ECLI:NL:RBAMS:2026:7246

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
13/220339-25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 38v Sr
Verwijzingen
22 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor bedreiging, mishandeling en wapenbezit met explosief

De rechtbank Amsterdam heeft op 10 juli 2026 een 34-jarige man veroordeeld voor meerdere strafbare feiten jegens zijn ex-partner. Hij maakte zich schuldig aan bedreigingen, mishandeling, vernieling van een deur en het bezit van een zelfgemaakte explosieve constructie. De bedreigingen werden onder meer via WhatsApp geuit, waarbij hij een foto van het explosief meestuurde.

De rechtbank achtte de bedreigingen, vernieling en mishandeling bewezen op basis van verklaringen, bekennende uitspraken en forensisch bewijs, waaronder een foto van letsel en het aantreffen van het explosief in de woning van verdachte. De verdediging voerde onder meer vrijspraak aan voor enkele feiten, maar deze werden door de rechtbank verworpen.

De strafmaat is vastgesteld op 14 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, inclusief bijzondere voorwaarden zoals een contact- en locatieverbod met elektronisch toezicht. De rechtbank legde ook een schadevergoeding van €2.500,- toe aan het slachtoffer wegens immateriële schade. De voorlopige hechtenis van verdachte werd gehandhaafd.

De rechtbank nam het reclasseringsadvies mee, dat onder meer sprak over psychosociale problemen, middelengebruik en een hoog recidiverisico. De straf en maatregelen zijn afgestemd op de ernst van de feiten, de persoon van verdachte en de noodzaak om herhaling te voorkomen.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 14 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden en een schadevergoeding van €2.500,- aan het slachtoffer.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummers: 13/220339-25 (zaak A) en 13/037796-26 (zaak B)
Parketnummer vordering tul: 23/003486-22
Datum uitspraak: 10 juli 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1992,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP adres] ,
nu gedetineerd in [detentieplaats] ,
hierna: verdachte.

