ECLI:NL:RBAMS:2026:7236

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
781142
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenbeschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:34 BWArt. 4:13 BWArt. 4:15 BWArt. 4:46 lid 4 BWArt. 4:148 BW
Verwijzingen
11 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aanhouding zaak voorlopige bewijsverrichtingen en vertegenwoordiging erfgenaam onder bewind

Op 25 juni 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam een beschikking gegeven in een civiele procedure betreffende voorlopige bewijsverrichtingen in een nalatenschapszaak. De nalatenschap betreft een omvang van circa €150 miljoen en omvat meerdere erfgenamen, waaronder een onder bewind gestelde erfgenaam met twee beschermingsbewindvoerders die tegenstrijdige belangen hebben.

Verzoekers hebben de rechtbank verzocht om diverse voorlopige bewijsverrichtingen, waaronder getuigenverhoren, het verstrekken van stukken en het benoemen van een deskundige, om hun rechtspositie te bepalen met het oog op mogelijke toekomstige procedures over de geldigheid van het testament en de verdeling van de nalatenschap.

De rechtbank oordeelde dat zij bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen, ook al is nog onzeker welke bodemprocedure zal volgen. Tevens stelde de rechtbank vast dat de vertegenwoordiging van de onder bewind gestelde erfgenaam in deze procedure onvoldoende is, mede doordat de twee beschermingsbewindvoerders tegenstrijdige belangen hebben en de belangen van deze erfgenaam niet synchroon lopen met die van de testamentair bewindvoerder.

Daarom werd de zaak aangehouden om de bewindvoerders in overleg te laten treden met de kantonrechter over de vertegenwoordiging en het nut van het testamentair bewind. De zaak wordt op 3 september 2026 opnieuw op de rol gezet voor voortzetting van de procedure.

Uitkomst: De zaak wordt aangehouden vanwege onvoldoende vertegenwoordiging van een erfgenaam onder bewind en wordt op 3 september 2026 voortgezet.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer / rekestnummer: C/13/781142 / HA RK 25-463
Beschikking van 25 juni 2026
in de zaak van

