Uitspraak
RECHTBANK Amsterdam
1.[eiser 1] B.V.,
hierna te noemen: [eiser 1] ,
2.
[eiser 2],
hierna te noemen: [eiser 2] ,
vrijwillig verschenen,
1.De procedure
mr. De Vries.
3 maart 2020. In de brief van 12 juni 2025 heeft ING ten aanzien van de contante transacties voor zover hier van belang het volgende van [eiser 1] gevraagd:
10 december 2025 opgezegd een meegedeeld dat de (persoons)gegevens van [eiser 1] en [eiser 2] in het IVR zullen worden opgenomen. Daartoe heeft ING in die brief voor zover hier van belang het volgende geschreven:
1 januari 2024 aangegaan. ING handhaaft ten slotte vervolgens haar eerdere beslissing en deelt mee dat de klantrelatie met [eiser 1] per 31 januari 2025 definitief wordt beëindigd.
3.Het geschil
4.De beoordeling
4.16. Al met al heeft ING dus op goede gronden kunnen concluderen dat zij op grond van artikel 5 lid 3 Wwft Pro verplicht was de relatie met [eiser 1] te beëindigen en daartoe ook op basis van artikel 35 ABV Pro bevoegd is.