ECLI:NL:RBAMS:2026:7248

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
13.151642.25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285 SrArt. 287 SrArt. 289 SrArt. 300 lid 1 SrArt. 301 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontoerekeningsvatbaarheid wegens psychose bij poging tot doodslag en bedreiging

Op 16 mei 2025 heeft verdachte in Amsterdam-Oost zijn huisgenote bedreigd en geprobeerd te doden door met een mes stekende bewegingen te maken en haar te wurgen. De benadeelde kon ontsnappen door verdachte met het mes in zijn arm te snijden.

De officier van justitie vorderde een veroordeling voor poging tot doodslag en bedreiging, terwijl de raadsman vrijspraak voor voorbedachte raad en ontoerekeningsvatbaarheid bepleitte. Psychiatrische rapportages stelden vast dat verdachte ten tijde van het delict psychotisch was door schizofrenie, waardoor hij zijn handelen niet kon sturen.

De rechtbank verklaarde de poging tot doodslag en bedreiging bewezen, maar achtte verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar en sprak hem vrij van straf. Tevens werd een schadevergoeding van €12.136,10 plus €10.000 immateriële schade aan de benadeelde toegekend, vermeerderd met wettelijke rente. Het mes werd onttrokken aan het verkeer en een zorgmachtiging verleend voor repatriëring naar Brazilië.

Uitkomst: Verdachte is wegens psychose ontoerekeningsvatbaar verklaard en ontslagen van alle rechtsvervolging; schadevergoeding aan benadeelde toegekend.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13.151642.25
Datum uitspraak: 16 juli 2026
Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,
nu gedetineerd in: [naam] .

1.Onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van
2 juli 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. M.L. Vermeulen en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. R.H. Bouwman, naar voren hebben gebracht. Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van wat de raadsman van benadeelde partij [benadeelde partij] , mr. C.G. Peerik, heeft aangevoerd. De benadeelde partij heeft de zitting (op haar verzoek) via een geluidsverbinding gevolgd vanuit een andere zaal in de rechtbank. Haar schriftelijke slachtofferverklaring is in het dossier gevoegd.

2.Beschuldiging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat
1
hij op of omstreeks 16 mei 2025 te Amsterdam, in elk geval in Nederland,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde partij] opzettelijk
(en al dan niet met voorbedachte raad) van het leven te beroven, althans zwaar
lichamelijk letsel toe te brengen,
met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, een of meer stekende
bewegingen in de richting van het bovenlichaam van die [benadeelde partij] heeft gemaakt en/of
met kracht met zijn, verdachtes arm(en) de keel van die [benadeelde partij] heeft dichtgedrukt
en/of dichtgedrukt heeft gehouden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
(art 289/287/301 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht)
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 16 mei 2025 te Amsterdam, in elk geval in Nederland,
[benadeelde partij] heeft mishandeld door die [benadeelde partij] met een mes in haar vingers en/of hand te
steken en/of snijden en/of die [benadeelde partij] naar de grond te trekken en/of met kracht de
keel van die [benadeelde partij] dicht te drukken en/of dichtgedrukt te houden;
(art 300 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht)
2
hij op of omstreeks 16 mei 2025 te Amsterdam, in elk geval in Nederland,
[benadeelde partij] heeft bedreigd met enig misdrijf enig misdrijf tegen het leven gericht en/of
zware mishandeling en/of verkrachting,
door die [benadeelde partij] meermalen de woorden toe te voegen: “I am going to kill you”,
althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
(art 285 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht)

