ECLI:NL:RBAMS:2026:7197

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
012607-26
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94 SvArt. 552a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaard klaagschrift tegen beslag op drie auto's in cocaïnehandel- en witwaszaak

De rechtbank Amsterdam behandelde het klaagschrift van de verdachte, die wordt verdacht van medeplegen van handel in cocaïne en witwassen, tegen het beslag op drie luxe auto's. De verdachte beriep zich op zijn zwijgrecht en kon geen concrete, verifieerbare verklaring overleggen over de financiering van de voertuigen.

De rechtbank stelde vast dat het Openbaar Ministerie voldoende ernstige bezwaren heeft voor de verdenkingen en dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter de auto's zal verbeurd verklaren. De door de verdediging overgelegde financieringsovereenkomsten weerleggen het vermoeden van witwassen niet, mede omdat het OM nog geen onderzoek heeft kunnen doen.

De persoonlijke financiële situatie van de verdachte, die stelt op het punt te staan failliet te gaan, werd onvoldoende onderbouwd met bewijsstukken. De rechtbank oordeelde dat het voortduren van het beslag proportioneel en subsidiar is en verklaarde het klaagschrift ongegrond.

Uitkomst: Het klaagschrift tegen het beslag op drie auto's wordt ongegrond verklaard en het beslag blijft gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Strafrecht
parketnummer : 13-031868-25
raadkamernummer : 012607-26
datum zitting : 30 juni 2026
datum beslissing : 14 juli 2026
Beslissing van de meervoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[klager] ,
geboren op 11 [geboortedag] 1993 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres [adres] ,
hierna te noemen: de klager.
Raadsman: mr. L.R. Waaijer

1.Procedure

De raadsman van de klager heeft op 1 mei 2026 een klaagschrift ex artikel 552a Sv ingediend.
Het Openbaar Ministerie heeft op 13 mei 2026 schriftelijk zijn standpunt kenbaar gemaakt.
De rechtbank heeft op 30 juni 2026 het klaagschrift in openbare raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft de klager, de raadsman van de klager mr. L.R. Waaijer en de officier van justitie mr. R. van Zanten op zitting gehoord.

2.Feiten

De rechtbank stelt op grond van het dossier de volgende feiten en omstandigheden vast.
De klager wordt in strafrechtelijk onderzoek Adobo (PL1300-2025023214) verdacht van kort gezegd medeplegen van handel in cocaïne en witwassen.
De rechter-commissaris heeft op 16 januari 2026 op vordering van de officier van justitie de klager in bewaring gesteld en daarbij het volgende overwogen:
‘Uit de stukken blijkt van ernstige bezwaren tegen de verdachte dat deze de strafbare feiten vermeld in de vordering (rechtbank: medeplegen handel in cocaïne en medeplegen witwassen) heeft gepleegd. Uit het dossier blijkt dat verdachte naar alle waarschijnlijkheid te koppelen is aan het Sky-account [accountnaam] (zie zaaksdossier pagina 37). Met dit Sky-account heeft verdachte in 2020 gechat over onder meer boli, blokken testen en pap. Op basis van de chats in het dossier zijn er voldoende ernstige bezwaren voor feit 1 op de vordering (zie zaaksdossier pagina 26). Onder verdachte is een telefoon in beslag genomen, waarin Whatsapp- en Signal-gesprekken zijn aangetroffen. Op basis van de inhoud van die gesprekken zijn eveneens
voldoende ernstige bezwaren aanwezig voor de feiten 2 (pagina 217) en 3 (pagina’s: 84, 108, 144 en 145) op de vordering. Nu sprake is van ernstige bezwaren voor de handel in cocaïne in 2020, 2023 en 2025, zijn er tevens voldoende ernstige bezwaren voor de witwasverdenking onder feit 4. Daarbij weegt de rechter-commissaris ook mee dat verdachte niet heeft willen verklaren over de bedragen die zijn aangetroffen bij de Nederlandse kluis.’
De rechtbank heeft op 26 januari 2026 de gevangenhouding van de klager bevolen en ter zake van de ernstige bezwaren verwezen naar de beslissing van de rechter-commissaris.
Op respectievelijk 1, 3 en 6 april 2026 zijn blijkens de kennisgevingen van inbeslagneming op grond van artikel 94 Sv Pro de volgende auto’s onder de klager in beslag genomen:
- een Mercedes-Benz Amg G 63 (kenteken: [kentekennummer 1] );
- een Audi RS3 Sportback (kenteken: [kentekennummer 2] );
- een Audi RS3 Sportback (kenteken: [kentekennummer 3] ).
De klager is op 9 juni 2026 in aanwezigheid van zijn raadsman als verdachte gehoord over de verdenking dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan witwassen. De politie heeft de klager onder meer de volgende vragen gesteld:
  • ‘Wij zien op de rekening van [bedrijf 1] dat op 25 maart 2026 het voertuig met kenteken [kentekennummer 3] is afbetaald aan [bedrijf 2] bedrag € 60.000,00, wat kun je hierop verklaren?
  • Op 20, 23 en 25 maart wordt er voor totaal € 72.000,00 aan [bedrijf 2] afbetaald voor het voertuig met kenteken [kentekennummer 2] , wat kun je hierover verklaren?
  • Op 13, 14, 15 en 16 maart zien wij voor totaal € 145.000,00 afbetalingen aan [bedrijf 3] voor het voertuig met [kenteken] [kentekennummer 1] , wat kun je hierover verklaren?’
De verdachte heeft zich ten aanzien van alle vragen op zijn zwijgrecht beroepen.

