ECLI:NL:RBAMS:2026:7249

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
C/13/780345
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
  • M.F. van Schendel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 237 lid 1 RvArt. 139 RvArt. 125 Rv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot betaling lening en proceskostenveroordeling na borgstelling

New10 B.V. heeft op 27 februari 2023 een kredietovereenkomst gesloten met [gedaagde 1] B.V. voor een lening van €220.000 met een looptijd van drie jaar. [gedaagden] hebben zich hoofdelijk borg gesteld voor een bedrag van €55.000. Na wanbetaling eiste New10 het volledige bedrag op en startte een procedure.

[gedaagde 1] verscheen niet en werd verstek verleend. New10 vorderde betaling van het openstaande bedrag en proceskosten. Na betaling van het borgstellingsbedrag door [gedaagden] bleef een vordering tot vergoeding van proceskosten tegen hen over. New10 had echter de dagvaarding te vroeg ingediend terwijl betaling werd voorbereid, waardoor onnodige proceskosten ontstonden.

De rechtbank veroordeelde [gedaagde 1] tot betaling van het restant van de lening met rente en proceskosten. Tegelijkertijd werd New10 veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van [gedaagden], omdat de kosten nodeloos waren veroorzaakt door voortijdige dagvaarding en het niet intrekken van de eis na betaling. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde 1 wordt veroordeeld tot betaling van lening en rente, New10 wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van borgstellers wegens nodeloos veroorzaakte kosten.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/780345 / HA ZA 25-1818
Vonnis van 15 juli 2026
in de zaak van
NEW10 B.V.,
te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: New10,
advocaat: mr. D.L.A. van Voskuilen,
tegen

1.[gedaagde 1] B.V.,

te [vestigingsplaats] ,
niet verschenen,

2.2. [gedaagde 2] ,

te [woonplaats] ,
3.
[gedaagde 3],
te [woonplaats] ,
advocaat: mr. K.G.A.P. Boemaars,
gedaagde partijen,
gedaagde sub 1 hierna te noemen: [gedaagde 1] ,
gedaagde sub 2 en sub 3 hierna samen te noemen: [gedaagden]