3.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Bewijsvraag

4.1.
Inleiding
De beschuldigingen zien op hetgeen in de ochtend van 16 mei 2025 is voorgevallen tussen verdachte en zijn huisgenote [benadeelde partij] (hierna: [benadeelde partij] ) in hun (studenten)woning aan het [adres] . Terwijl [benadeelde partij] in de badkamer was, heeft verdachte met een mes in het slot van de badkamerdeur gestoken, een gat in de deur geslagen en is vervolgens door dat gat de badkamer binnengedrongen. In de badkamer hebben daarna geweldshandelingen plaatsgevonden. [benadeelde partij] heeft op enig moment kunnen ontsnappen uit de badkamer.
De rechtbank zal hieronder eerst – kort samengevat – de standpunten van de officier van justitie en de raadsman weergeven. Daarna volgt het oordeel van de rechtbank.
4.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd dat de onder 1 ten laste gelegde poging tot doodslag kan worden bewezen. Voorbedachte raad (moord) acht de officier van justitie niet bewezen.
De officier van justitie heeft verder geconcludeerd dat de onder 2 ten laste gelegde bedreiging kan worden bewezen.
4.3.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft geconcludeerd dat de onder 1 ten laste gelegde poging tot zware mishandeling kan worden bewezen en dat verdachte van voorbedachte raad moet worden vrijgesproken.
Over de onder 2 ten laste gelegde bedreiging heeft de raadsman geen standpunt ingenomen.
4.4
Oordeel van de rechtbank
Bewijsoverwegingen
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 ten laste gelegde poging tot doodslag en de onder 2 ten laste gelegde bedreiging en motiveert dit als volgt.
Uit de aangifte van [benadeelde partij] , die voldoende ondersteuning vindt in andere bewijsmiddelen, volgt het volgende. Verdachte is met een mes aan het steken in het slot van de deur van de badkamer, terwijl [benadeelde partij] in de badkamer is. Daarbij roept hij steeds: “I am going to kill you!”. Uiteindelijk slaat verdachte een gat in de badkamerdeur. Verdachte gaat door het gat de badkamer in. Hij schreeuwt dat hij [benadeelde partij] gaat vermoorden en maakt stekende bewegingen richting het bovenlichaam van [benadeelde partij] . Met haar handen weert [benadeelde partij] die stekende bewegingen van verdachte af. [benadeelde partij] krijgt op een gegeven moment het mes te pakken. Verdachte slaat [benadeelde partij] vervolgens. [benadeelde partij] draait zich daarop om, zodat verdachte haar niet in haar gezicht kan slaan. Verdachte pakt [benadeelde partij] hierop vanachter met kracht bij haar keel, waardoor [benadeelde partij] geen adem meer kan krijgen. Verdachte trekt [benadeelde partij] naar beneden. [benadeelde partij] zit dan met haar rug tegen verdachte aan terwijl verdachte haar aan het wurgen is. [benadeelde partij] komt in ademnood en begint haar bewustzijn te verliezen. Verdachte blijft schreeuwen dat hij [benadeelde partij] gaat vermoorden. Verdachte zit met zijn benen vanachter over [benadeelde partij] heen gekruist. Uiteindelijk weet [benadeelde partij] los te komen door verdachte met het mes in zijn arm te snijden. Daarna vlucht [benadeelde partij] .
Op basis van de deze feiten is de rechtbank van oordeel dat verdachte heeft geprobeerd [benadeelde partij] te doden. Het steken richting het bovenlichaam van [benadeelde partij] , het wurgen van [benadeelde partij] en het daarbij steeds schreeuwen dat hij haar gaat vermoorden, leveren opzet op het doden van [benadeelde partij] op. Het is uiteindelijk niet zover gekomen dat [benadeelde partij] is gedood door het verzet van [benadeelde partij] , wat maakt dat sprake is van een poging. Het schreeuwen van verdachte dat hij [benadeelde partij] gaat vermoorden, levert de bewezenverklaarde bedreiging op.
Het dossier bevat onvoldoende aanknopingspunten voor voorbedachte raad bij verdachte. Van de ten laste gelegde poging tot moord zal de rechtbank verdachte dan ook vrijspreken.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat verdachte
1
op 16 mei 2025 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde partij] opzettelijk van het leven te beroven, met een mes stekende
bewegingen in de richting van het bovenlichaam van die [benadeelde partij] heeft gemaakt en
met kracht met zijn, verdachtes armen de keel van die [benadeelde partij] heeft dichtgedrukt
en dichtgedrukt heeft gehouden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
op 16 mei 2025 te Amsterdam [benadeelde partij] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door die [benadeelde partij] meermalen de woorden toe te voegen: “I am going to kill you”.
De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

5.Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.Strafbaarheid van verdachte