3.Beklag

Het beklag strekt tot teruggave van de onder de klager in beslag genomen auto’s, te weten:
- Mercedes met kenteken: [kentekennummer 1] (koopprijs € 210.456,22 exclusief btw);
- Audi met kenteken: [kentekennummer 2] (koopprijs: € 85.000,00);
- Audi met kenteken: [kentekennummer 3] (koopprijs € 76.000,00).
In het klaagschrift wordt aangevoerd dat de genoemde auto’s door [bedrijf 1] , de onderneming van de klager en zijn broer, sinds 2025 werden geleased en dat op 25 maart 2026 met de leasemaatschappij is overeengekomen dat de auto’s werden overgekocht. De bedoeling van klager was om de auto’s te verhuren, om zo een financiële buffer te creëren. De klager komt in (financiële) problemen omdat hij niet over de voertuigen kan beschikken.
De raadsman van de klager heeft ter zitting drie overeenkomsten overgelegd:
  • een overeenkomst van 1 januari 2026 tussen [bedrijf 4] en [bedrijf 1] betreffende een lening van € 25.000,00 ten behoeve van voor de aankoop van een voertuig,
  • een overeenkomst van 24 maart 2026 tussen [bedrijf 5] en [bedrijf 1] betreffende een lening van € 65.000,00 voor de aankoop van een auto, en
  • een overeenkomst van 12 maart 2026 tussen [bedrijf 4] en [bedrijf 1] betreffende een investering € 55.000,00 ‘voor de aanschaf, lease of financiering van voertuigen ten behoeve van de autoverhuuractiviteiten.’
De raadsman heeft daarbij opgemerkt dat de overeenkomsten betrekking hebben op de financiering van de aankoop van de in beslag genomen auto’s, de auto’s met legale middelen zijn gefinancierd en dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de auto’s verbeurd verklaard zullen worden
De raadsman heeft ter zitting voorts aangevoerd dat de klager ook een praktisch belang heeft bij het terugkrijgen van (een van) de auto’s omdat het niet goed gaat met diens ondernemingen. De klager kan zijn hoofd niet meer boven water houden en kan door het verhuren van de auto’s weer een inkomen genereren. De klager heeft daaraan toegevoegd dat hij op het punt staat om failliet te gaan en dat hij de door hem afgesloten leningen moet terugbetalen.

4.Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het belang van strafvordering zich verzet tegen opheffing van het beslag en teruggave van de in beslag genomen auto’s aan de klager omdat het Openbaar Ministerie zal vorderen dat de auto’s worden verbeurd verklaard en het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de verbeurdverklaring zal worden uitgesproken.
De klager wordt verdacht van cocaïnehandel en witwassen. Er ligt klassiek beslag op de voertuigen, omdat wordt vermoed dat de auto’s gefinancierd zijn met crimineel verkregen geld. Het Openbaar Ministerie heeft tot aan de zitting geen onderbouwing met betrekking tot de financiering van de auto’s mogen ontvangen. De stukken die op de zitting zijn overgelegd, weerleggen het vermoeden van witwassen niet. Zolang de verdediging niet met een gemotiveerd en een door het Openbaar Ministerie te verifiëren verklaring komt, die tot de conclusie moet leiden dat de auto’s zijn gefinancierd met legitiem verkregen middelen, komen deze voertuigen voor verbeurdverklaring in aanmerking.