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 13 mei 2026;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 4 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en in het dossier zijn gevoegd.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Op 27 februari 2023 hebben New10 en [gedaagde 1] een kredietovereenkomst gesloten, op grond waarvan New10 aan [gedaagde 1] een lening heeft verstrekt van € 220.000, ter financiering van werkkapitaal (hierna: de Lening). De looptijd van de Lening was drie jaar, tot 27 februari 2026. Partijen spraken verder af dat door [gedaagde 1] elke maand 1,5% van het opgenomen leningsbedrag zou worden afgelost en [gedaagde 1] over het opgenomen leningsbedrag een rente verschuldigd zou zijn van 4,81% per jaar.
2.2.
Op diezelfde datum hebben [gedaagden] zich bij akte van borgstelling hoofdelijk borg gesteld voor de nakoming van de verplichtingen van [gedaagde 1] onder de Lening, tot een maximumbedrag van € 55.000 (hierna: de Borgstelling). [gedaagden] zijn (indirect) bestuurders van [gedaagde 1] .
2.3.
Op 16 mei 2025 heeft New10 een sommatie aan [gedaagde 1] gestuurd, waarin New10 het op dat moment uitstaande bedrag onder de Lening van € 220.183,04 in één keer bij [gedaagde 1] heeft opgeëist, omdat niet aan de betalingsverplichting werd voldaan. New10 heeft op diezelfde datum ook een brief aan [gedaagden] gestuurd en daarin een bedrag van € 55.000 opgeëist, op grond van de Borgstelling.
2.4.
Vervolgens heeft Flanderijn Incasso namens New10 sommaties aan [gedaagde 1] en [gedaagden] gestuurd.
2.5.
Op 28 november 2025 heeft New10 [gedaagde 1] en [gedaagden] gedagvaard, tegen 17 december 2025.
2.6.
Op 15 december 2025 schreef dhr. [naam] van Flanderijn Incasso in een e-mail aan [gedaagde 3] : “(…)
Na ontvangst van het bedrag van EUR 55.000,00 heeft u aan uw financiële verplichtingen voldaan met betrekking tot de borgstelling.(…)”
2.7.
Op 16 december 2025 heeft [gedaagde 3] om 15:12 aan dhr. [naam] gemaild dat hij het bedrag ten behoeve van New10 die dag zou overmaken maar dat hij dat pas om 19:00 kon doen, zodra zijn betaallimiet was aangepast. Om 19:06 op die dag heeft [gedaagde 3] € 55.000 overgemaakt naar Flanderijn Incasso.
2.8.
Op 17 december 2025 heeft New10 de dagvaarding aangebracht bij deze rechtbank.
2.9.
Tussen 16 december 2025 en 5 januari 2026 heeft ook correspondentie plaatsgevonden tussen de advocaat van [gedaagden] en de advocaat van New10. Op 16 december 2025 om 14:38 schreef de advocaat van [gedaagden] aan de advocaat van New10: “
Ik verzoek u om mij te bevestigen dat u de zaak voor wat betreft cliënt in zult trekken c.q. niet aan zult brengen. Als cliënt niet tijdig betaalt, zeg ik u toe dat ik de kosten van een eventueel herstelexploot voor mijn rekening zal nemen.
2.10.
Op 17 december 2025 om 06:05 schreef de advocaat van [gedaagden] aan de advocaat van New10 c.s. dat [gedaagden] direct na de toezegging heeft betaald. Hij verwijst ter bevestiging hiervan naar een bijlage.
2.11.
Op 24 december 2025 schreef de advocaat van [gedaagden] aan de advocaat van New10: “
Ik zie dat u, ondanks de betaling, de zaak toch heeft aangebracht. Ik verneem graag uiterlijk 30 december 2025 op welke wijze dit rechtgezet zal worden.(…)” In reactie schreef de advocaat van New10 op diezelfde datum: “
De betaling kwam na kantooruren binnen en kon derhalve niet meer worden verwerkt. Het bedrag zal in mindering strekken op de vordering op uw cliënt. Die vordering zal kan komen te vervallen. Voor het overige zal er een titel komen op de BV. Die zal dan ook in de proceskosten worden veroordeeld.
2.12.
Op 25 februari 2026 heeft [gedaagden] zijn conclusie van antwoord ingediend, waarbij onder andere het bewijs van betaling op 16 december 2025 is overgelegd.
2.13.
Op 23 maart 2026 heeft de rechtbank partijen gevraagd of de conclusie van antwoord van [gedaagden] aanleiding gaf voor New10 om haar eis te wijzigen, en, zo ja, of partijen in dat geval nog behoefte zouden hebben aan een mondelinge behandeling.
2.14.
Op 8 april 2026 heeft New10 haar eis ten opzichte van [gedaagden] met € 55.000 verminderd. Over de gevorderde proceskosten staat in de akte niets vermeld. New10 heeft daarbij aangegeven geen behoefte (meer) te hebben aan een mondelinge behandeling. [gedaagden] heeft aangegeven daar wel nog behoefte aan te hebben.

3.Het geschil

3.1.
New10 vordert – samengevat en na wijziging van eis - veroordeling van (i) [gedaagde 1] tot betaling van € 174.979,03, vermeerderd met rente en kosten en veroordeling van (ii) [gedaagden] tot betaling van de proceskosten, uitvoerbaar bij voorraad.
3.2.
[gedaagden] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van New10, met veroordeling van New10 in de kosten van deze procedure, uitvoerbaar bij voorraad. Volgens [gedaagden] , ontbrak iedere grondslag voor het aanbrengen van de dagvaarding ten opzichte van [gedaagden] omdat de hoofdsom door [gedaagde 3] al vóór de roldatum van 17 december 2025 was voldaan. De proceskosten zijn daardoor nodeloos veroorzaakt.