6.1.
Inleiding
Psychiater in opleiding H.E. Velthuis en psychiater (supervisor) C.A.M. van der Meijs (hierna: Van der Meijs) hebben op 31 oktober 2025 een pro justitia rapportage over verdachte uitgebracht. Op 2 juni 2026 heeft Van der Meijs een aanvullende pro justitia rapportage over verdachte uitgebracht.
Op 27 mei 2026 heeft psycholoog G.M. Jansen (hierna Jansen) een pro justitia rapportage over verdachte uitgebracht.
In al deze rapportages wordt geadviseerd verdachte het ten laste gelegde niet toe te rekenen vanwege een psychotische stoornis in de vorm van schizofrenie.
6.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd dat verdachte het ten laste gelegde in verminderde mate kan worden toegerekend, omdat hij ten tijde van het ten laste gelegde in een psychose verkeerde.
De officier van justitie is van mening dat van algehele ontoerekeningsvatbaarheid geen sprake is. Daartoe heeft zij aangevoerd dat verdachte vrijwillig en bewust cannabis is gaan gebruiken en dat hij de mogelijke gevolgen daarvan, een psychose, heeft kunnen en moeten voorzien gelet op een eerdere bij hem door cannabis geluxeerde psychose.
6.3.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft de rechtbank, onder verwijzing naar de adviezen van de psychiater en psycholoog, verzocht verdachte geheel ontoerekeningsvatbaar te verklaren en hem te ontslaan van alle rechtsvervolging.
6.4.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat verdachte het bewezen verklaarde in het geheel niet kan worden toegerekend en motiveert dit als volgt toe.
Psycholoog Jansen vermeldt in zijn rapportage van 27 mei 2026 onder meer het volgende in antwoord op de gestelde onderzoeksvragen:
“Betrokkene lijdt aan chronische psychoses in het kader van schizofrenie. Daarnaast is sprake van een stoornis in het gebruik van cannabis matig/ernstig, in een gereguleerde omgeving in remissie.
Ook ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde was sprake van een psychotisch toestandsbeeld in het kader van schizofrenie. De stoornis in het gebruik van cannabis was ook aanwezig.
De psychose bepaalde betrokkenes gedragingen volledig.
Betrokkene was ervan overtuigd dat aangeefster hem ziek had gemaakt (vergiftigd), als een spin in zijn hoofd zat en hem van gedachten deed veranderen en hem had vermoord. Hij voelde zich hierdoor erg angstig en probeerde het gevaar te stoppen door aangeefster aan te vallen met een mes en haar te wurgen. Hij handelde vanuit paranoïde wanen (hij werd in zijn beleving ernstig bedreigd) en mogelijk ook vanuit auditieve hallucinaties (stem).
Gelet op het ernstige psychotische toestandsbeeld waarin betrokkene verkeerde, kon hij zijn denken niet meer sturen en werd zijn handelen hierdoor volledig bepaald. Hij had geen besef van het wederrechtelijke van zijn handelen, zijn realiteitstoetsing was ernstig gestoord. Vanwege de volledige en rechtstreekse doorwerking van de chronische psychotische stoornis in de vorm van schizofrenie wordt geadviseerd hem beide ten laste gelegde feiten, indien bewezen, niet toe te rekenen.
Het cannabisgebruik van betrokkene voorafgaand aan het ten laste gelegde wordt
gezien als een vorm van inadequate zelfregulering van angsten en achterdocht
voortkomend uit de psychose en dient in die zin als een vorm van zelfmedicatie te
worden gezien. Cannabisgebruik is nauw verweven met de psychose en is in die
zin geen vrije keuze.”