1.[verzoeker 1] ,

wonende te [woonplaats 1] (Portugal),
2.
[verzoeker 2],
wonende te [woonplaats 1] (Portugal),
verzoekende partijen,
hierna gezamenlijk te noemen verzoekers en voor zover afzonderlijk bedoeld, [verzoeker 1] en [verzoeker 2] ,
advocaat: mr. E.Z. Anink,
tegen
1.
[verweerder 1], in persoon en in hoedanigheid van executeur van de nalatenschap van [erflater] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. P.G. Knoppers,
2.
[verweerder 2],
wonende te [woonplaats 3] ,
niet verschenen,
3.
[verweerder 3],
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. M.J. de Best,
4.
SVALNER ATLAS NETHERLANDS B.V.,
wonende te Amsterdam,
advocaat: mr. M.J. de Best,
verwerende partijen,
hierna samen te noemen: verweerders en voor zover afzonderlijk bedoeld [verweerder 1] , [verweerder 2] , [verweerder 3] en Svalner.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties,
- het verkorte proces-verbaal met de daarin genoemde stukken, waaronder:
- het verweerschrift van [verweerder 1] , met producties,
- het verweerschrift van [verweerder 3] en Svalner,
- de aanvullende producties 13-27 van verzoekers.
- de aanvullende productie 21 van [verweerder 1] .
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
Op [overlijdensdatum] 2023 is overleden [erflater] (hierna: erflater). Erflater laat na zijn echtgenote ( [verweerder 1] ) met wie hij onder het maken van huwelijks voorwaarden, inhoudende de algehele gemeenschap van goederen, getrouwd was ten tijde van zijn overlijden, alsmede drie kinderen uit een eerdere relatie, te weten [verzoeker 1] , [verzoeker 2] en [verweerder 2] . De omvang van de nalatenschap van erflater wordt geschat op € 150.000.000,-.
2.2.
[verweerder 2] is bij beschikking van 30 mei 1984 onder bewind gesteld wegens zijn geestelijke toestand. [verweerder 1] en [verzoeker 1] zijn de huidige bewindvoerders van [verweerder 2] .
2.3.
Erlater heeft laatst bij testament van 27 maart 2023, onder herroeping van eerdere wilsbeschikkingen (zie hierna, rov. 2.5), verleden door kandidaat-notaris mr. E. Müller als waarnemend notaris van mr. H. van Zenderen, bij leven beschikt over zijn nalatenschap (hierna: het testament). Het testament verklaart op de nalatenschap de wettelijke verdeling als bedoeld in artikel 4:13 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing. In het testament wijst erflater zijn drie kinderen, samen voor 999/1000e deel, alsmede [verweerder 1] voor 1/1000e deel aan als zijn erfgenamen. [verweerder 1] is bij het testament tot exectueur benoemd.
Verder heeft erflater in het testament bewind ingesteld als bedoeld in artikel 4:153 BW Pro over de aan [verweerder 2] nagelaten of vermaakte goederen. [verweerder 1] is in het testament benoemd als bewindvoerder.
Ook houdt het testament voor zover hier van belang het volgende in:
“[…]
5. Voldoening
Mijn echtgenote is te allen tijde bevoegd het door haar aan mijn overige erfgenamen verschuldigde geheel of gedeeltelijk te voldoen zonder enig voorafgaande aankondiging daartoe. […]”
2.4.
Op 20 september 2023 heeft notaris Van Zenderen een verklaring van erfrecht afgegeven.
2.5.
Het voorlaatste herroepen testament van erflater dateert van 14 maart 2022 en het op twee na laatste herroepen testament dateert van 21 april 2020.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
Verzoekers hebben de rechtbank verzocht om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking, samengevat weergegeven:
I. een voorlopig getuigenverhoor te bevelen ten einde verzoekers in staat te stellen door middel van het horen van getuigen onderzoek te doen naar de feiten en omstandigheden zoals in het verzoekschrift verwoord in de paragrafen E, F, en G;
II. [verweerder 1] te bevelen tot het verstrekken van de nader in het verzoekschrift aangeduide stukken/informatie a tot en met o, althans tot het verstrekken van inlichtingen binnen veertien dagen na de te wijzen beschikking primair op kosten van de nalatenschap, zulks op straffe van het verbeuren van een dwangsom;
III. [verweerder 3] en Svalner te bevelen binnen veertien dagen na de te geven beschikking de volgende stukken te verstrekken, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom:
- de herroepen testamenten van erflater van 14 maart 2022 en van 21 april 2020;
- de fiscale adviezen van [verweerder 3] aan erflater ter zake van de vererving en (fiscale) planning van de nalatenschap van erflater;
IV. een voorlopig deskundigenbericht te bevelen om de waarde van de aandelen in het kapitaal van de navolgende vennootschappen per datum van overlijden van erflater conform de daartoe volgens de deskundige meest aangewezen waarderingsmethode:
