overlevering toegestaan kan worden. De uitspraak werd op 15 juli 2026 in het openbaar gedaan door de rechtbank Amsterdam, waarbij geen gewoon rechtsmiddel openstaat.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de Nederlandse verdachte aan Duitsland toe en wijst het verzoek tot schorsing van de gevangenhouding af.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-125935-26
Datum uitspraak: 15 juli 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 8 mei 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 9 mei 2023 door het
Amtsgericht Tiergarten[rechtbank te Tiergarten], Duitsland, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren op [geboortedag] 1993 te [geboorteplaats],
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 1 juli 2026, in aanwezigheid van mr. G.J.A.M. Rasker, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. D.B. van Gils, advocaat in Arnhem.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen, met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt het arrestatiebevel van het
Amtsgericht Tiergarten[rechtbank te Tiergarten] van 29 maart 2023 met dossiernummer (352 Gs) 254 Js 60/22 (1428(23).
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Duits recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB. [3]

4.Strafbaarheid

De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

5.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn gezinsleven en belangen in Nederland gevestigd. [4] Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan.
De
Generalstaatsanwaltschaft Berlin, Office of the Chief Public Prosecutor Berlin - Department of Extradition and Committal, heeft de volgende garantie gegeven:
“I covenant that the person being prosecuted will - provided he agrees - be returned in the Netherlands in order to serve a custodial sentence that has not been suspended (pur­suant to the European Framework Decision 2008/909/JBZ).”
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.

6.Verzoek om schorsing van de gevangenhouding na uitspraak

Verzoek van de raadsman
De raadsman heeft verzocht om het bevel gevangenhouding na uitspraak te schorsen.
De opgeëiste persoon heeft zijn gezin en zijn werk in Nederland. Daarnaast is zijn moeder ernstig ziek en wil hij voor haar mantelzorger zijn. Het vluchtgevaar kan worden ingeperkt met schorsingsvoorwaarden. De opgeëiste persoon houdt zich daar nu ook aan. De lopende Nederlandse strafzaak tegen de opgeëiste persoon is een beletsel voor de feitelijke overlevering. De opgeëiste persoon wil voorkomen dat hij onnodig lang in detentie zit. Dat is niet noodzakelijk en ook niet evenredig. Artikel 52 van Pro het Handvest vereist dat de vrijheidsbeneming noodzakelijk is.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich verzet tegen toewijzing van het verzoek.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank wijst het verzoek van de raadsman tot schorsing van het bevel gevangenhouding na uitspraak af nu zij in de regel niet op voorhand een dergelijk verzoek inwilligt, tenzij sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden en hier niet van dergelijke omstandigheden is gebleken. De door de opgeëiste persoon naar voren gebrachte persoonlijke omstandigheden zijn niet als zodanig aan te merken. Naar het oordeel van de rechtbank is in het geval van de opgeëiste persoon op dit moment ook nog geen sprake van een buitensporig lange duur van de overleveringsdetentie, zodat de schorsing daarvan nog niet aan de orde is. De overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon is op 3 juni 2026 geschorst. Weliswaar is er op dit moment mogelijk een beletsel voor de feitelijke overlevering in verband met een lopende strafzaak in Nederland, maar de officier van justitie heeft ter zitting toegelicht dat er wordt gewerkt aan een voorlopige terbeschikkingstelling (VTBS).
Dit leidt tot de conclusie dat de vrijheidsbeneming van deze opgeëiste persoon nadat de overlevering is toegestaan, in de onderhavige zaak noodzakelijk is als bedoeld in artikel 52 lid 1 Handvest Pro teneinde op termijn zijn voorlopige terbeschikkingstelling of feitelijke overlevering te realiseren en het voortduren van de overleveringsdetentie zich daarom op dit moment nog verdraagt met artikel 6 van Pro het Handvest.
Het schorsingsverzoek wordt daarom afgewezen.

7.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
8. Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan het
Amtsgericht Tiergarten[rechtbank te Tiergarten], Duitsland, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Westerman, voorzitter,
mrs. L. Baroud en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier.
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 15 juli 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. (