Psychiater Van der Meijs vermeldt in zijn rapportage van 2 juni 2026 onder meer het volgende in antwoord op de gestelde onderzoeksvragen:
“Betrokkene is lijdende aan de psychische stoornis schizofrenie. Tevens is sprake van een stoornis in het gebruik van cannabis, matig van ernst.
Beide stoornissen waren aanwezig ten tijde van het tenlastegelegde.
Ten tijde van het tenlastegelegde was betrokkene floride psychotisch. Hij hoorde stemmen en had paranoïde, religieuze en grootheidswanen. Betrokkene werd in zijn denken en handelen geleid door een stem die hij hoorde en de waangedachten die hij had. Daarbij was hij incoherent in zijn denken, waardoor hij zijn gedachten niet kon bijsturen. Betrokkene was volledig geheel in de ban van zijn stoornis en daarmee wilsonvrij om tot gezonder gedrag te komen dan wel van dit gedrag af te kunnen zien. Om die reden wordt geadviseerd betrokkene het ten laste gelegde niet toe te rekenen. Het feit dat betrokkene in de maanden voorafgaand aan het tenlastegelegde weer met cannabis was begonnen verandert dit advies niet, omdat betrokkene de cannabis gebruikte als zelfmedicatie tegen toenemende stress en vermoedelijk ook tegen de negatieve symptomen die hij had. Schizofreniepatiënten gebruiken geregeld cannabis om negatieve symptomen zoals vervlakking van affect, initiatiefloosheid en passiviteit tegen te gaan. Om die reden wordt bij deze groep veel vaker een stoornis in het gebruik van cannabis gezien. De schizofrenie en de stoornis in het gebruik van cannabis zijn met elkaar verweven. Bij betrokkene heeft verder het niet meer hebben hoeven gebruiken van antipsychotische medicatie ervoor gezorgd dat hij niet preventief beschermd was tegen een nieuwe psychose.
Het gebruik van cannabis was geen vrije keuze.”
De rechtbank neemt deze conclusies over en volgt deze adviezen. De rechtbank deelt, gelet op deze adviezen, niet de opvatting van de officier van justitie dat verdachte vrijwillig en bewust cannabis is gaan gebruiken en dat hij de mogelijke gevolgen daarvan, een psychose, heeft kunnen en moeten voorzien, gelet op een eerdere bij hem door cannabis geluxeerde psychose. Daarbij overweegt de rechtbank dat niet is gebleken dat de diagnose schizofrenie is gesteld vóór het plegen van de strafbare feiten. In 2023 was immers alleen sprake van een drugspsychose, waarvoor verdachte was behandeld. Ook in dat licht kan niet worden gezegd dat verdachte had voorzien of had moeten voorzien dat hij ten gevolge van zijn cannabisgebruik in een psychose zou terechtkomen.
Het bewezen geachte kan verdachte dus wegens ziekelijke stoornis niet worden toegerekend. Verdachte dient ter zake daarvan dan ook te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Het voorgaande maakt dat de rechtbank verdachte geen gevangenisstraf en contactverbod op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht kan opleggen, zoals gevorderd door de officier van justitie. De rechtbank zal, in navolging van de adviezen van de psycholoog en psychiater, evenmin een tbs-maatregel (met voorwaarden) opleggen. Een tbs-maatregel met dwangverpleging zou te ingrijpend zijn en een tbs-maatregel met voorwaarden is gelet op het onrechtmatige verblijf van verdachte in Nederland niet opportuun. De rechtbank zal bij gelijktijdige beslissing wel een zorgmachtiging verlenen voor verdachte met het oog op (de ook door verdachte gewenste) repatriëring naar Brazilië vanuit een zorginstelling in Nederland naar een zorginstelling in Brazilië.