1.Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S.M.E. Hirdes, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J.T.H.M. Mühren, naar voren hebben gebracht. Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] en van wat haar advocaat, mr. C.A. Bouw (waarnemend voor mr. R.H. Bouwman), naar voren heeft gebracht. Verder heeft de rechtbank ter terechtzitting reclasseringsmedewerker [reclasseringsmedewerker] gehoord, ter nadere toelichting van het reclasseringsadvies van 16 juni 2026.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan
Zaak A
1. bedreiging van [benadeelde partij] op 29 juli 2025 in Amsterdam;
2. het voorhanden hebben van een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een (zelfgemaakte) geïmproviseerde explosieve constructie (te weten een of meer stuks mortierbommen, althans zwaar vuurwerk) op 29 juli 2025 in Amsterdam.
Zaak B
1. vernieling van een (voor)deur van [benadeelde partij] op 3 februari 2026 in Amsterdam;
2. bedreiging van [benadeelde partij] op 30 januari 2026 in Amsterdam;
3. mishandeling van [benadeelde partij] op 1 januari 2025 in Amsterdam.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Ibij dit vonnis.
Voor zover in het bewezenverklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
Het in zaak A onder 1 en 2 en het in zaak B onder 1 tot en met 3 ten laste gelegde kan worden bewezen.
3.2.
Standpunt van de verdediging
Zaak A
Verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 1 ten laste gelegde bedreiging omdat er bij [benadeelde partij] geen redelijke vrees kon ontstaan gelet op de al langer bestaande, turbulente dynamiek in de relatie met verdachte. Bovendien is er geen aangifte van deze bedreiging gedaan. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde is geen bewijsverweer gevoerd.
Zaak B
Verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 1 ten laste gelegde vernieling. Verdachte heeft weliswaar verklaard dat hij tegen de deur heeft getrapt, maar niet kan buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat hij degene is geweest die de deur heeft vernield. Ook moet verdachte worden vrijgesproken van de onder 3 ten laste gelegde mishandeling aangezien er onvoldoende bewijs hiervoor in het dossier zit. Het onder 2 ten laste gelegde kan worden bewezen, met uitzondering van de zinsnede “Ik hoop dat [naam] verkracht wordt door je nieuwe vriendje”, omdat dit geen bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, met zware mishandeling en/of brandstichting oplevert.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
Zaak A
De rechtbank acht het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen. Uit het proces-verbaal van onderzoek aan de telefoon van verdachte en de bekennende verklaring van verdachte op de zitting blijkt dat verdachte op 29 juli 2025 naar [benadeelde partij] heeft gestuurd ‘Vanavond blaas ik je hoerehuis op’, in combinatie met een foto van vuurwerkbommen. De politie heeft vervolgens diezelfde dag in de woning van verdachte deze vuurwerkbommen aangetroffen, die zijn geïdentificeerd als geïmproviseerde explosieven. Voor zover de raadsman heeft betoogd dat er bij [benadeelde partij] geen redelijke vrees kon ontstaan, overweegt de rechtbank dat door de tekst, in combinatie met de foto van de vuurwerkbommen die ook daadwerkelijk bij verdachte zijn aangetroffen, wel degelijk redelijke vrees bij aangeefster kon ontstaan. Dat zij daar geen aangifte van heeft gedaan, doet daar niet aan af.
Zaak B
De rechtbank acht de onder 1 ten laste gelegde vernieling bewezen. Gelet op de verklaring van verdachte dat hij tegen de deur heeft getrapt en de verklaring van aangeefster dat zij meerdere trappen tegen de voordeur hoorde, deze vervolgens openvloog en daarna niet meer goed kon worden gesloten, staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat verdachte degene is geweest die de schade aan de deur heeft veroorzaakt. Ook de onder 2 ten laste gelegde bedreiging kan worden bewezen op grond van de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte. Anders dan het standpunt van de raadsman ziet de rechtbank ook voldoende bewijs voor bedreiging middels de zinsnede ‘Ik hoop dat [naam] verkracht wordt door je nieuwe vriendje’. Dreigen met de verkrachting van een eenjarig kind kan naar het oordeel van de rechtbank moeilijk anders worden gezien dan een bedreiging met zware mishandeling.
De onder 3 ten laste gelegde mishandeling kan eveneens worden bewezen. Aangeefster heeft verklaard dat zij op 1 januari 2025 door verdachte is mishandeld. Op dezelfde dag heeft zij met haar telefoon een foto gemaakt van haar letsel. Na het uitlezen van de telefoon van aangeefster, treft de politie een op 1 januari 2025 gemaakte foto aan, waarop letsel in het gezicht van aangeefster is te zien. Aangeefster heeft daarnaast een screenshot bij haar aangifte gevoegd, waarop te zien is dat verdachte haar op 12 januari 2025 een bericht heeft gestuurd met de tekst: ‘Had je ook niet mogen slaan’. Op zitting heeft verdachte bevestigd dat hij dit bericht heeft gestuurd. Zijn verklaring dat hij dit enkel heeft gestuurd om aangeefster haar gelijk te geven, acht de rechtbank ongeloofwaardig nu verdachte op geen enkele manier inzichtelijk heeft gemaakt waarom hij bezijden de waarheid zou erkennen aangeefster te hebben geslagen.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen in
bijlage IIbewezen dat verdachte
Zaak A
Feit 1
op 29 juli 2025 te Amsterdam [benadeelde partij] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door die [benadeelde partij] (via WhatsApp) dreigend de woorden toe te voegen "Vanavond blaas ik je hoerenhuis op", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en daarbij een foto van een explosief en/of zwaar vuurwerk naar die [benadeelde partij] te sturen;
Feit 2
op 29 juli 2025 te Amsterdam een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een (zelfgemaakte) geïmproviseerde explosieve constructie (te weten mortierbommen), zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door middel van ontploffing voorhanden heeft gehad;
Zaak B
Feit 1
op 3 februari 2026 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk een (voor)deur, die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [benadeelde partij] , toebehoorde heeft beschadigd;
Feit 2
omstreeks 30 januari 2026 te Amsterdam, [benadeelde partij] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling en met brandstichting, door die [benadeelde partij] (via WhatsApp) dreigend de woorden toe te voegen "Ik vermoord je" en "Niet wakker schrikken zo. Is maar een molotovcocktail" en "Jij gaat dood. Let maar op. Ik hoop dat [naam] verkracht wordt door je nieuwe vriendje", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;
Feit 3
op 1 januari 2025 te Amsterdam [benadeelde partij] heeft mishandeld, door een of meermalen op/tegen het hoofd en/of in/tegen het gezicht van die [benadeelde partij] te slaan en/of stompen;