4.De beoordeling

De vorderingen tegen [gedaagde 1]
4.1.
is niet in deze procedure verschenen en tegen haar is verstek verleend. Uitgangspunt bij verstek is dat de vordering wordt toegewezen, tenzij deze de rechter onrechtmatig of ongegrond voorkomt (artikel 139 Wetboek Pro van Rechtsvordering, hierna: Rv). De vordering komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. [gedaagde 1] zal daarom worden veroordeeld tot betaling van € 174.979,03, vermeerderd met de contractuele rente van 4,81% vanaf 19 november 2025 over € 169.794,89.
4.2.
[gedaagde 1] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van New10 (inclusief nakosten) betalen. Hierna wordt beoordeeld of [gedaagde 1] hiervoor hoofdelijk aansprakelijk is samen met [gedaagden] De proceskosten van New10 worden begroot op:
- griffierecht
6.861,00
- salaris gemachtigde
2.885,00
(1 punt × € 2.885,00)
- nakosten
189,00
Totaal
9.935,00
De vordering tegen [gedaagden]
4.3.
Na wijziging van eis door New10 resteert ten opzichte van [gedaagden] slechts een vordering ter vergoeding van de proceskosten. De rechtbank overweegt daarover als volgt.
4.4.
Uitgangspunt is dat de partij die in het ongelijk wordt gesteld, in de proceskosten wordt veroordeeld. De rechter kan echter de proceskosten die nodeloos werden aangewend of veroorzaakt, voor rekening laten van de partij die deze kosten aanwendde of veroorzaakte (artikel 237 lid 1 Rv Pro). Dat geval doet zich hier voor.
4.5.
Van New10 had meer mogen worden verwacht om proceskosten bij [gedaagden] te voorkomen. Gelet op art. 125 Rv Pro en het procesreglement had New10 uiterlijk op 16 december 2025 de dagvaarding moeten aanbrengen bij de griffie. Het is in die zin niet onbegrijpelijk dat de dagvaarding is aangebracht terwijl [gedaagde 3] bezig was met betaling, zoals hij had aangekondigd. Desondanks had New10 even kunnen wachten met aanbrengen en in overleg kunnen treden met (de advocaat van) [gedaagden] , mede gelet op het aanbod van de advocaat van [gedaagden] om de kosten van een eventueel herstelexploot te betalen.
4.6.
Indien New10 dat risico niet wilde nemen had New10 ook ná aanbrengen van de dagvaarding haar eis ten aanzien van [gedaagden] kunnen verminderen of intrekken. Wat dan had geresteerd was een verstekprocedure tegen [gedaagde 1] . New10 had in de correspondentie ook de verwachting gewekt dat te zullen doen. Het bericht van 24 december 2025 van de advocaat van New10 wekt de indruk dat New10 alleen nog uit was op een titel op [gedaagde 1] , ook voor de proceskosten. Doordat New10 haar eis tegen [gedaagden] niet introk of verminderde (ook voor wat betreft de proceskosten) zag [gedaagden] zich genoodzaakt om zich bij advocaat te stellen, griffierecht te betalen en een conclusie van antwoord te nemen en daarbij een betaalbewijs over te leggen, om zo een executoriale titel tegen [gedaagden] te voorkomen. Dat New10 die titel niet tegen [gedaagden] zou executeren – zo verklaarde de advocaat van New10 ter zitting – doet daar niet aan af. Het is begrijpelijk dat [gedaagden] dat risico niet heeft willen nemen.
4.7.
De proceskosten van [gedaagden] zijn daarom nodeloos veroorzaakt en komen voor rekening van New10. Hoewel het [gedaagden] is geweest die na eiswijziging door New 10 nog een mondelinge behandeling wenste terwijl New10 daarvan af zag, komen ook de kosten van de mondelinge behandeling voor rekening van New10. New10 had haar eis immers slechts verminderd met € 55.000, waardoor [gedaagden] alsnog genoodzaakt was zich te verweren tegen de vordering tot vergoeding van de proceskosten.
4.8.
De proceskosten van [gedaagden] worden begroot op:
- griffierecht
1.374,00
- salaris advocaat
2.580,00
(2 punten × € 1.290,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
4.143,00

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
veroordeelt [gedaagde 1] om aan New10 te betalen een bedrag van € 174.979,03, te vermeerderen met de overeengekomen rente van 4,81% per jaar over € 169.794,89, met ingang van 19 november 2025, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde 1] in de proceskosten van New10 van € 9.935,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt New10 in de proceskosten van [gedaagden] van € 4.143,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als New10 niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.F. van Schendel en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.