a. Portuguese Property (PTY) S.A.;
b. Portland Group (TPG) B.V. en
c. Bicester Holdings LLC;
en daartoe
J.M. (José) de Wit RV MRICSvan Talanton Valuation tot deskundige te benoemen, met bepaling dat [verweerder 1] alle medewerking hieraan dient te verlenen en met bepaling dat de kosten van het/de voorlopige deskundigenbericht(en) voor rekening van de nalatenschap komen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom;
V. verlof te verlenen aan verzoekers tot het laten opmaken van processenverbaal
door een (door verzoekers aan te wijzen) deurwaarder ter zake de roerende zaken die zich bevinden in:
a. het appartement aan de [adres 1] ;
b. het appartement aan het [adres 2] ;
en te bepalen dat [verweerder 1] daartoe alle medewerking dient te verlenen en daarbij ook de aanwezigheid van verzoekers en/of hun advocaten moet gedogen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom;
VII. [verweerder 1] te veroordelen in de kosten van deze procedure.
3.2.
Hieraan hebben verzoekers het volgende ten grondslag gelegd. Verzoekers wensen opheldering te verkrijgen over de feiten, ten einde hen in staat te stellen hun rechts- en bewijspositie beter te kunnen beoordelen met het oog op het eventueel kunnen instellen van:
- een vordering tot nietigverklaring van het testament van 27 maart 2023 en het voorlaatste herziene testament van 14 maart 2022 wegens wilsonbekwaamheid van erflater op de voet van artikel 3:34 BW Pro;
- een verzoek tot het vaststellen van de in beginsel niet opeisbare vorderingen uit hoofde van de wettelijke verdeling op de voet van artikel 4:15 BW Pro;
- een vordering tot uitbetaling van die vorderingen aan verzoekers (en hun broer [verweerder 2] );
- een eventuele vordering tot vaststelling van de (aanvullende) legitieme porties.
De verzoeken zijn primair gegrond op artikel 196 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Voor zover het verzoek ziet op het verkrijgen van een afschrift van stukken wordt het verzoek subsidiair gegrond op de artikelen 4:46 lid 4 BW en 4:148 BW.
Het verzoek om verlof te verlenen tot het opmaken van een proces-verbaal van constateringen door een deurwaarder dient verder primair te worden opgevat als een verzoek tot het bevelen van een voorlopig deskundigenbericht (via artikel 196 Rv Pro), subsidiair wordt het vezoek gegrond op artikel 207 Rv Pro.
3.3.
Zowel [verweerder 1] als [verweerder 3] en Svalner verzetten zich tegen toewijzing van het verzochte en voeren (afzonderlijk) verweer.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Processuele aandachtspunten
4.1.
Voordat tot een inhoudelijke beoordeling van de verzoeken kan worden overgegaan, dient de rechtbank (ambtshalve) aandacht te besteden aan twee, ook tijdens de mondelinge behandeling besproken, processuele onderwerpen.
De rechtbank acht zich bevoegd
4.2.
De rechtbank dient allereerst ambtshalve haar (absolute) bevoegheid te onderzoeken. Daarbij is het bepaalde in artikel 197 eerste Pro lid Rv relevant. Daarin is bepaald dat het verzoek wordt gedaan aan de rechter die vermoedelijk bevoegd zal zijn, of aan de bevoegde rechter binnen wiens rechtsbegied getuigen/deskundigen zich bevinden.
4.3.
Niet in geschil is dat ofwel de civiele handelsrechter van de rechtbank Amsterdam ofwel de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam bevoegd is van de verzoeken kennis te nemen.
Aanvankelijk benadrukten verzoekers in hun verzoekschrift de noodzaak van de verzochte voorlopige bewijsverrichtingen ten behoeve van een procedure tot vaststelling van de omvang van de (in beginsel niet opeisbare) vorderingen van de erfgenamen uit hoofde van de wettelijke verdeling op de voet van artikel 4:15 BW Pro. Die procedure dient krachtens dat artikel door de meest gerede partij door middel van een verzoekschrift bij de kantonrechter aanhangig te worden gemaakt. Eventueel aan die procedure voorafgaande voorlopige bewijsverrichtingen zouden dan dus op grond van artikel 197 lid 1 Rv Pro eveneens tot de bevoegdheid van de kantonrechter behoren.