5.Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straffen en maatregelen

7.1.
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd de maatregel van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) op te leggen, inhoudende een contactverbod met aangeefster en een locatieverbod voor het adres van aangeefster voor de duur van drie jaren met toepassing van vervangende hechtenis voor de duur van zeven dagen bij de eerste overtreding, oplopend met telkens zeven dagen per opvolgende overtreding (met een maximum van zes maanden). Zij heeft gevorderd dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard.
Verder heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht om te vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 90 dagen toe te wijzen en heeft zij zich verzet tegen het verzoek van de verdediging tot opheffing dan wel schorsing van de voorlopige hechtenis.
7.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om in het voordeel van verdachte rekening te houden met zijn proceshouding en aan hem maximaal een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met aftrek van voorarrest, op te leggen zodat verdachte, ook na toewijzing van de aanhangige vordering tenuitvoerlegging, zijn leven snel weer kan oppakken. Het gedeelte van de straf die deze duur overschrijdt, kan in voorwaardelijke vorm worden opgelegd. Aan dit voorwaardelijke deel dienen de bijzondere voorwaarden te worden verbonden zoals door de reclassering geadviseerd, inclusief de elektronische monitoring. Ten aanzien van de maatregel van artikel 38v Sr refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank, behalve dat de proeftijd dient te worden beperkt tot twee jaren.
Verder heeft de verdediging ten aanzien van de voorlopige hechtenis primair verzocht die op te heffen gelet op artikel 67a lid 3 van het Wetboek van Strafvordering. Subsidiair heeft de verdediging verzocht de voorlopige hechtenis te schorsen per 1 juli 2026.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim een jaar schuldig gemaakt aan meerdere bedreigingen van het slachtoffer, tevens zijn (ex-)partner, waarbij hij ook zeer verontrustende opmerkingen over hun gezamenlijke eenjarige dochter heeft gemaakt. Daarnaast heeft verdachte de voordeur van het slachtoffer beschadigd en heeft hij haar mishandeld. Verder er is bij verdachte een explosief aangetroffen waarvan hij een foto heeft gestuurd naar het slachtoffer om een van zijn bedreigingen kracht bij te zetten. Met deze handelingen heeft verdachte herhaaldelijk inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer. De feiten hebben gevoelens van angst bij het slachtoffer teweeg gebracht, zoals ook is gebleken uit de slachtofferverklaring die door haar advocaat is voorgedragen op de zitting en de toelichting op de vordering benadeelde partij. Verdachte lijkt bovendien niet in staat om het slachtoffer met rust te laten, want ook vanuit de Penitentiaire Inrichting is verdachte contact blijven zoeken met het slachtoffer. Dit baart de rechtbank ernstige zorgen. Hoewel verdachte op de zitting heeft verklaard dat hij spijt heeft van zijn daden, lijkt hij zich, gezien het feit dat hij gedurende de schorsing van voorlopige hechtenis de in zaak B bewezenverklaarde feiten heeft gepleegd, niet bewust van de ernst en gevolgen van zijn handelen.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 15 juni 2026. Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor geweldsmisdrijven waardoor er op dat gebied sprake is van recidive. Dit weegt de rechtbank in strafverzwarende zin mee. Daarnaast heeft de rechtbank gekeken naar het reclasseringsadvies van 16 juni 2026, opgesteld door reclasseringsmedewerker [reclasseringsmedewerker] . Ook heeft de rechtbank gehoord wat [reclasseringsmedewerker] daarover op de zitting naar voren heeft gebracht. Uit het advies blijkt dat verdachte geen huis heeft, kampt met schulden, er geen sprake is van zinvolle dagbesteding, er middelenproblematiek speelt en het vermoeden bestaat van psychosociale klachten op het gebied van agressiehantering en impulscontrole. Het recidiverisico wordt als hoog ingeschat. De reclassering adviseert verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij reclassering, meewerken aan ambulante behandeling, meewerken aan (indicatiestelling voor) begeleid wonen of maatschappelijke opvang, een contactverbod met het slachtoffer, een locatieverbod (met elektronisch toezicht) ten aanzien van het adres van het slachtoffer, het inspannen voor het vinden van dagbesteding, het aflossen van schulden en het meewerken aan controles om het middelengebruik te beheersen.
Straf
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank gekeken naar de door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) vastgestelde oriëntatiepunten, ofwel de afspraken die gerechten onderling maken over gelijke bestraffing van soortgelijke zaken. Deze oriëntatiepunten gaan alleen al voor het voorhanden hebben van explosieven in een woning uit een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden voor. Nu verdachte zich daarnaast ook schuldig heeft gemaakt aan meerdere bedreigingen, mishandeling van zijn (ex-)partner en een vernieling is de rechtbank van oordeel dat, mede gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden, aanleiding bestaat om bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft geëist. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van veertien maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden. Aan het voorwaardelijke strafdeel zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden verbinden zoals die door de reclassering zijn geadviseerd. De rechtbank acht dit voorwaardelijke deel enerzijds van belang als stok achter de deur voor verdachte en anderzijds zodat hij passende hulp en begeleiding kan ontvangen om zo recidive te voorkomen.
Maatregel
De rechtbank zal het contact- en locatieverbod ook aan verdachte opleggen in de vorm van een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v Sr. In het geval dat het voorwaardelijk deel van de aan verdachte opgelegde straf ten uitvoer zou worden gelegd omdat verdachte zich niet aan de voorwaarden heeft gehouden, dient er een vangnet te zijn, zodat verdachte ook zonder het voorwaardelijk strafdeel geen contact mag opnemen met het slachtoffer. De rechtbank ziet geen reden om de maatregel voor een kortere duur op te leggen dan door de officier van justitie is gevorderd en legt de maatregel daarom op voor de duur van drie jaren. De rechtbank zal bevelen dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt bij de eerste overtreding zeven dagen, bij de tweede overtreding veertien dagen, oplopende telkens met zeven dagen (met een maximum van in totaal zes maanden) voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan. Op deze manier wordt verdachte ook via deze weg (oplopend) geconfronteerd met de gevolgen van zijn handelen als hij opnieuw de fout in gaat.
Dadelijke uitvoerbaarheid
De rechtbank zal gelet op de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten en de persoon van de verdachte bepalen dat de bijzondere voorwaarden en het op de naleving van die voorwaarden uit te oefenen reclasseringstoezicht dadelijk uitvoerbaar zijn, nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van het slachtoffer.
Daarnaast zal de rechtbank de maatregel van artikel 38v Sr dadelijk uitvoerbaar verklaren, nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat hij zich belastend zal gedragen jegens het slachtoffer.
Voorlopige hechtenis
Het verzoek tot het opheffen dan wel schorsen van de voorlopige hechtenis zal – gelet op de bewezenverklaring en de strafmaat – worden afgewezen.