5.Beoordeling

De rechtbank stelt voorop dat bij de beoordeling van een klaagschrift van de beslagene dat is gericht tegen een beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv Pro, zoals hier het geval is, zij a. moet beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert en, zo nee, b. de teruggave van het in beslag genomen voorwerp bevelen aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd. Het belang van strafvordering vordert onder meer het voortduren van het beslag als niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter die later moet oordelen de verbeurdverklaring van het voorwerp zal uitspreken. [1]
Aan het hanteren van het criterium of het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter die later moet oordelen tot verbeurdverklaring overgaat, ligt ten grondslag dat het onderzoek in raadkamer doorgaans plaatsvindt op een moment dat het onderzoek nog loopt, dus voordat de strafzaak inhoudelijk wordt behandeld. Daarbij heeft het onderzoek in raadkamer een summier karakter, waarbij de beoordeling van het beklag plaatsvindt op grond van de informatie over de strafzaak die op dat moment voorhanden is. De rechter die oordeelt over het beklag, kan
slechts in zeer beperkte mate vooruitlopen op de beslissingen die zullen worden genomen in de strafzaak. [2]
De klager wordt verdacht van cocaïnehandel en witwassen. De rechtbank heeft ter zake van deze verdenking de voorlopige hechtenis van de klager bevolen. De klager heeft zich tot dusverre op zijn zwijgrecht beroepen en geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring afgelegd over de financiering van de onder hem in beslag genomen auto’s.
Op grond van bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter die later moet oordelen in de strafzaak tegen de klager, de in beslag genomen auto’s zal verbeurd verklaren. De op de zitting door de raadsman overgelegde overeenkomsten waaruit zou blijken dat de auto’s met legale middelen zijn gefinancierd, maken het niet anders. Het Openbaar Ministerie heeft immers nog geen onderzoek kunnen doen naar de overeenkomsten nog daargelaten dat het bestaan van die overeenkomsten nog niet meebrengt dat de auto’s daadwerkelijk met legaal verkregen gelden zijn gefinancierd.
Proportionaliteit en subsidiariteit
De klager heeft aangevoerd dat hij op de rand van een faillissement verkeert en de raadsman heeft opgemerkt dat de klager (ten minste een van) de auto’s zou moeten terugkrijgen zodat hij deze kan verhuren en zo weer een inkomen kan genereren.
De rechtbank begrijpt dat de raadsman van de klager zich op het standpunt stelt dat bij de afweging of het beslag moet blijven voortduren of moet worden opgeheven, de persoonlijke belangen van de klager zwaarder zouden moeten wegen dan het nagestreefde strafvorderlijk belang bij het voortduren daarvan. De raadsman is met andere woorden van mening dat voortzetting van het beslag niet in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
Voor zover de klager heeft aangevoerd dat het voortduren van het beslag ertoe leidt dat hij zonder het verhuren van (een van) de in beslag genomen auto’s failliet zal gaan, is de rechtbank van oordeel dat deze stelling onvoldoende is onderbouwd. De klager heeft geen stukken overgelegd waaruit de gestelde financiële gevolgen blijken. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het voortduren van het beslag thans nog voldoet aan de vereisten van proportionaliteit (en subsidiairiteit). Dit betekent dat het beklag ongegrond zal worden verklaard.
Conclusie
De rechtbank is van oordeel dat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen opheffing van het beslag en dat het beklag ongegrond is.

6.Beslissing

De rechtbank verklaart het beklag ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door:
mr. R.A. Overbosch, voorzitter,
mr. L.F. Bögemann en C.C.J. Maas-van Es, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M. Cordia, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026.

Voetnoten

1.Hoge Raad 30 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:1001.
2.Hoge Raad 7 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:550.