7.Beslag

De beslaglijst vermeldt een mes en een keukenartikel.
De officier van justitie heeft de verbeurdverklaring van beide voorwerpen gevorderd.
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het beslag.
De rechtbank oordeelt als volgt.
De rechtbank begrijpt uit de processen-verbaal van bevindingen (zie doorgenummerde bladzijden A024 en A026) dat het mes waarmee verdachte op [benadeelde partij] heeft ingestoken en dat bij [benadeelde partij] , in de moskee waar zij naartoe was gevlucht, is aangetroffen, door de politie is veilig gesteld en dat dit mes is vermeld op de beslaglijst. Het keukenartikel op de beslaglijst betreft vermoedelijk een gelijkend mes dat in de keukenla in de woning aan het [adres] is aangetroffen.
Het mes op de beslaglijst dient naar het oordeel van de rechtbank te worden onttrokken aan het verkeer en is daarvoor vatbaar, aangezien met behulp van dit voorwerp het onder 1 bewezen geachte is begaan en dit voorwerp van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet/het algemeen belang.
De rechtbank zal bepalen dat het keukenartikel op de beslaglijst, ten aanzien waarvan geen verband met de strafbare feiten kan worden vastgesteld, wordt bewaard voor de rechthebbende.

8.Vordering van de benadeelde partij

8.1.
Vordering
[benadeelde partij] vordert in verband met de ten laste gelegde feiten – na aanpassing ter terechtzitting van de schriftelijke vordering – vergoeding door verdachte van de volgende materiële schade:
  • 2 x € 385, - (eigen risico zorgverzekering)
  • € 549, - (crème);
  • € 617,10 (kosten in verband met bemiddelingen dan wel het vinden van een nieuwe woning);
  • € 200, - (kosten in verband met littekenbehandeling).
[benadeelde partij] vordert in verband met de ten laste gelegde feiten vergoeding door verdachte van
€ 10.000, - immateriële schade. Daarbij is toegelicht dat dit geestelijke schade betreft, te weten een middelzware vorm van PTSS, waaraan in de Rotterdamse schaal [1] een schadevergoeding van € 5.500, - tot € 16.000, - is verbonden.
Bij alle schadeposten heeft [benadeelde partij] vermeerdering met de wettelijke rente gevorderd.
8.2.
Standpunt van de raadsman van verdachte
De raadsman van verdachte heeft zich ten aanzien van de gevorderde materiële schadevergoeding gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding vindt de raadsman van verdachte € 6.000, - billijk en toewijsbaar.
8.3.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering geheel dient te worden toegewezen. Daarbij heeft zij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.
8.4.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De vordering is wat betreft de materiële schade niet betwist. Deze gevorderde schade komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.
Immateriële schade
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel en geestelijk letsel heeft opgelopen. De benadeelde partij heeft voldoende concrete en objectieve gegevens aangevoerd waaruit blijkt dat ten gevolge van het strafbare feit een psychische beschadiging, in de vorm van PTSS, is ontstaan. Voor de PTSS wordt de benadeelde partij nog steeds behandeld. Het gaat om een ernstige vorm van PTSS, zo blijkt uit de brief van haar behandelaar.
De hoogte van de vordering is ter terechtzitting betwist. De rechtbank is echter van oordeel dat de gevorderde immateriële schade billijk is. Daartoe zijn van belang de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden, te weten: de doodsbedreigingen door verdachte, de extreem angstaanjagende situatie in de kleine badkamer waarin verdachte was binnengedrongen en de doodsangst die [benadeelde partij] heeft gehad in haar eigen woning. Verder heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de Rotterdamse schaal en de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend.
Veroordeling in kosten
Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
Schadevergoedingsmaatregel
In het belang van [benadeelde partij] wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36b, 36c, 36f , 45, 285 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

10.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4.4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
poging tot doodslag;
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.
Verklaart verdachte,
[verdachte], voor het bewezenverklaarde niet strafbaar en
ontslaat hem van alle rechtsvervolgingter zake daarvan.
Verklaart onttrokken aan het verkeer:
1. een mes (PL1300-2025119591-G6657368).
Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende:
2. een keukenartikel (PL1300-2025119591-G6657382).
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] toe tot € 2.136,10 (tweeduizend honderd zesendertig euro en tien cent) aan vergoeding van materiële schade en
€ 10.000, - (tienduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, dit alles te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (16 mei 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij] aan de Staat € 12.136,10 (twaalfduizend honderd zesendertig euro en tien cent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (16 mei 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 85 (vijfentachtig) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het moment dat verdachte is opgenomen in een kliniek in het kader van de door deze rechtbank bij afzonderlijke gelijktijdige beslissing afgegeven zorgmachtiging. Deze beslissing ten aanzien van de voorlopige hechtenis is (ook) apart schriftelijk opgemaakt.
Dit vonnis is gewezen door
mr. CH.A. van Dijk, voorzitter,
mrs. P. Sloot en C. Işıtman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 juli 2026.

Voetnoten

1.Een in de rechtspraak gehanteerde Ordening van smartengeldbedragen bij lichamelijk letsel en andere persoonsaantastingen.