8.Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert € 10.000,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.1.
Standpunt van de officier van justitie
De vordering van de benadeelde partij kan volgens de officier van justitie gedeeltelijk worden toegewezen maar dient wel te worden gematigd. Voor wat betreft de hoogte van het toe te wijzen bedrag refereert de officier van justitie zich aan het oordeel van de rechtbank. Het toe te wijzen bedrag moet vermeerderd worden met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel dient te worden opgelegd.
8.2.
Standpunt van de verdediging
De vordering van de benadeelde partij dient in de ogen van de verdediging niet-ontvankelijk te worden verklaard, omdat onvoldoende is onderbouwd dat de benadeelde partij ten gevolge van de feiten daadwerkelijk psychisch letsel heeft opgelopen. Indien de rechtbank de vordering toch toewijst, dan dient dit te worden beperkt tot een maximumbedrag van € 500,-.
8.3.
Oordeel van de rechtbank
Vast staat dat aan de benadeelde partij door de in zaak A en B bewezenverklaarde feiten rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Een benadeelde partij heeft op grond van artikel 6:106 lid 1 sub b van Pro het Burgerlijk Wetboek recht op vergoeding van immateriële schade als hij in de persoon is aangetast. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon “op andere wijze” in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon “op andere wijze” volgen uit de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnende nadelige gevolgen voor het slachtoffer zo voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde mede op deze grondslag is gebaseerd.
Uit de stukken blijkt dat benadeelde veel angst ervaart en voortdurend alert is. Hoewel uit de vordering blijkt dat benadeelde een behandeling voor PTSS gaat volgen, kan de rechtbank onvoldoende vaststellen dat deze behandeling daadwerkelijk het gevolg is van de tenlastegelegde feiten. Wel oordeelt de rechtbank dat er sprake is van aantasting in de persoon “op andere wijze”. De rechtbank zal het gevorderde bedrag met betrekking tot het geestelijk letsel matigen en zoekt daarbij in de eerste plaats aansluiting bij de Rotterdamse Schaal Voor een bedreiging (paragraaf 19.5) die gepaard gaat met concrete, intimiderende handelingen die de dreiging versterken en de indruk wekken dat het dreigement daadwerkelijk ten uitvoer zal worden gebracht kan op basis van de Rotterdamse schaal een bedrag van € 1.500,- worden toegewezen. De rechtbank is van oordeel dat dit bedrag op zichzelf echter onvoldoende recht doet aan de algehele context van de feiten, aangezien verdachte benadeelde ook heeft mishandeld, haar deur heeft vernield en haar in het algemeen gedurende langere tijd heeft lastig gevallen. Daarom acht de rechtbank de vordering toewijsbaar tot een bedrag van € 2.500,-.
Conclusie
De rechtbank zal de vordering toewijzen tot een bedrag van € 2.500.-. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van het ontstaan van de schade, te weten 1 januari 2025, tot de dag dat verdachte het volledige bedrag heeft betaald. Daarnaast wordt aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel opgelegd en moet hij de kosten betalen die benadeelde heeft gemaakt en nog moet maken voor de tenuitvoerlegging hiervan. Deze kosten zijn tot nu toe begroot op nihil. De vordering wordt voor het overige niet-ontvankelijk verklaard.

9.Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 26 augustus 2025 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie, strekkende tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf die verdachte blijkens het onherroepelijk geworden arrest van 9 oktober 2023 van het gerechtshof Amsterdam in de zaak met parketnummer 23/003486-22 is opgelegd. Bij dit arrest is verdachte veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren en een gevangenisstraf voor de duur van 98 dagen, met bevel dat 90 dagen van deze gevangenisstraf niet zullen worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.
Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de vordering toe te wijzen en de tenuitvoerlegging van dat voorwaardelijke strafdeel te gelasten.

10.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w, 57, 63, 285, 300 en 350 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