Verzoekers hebben vervolgens echter nader toegelicht dat op dit moment nog onzeker is of en welke vervolgprocedure(s) na uitvoering van de verzochte voorlopige bewijsverrichtingen gevoerd zal/zullen gaan worden. De verzochte bewijsverrichtingen zijn er volgens verzoekers ook voor om de procespositie te bepalen en de kans van slagen in te schatten van andere eventueel te voeren (bodem)procedures. Verzoekers beraden zich niet alleen op een eventueel te voeren artikel 4:15 BW Pro-procedure bij de kantonrechter. Het is ook heel goed mogelijk dat niet voor die procedure wordt gekozen maar voor één of meer tot de bevoegdheid van de civiele handelsrechter van deze rechtbank behorende procedures, zoals een procedure waarin de rechtsgeldigheid van het testament onderwerp van geschil zal zijn en/of waarbij de uitleg van het testament aan de orde is. Ook een procedure waarin betaling wordt gevorderd van (een deel van) het erfdeel van verzoekers (en [verweerder 2] ) behoort tot de mogelijkheden, aldus verzoekers.
4.4.
Bij deze stand van zaken, waarbij nog onzeker is of, en vooral ook welke (bodem)procedure(s) aanhangig zal/zullen worden gemaakt die in ieder geval deels tot de bevoegdheid van de civiele handelsrechter van deze rechtbank behoren, is de civiele handelsrechter van deze rechtbank op grond van artikel 197 lid 1 Rv Pro ook bevoegd om van dit verzoek met betrekking tot het laten plaatsvinden van voorlopige bewijsverrichtingen kennis te nemen.
[verweerder 2] wordt onvoldoende vertegenwoordigd
4.5.
Daarnaast is de vertegenwoordiging van [verweerder 2] in deze procedure tijdens de mondelinge behandeling aan de orde gesteld.
4.6.
De rechtbank stelt voorop dat naast [verzoeker 1] , [verzoeker 2] en [verweerder 1] ook [verweerder 2] erfgenaam is van erflater. [verweerder 2] is onder beschermingsbewind gesteld. [verweerder 1] en [verzoeker 1] zijn gezamenlijk zijn beschermingsbewindvoerders. Weliswaar zijn [verweerder 1] en [verzoeker 1] partij in deze procedure, maar niet in hun hoedanigheid van beschermingsbewindvoerders van [verweerder 2] . Verder is een complicerende factor dat [verweerder 2] ’s gezamenlijke beschermingsbewindvoerders in deze procedure juridisch lijnrecht tegenover elkaar staan en dus onderling tegenstrijdige belangen hebben.
4.7.
Desondanks hebben zowel [verzoeker 1] als [verweerder 1] desgevraagd tijdens de mondelinge behandeling kenbaar gemaakt dat, nu het niet om een bodemprocedure gaat maar
slechtsom een daaraan voorgaand verzoek tot voorlopige bewijsverrichtingen, de belangen van [verweerder 2] niet zouden worden geschaad indien [verweerder 2] niet in deze procedure zou worden vertegenwoordigd. [verweerder 2] heeft echter (net als zijn mede-erfgenamen) evident belang bij deze procedure die namens hem naar voren gebracht moeten kunnen worden voordat inhoudelijk verder wordt beslist.
4.8.
Dat de belangen van [verweerder 2] in deze procedure voldoende zijn gewaarborgd en worden vertegenwoordigd door [verweerder 1] , omdat zij ten behoeve van [verweerder 2] niet alleen als beschermingsbewindvoerder maar ook als testamentair bewindvoerder fungeert, zoals [verweerder 1] tijdens de mondelinge behandeling heeft aangevoerd, wordt niet gevolgd. De belangen van [verweerder 2] en die van [verweerder 1] lopen evenmin synchroon.
4.9.
Gelet op het hiervoor overwogene acht de rechtbank het noodzakelijk dat [verweerder 2] alsnog gelegenheid krijgt om zijn standpunt ten aanzien van de verzoeken van verzoekers in deze procedure naar voren te laten brengen.
Vervolg van de procedure
4.10.
De zaak zal daarom worden aangehouden zodat de bewindvoerders van [verweerder 2] in overleg kunnen treden met de kantonrechter over nut en noodzaak van handhaving van het testamentair bewind door [verweerder 1] nu daarenboven algeheel beschermingsbewind geldt over het gehele vermogen van [verweerder 2] en over de vraag welke, eventueel nieuw te benoemen onafhankelijk beschermingsbewindvoerder de belangen van [verweerder 2] in deze procedure kan vertegenwoordigen.
4.11.
De zaak zal voor het hiervoor onder 4.10 omschreven doel naar de interne rekstenrol van 3 september 2026 worden verwezen. [verzoeker 1] en [verweerder 1] kunnen dan aan de rechtbank kenbaar maken waartoe het overleg met de kantonrechter heeft geleid en door tussenkomst van welke bewindvoerder [verweerder 2] (alsnog) kan worden opgeroepen in onderhavige procedure ten einde zijn standpunt ten aanzien van het verzoek van verzoekers naar voren te brengen.
De meest gerede partij kan de zaak eventueel eerder dan 3 september 2026 weer laten opbrengen danwel om een nader uitstel vragen indien voor het hiervoor weergegeven doel meer of minder tijd nodig is.
4.12.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
verwijst de zaak naar de interne rekestenrol van 3 september 2026 voor het in overweging 4.10 en 4.11 vermelde doel;
5.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.H.C. van Harmelen, rechter, bijgestaan door
mr. C.L. de Rijke, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.