11.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Zaak A
Ten aanzien van feit 1:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht
Ten aanzien van feit 2:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie
Zaak B
Ten aanzien van feit 1:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort beschadigen
Ten aanzien van feit 2:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling en met brandstichting
Ten aanzien van feit 3:
mishandeling
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
14 (veertien) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering (en in voorlopige hechtenis) is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot
6 (zes) maanden, van deze gevangenisstraf
niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een
proeftijdvoor de duur van
2 (twee) jarenvast.
Tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf
zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als
bedoeld in artikel 4 van Pro de Penitentiaire beginselenwet. dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van
Strafvordering, aan de orde is.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
-
Meldplicht bij reclassering
dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt veroordeelde zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Inforsa op het adres [adres 1] .
-
Ambulante behandeling
dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd laat behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start zodra veroordeelde wordt uitgenodigd voor het eerste gesprek. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op agressiehantering, impulscontrole en middelenmisbruik.
-
Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang
dat veroordeelde meewerkt aan de indicatiestelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering, mocht hij niet (meer) in aanmerking komen voor een zelfstandige huurwoning. Het verblijf start zodra veroordeelde is geaccepteerd door de woonvorm. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.
-
Contactverbod
dat veroordeelde gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met [benadeelde partij] .
-
Locatieverbod (met elektronisch toezicht)
dat veroordeelde zich niet bevindt in het gebied rondom de [adres 2] , zie bijgevoegde afbeelding, zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering kan tijdens de proeftijd het verboden gebied laten vervallen, het verboden gebied verkleinen en/of aan veroordeelde toestemming geven om zich voor een bepaalde periode in een bepaald deel van het verboden gebied te bevinden. Veroordeelde werkt mee aan elektronisch toezicht op de naleving van het locatieverbod, voor de genoemde periode of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt;
Tevens is het zo dat veroordeelde voor een goede werking van het elektronisch toezicht gedurende de duur van het elektronisch toezicht Nederland niet verlaat zonder toestemming van de reclassering. De aansluiting van het elektronische monitoringmiddel kan plaatsvinden vanaf de derde werkdag nadat de reclassering is geïnformeerd over de ingangsdatum. De aansluiting zal plaatsvinden in de Penitentiaire Inrichting [detentieplaats] , dan wel de inrichting waar veroordeelde op dat moment verblijft.
-
Dagbesteding
dat veroordeelde zich inspant voor het vinden en behouden van zinvolle dagbesteding voor tenminste drie dagen per week.
-
Aflossing schulden
dat veroordeelde meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.
-
Beheersing middelengebruik
dat veroordeelde gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol, cocaïne, amfetamine, ecstasy, benzodiazepinen en cannabis. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek, ademonderzoek of een speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden, met uitzondering van het contact- en locatieverbod op de naleving waarvan de politie toeziet, en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Beveelt dat voormelde voorwaarden en het uit te oefenen reclasseringstoezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zo lang als de reclassering dit noodzakelijk acht.
Legt op demaatregeldat de veroordeeldevoor de duur van 3 (drie) jaren
(1) zich
nietzal
ophoudenin het navolgende gebied, weergegeven op de afbeelding hieronder: [adres 2] .
(2) op
geenenkele wijze - direct of indirect -
contactzal opnemen, zoeken of hebben met [benadeelde partij] , geboren op [geboortedatum] .
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt
7 (zeven) dagen,oplopend telkens met 7 (zeven) dagen per overtreding
,voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan.
De totale duur van de tenuitvoergelegde vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste 6 (zes) maanden.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en/of zich belastend zal gedragen jegens een bepaalde persoon of bepaalde personen, beveelt de rechtbank, gelet op artikel 38v, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, dat de opgelegde maatregel,
dadelijk uitvoerbaaris.
Wijst het verzoek tot opheffing dan wel schorsing van de voorlopige hechtenis af.
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] toe tot een bedrag van
€ 2.500,- (tweeduizend vijfhonderd euro)aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover. De rechtbank zal de aanvangsdatum van de wettelijke rente bepalen in het midden van de periode waarin deze kosten zijn gemaakt, te weten op 1 juli 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij] aan de Staat € 2.500,- (tweeduizend vijfhonderd euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 1 januari 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 62 (tweeënzestig) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling
Gelast de tenuitvoerlegging van de bij genoemd arrest van 9 oktober 2023 door het gerechtshof Amsterdam opgelegde voorwaardelijke straf, namelijk een gevangenisstraf voor de duur van
90 (negentig) dagen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. B. van Galen, voorzitter,
mrs. I. Timmermans en G.J.M. Kruizinga, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.V. Koppelman, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 juli 2026.
[…]
[…]

[…]

[…]

[…]

[…]

[…]

[…]

[…]

[…]