ECLI:NL:RBAMS:2026:7253

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
C/13/790100 / JE RK 26-545
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige wegens ernstige verslavings- en gedragsproblemen

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige met ernstige middelenverslaving en gedragsproblemen. De minderjarige is sinds december 2025 meerdere malen geplaatst in verschillende instellingen, waarbij telkens bleek dat de zorg niet passend was. De huidige situatie is zorgwekkend en onveilig voor de minderjarige en haar omgeving.

Tijdens de zitting op 7 juli 2026 werd duidelijk dat de minderjarige binnen twee dagen haar huidige verblijfplaats moet verlaten omdat deze niet langer passend is. De GI verzoekt daarom een machtiging voor de duur van vier weken om een stabiele verblijfplek te garanderen en een alomvattend plan op te stellen. De moeder stemt in met een gesloten setting, de vader verzoekt afwijzing vanwege falend jeugdzorgsysteem en pleit voor meer regie.

De kinderrechter oordeelt dat de machtiging noodzakelijk is in het belang van de verzorging en veiligheid van de minderjarige. De ernstige problematiek, waaronder suïcidale dreigingen en ontregeld gedrag, rechtvaardigen de uithuisplaatsing. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en geldt met ingang van 7 juli 2026 voor een maand. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: Machtiging tot uithuisplaatsing verleend voor de duur van één maand met directe uitvoerbaarheid.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/13/790100 / JE RK 26-545
Datum uitspraak: 7 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
Jeugdbescherming regio Amsterdam, gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen de GI,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedag] 2010 in [geboorteplaats],
hierna te noemen [de minderjarige],
advocaat mr. J.J.M. Kleiweg uit Amsterdam.
De kinderrechter merkt naast [de minderjarige] als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1],
advocaat mr. LA. de Jager uit Amsterdam,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2],
advocaat mr. R.H.P. Feiner uit Rotterdam.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het spoedverzoek van 25 juni 2026;
  • de spoedbeschikking van 25 juni 2026.
1.2.
Op 7 juli 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
  • de advocaat van [de minderjarige];
  • de advocaat van vader;
- de moeder;
- [naam 1] en [naam 2], namens de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar haar mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hier geen gebruik van gemaakt.
1.4.
Vader is – hoewel behoorlijk opgeroepen – niet ter zitting verschenen.

2.Het verzoek

2.1.
De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van vier weken en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De GI verzoekt om aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] te verlenen in een
accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van de ondertoezichtstelling.

3.De standpunten

3.1.
De GI heeft tijdens de zitting het volgende naar voren gebracht. De GI heeft de ochtend van de mondelinge behandeling te horen gekregen dat [de minderjarige] niet langer bij [zorgaanbieder 1] kan verblijven en dat zij binnen twee dagen naar een andere plek moet. [zorgaanbieder 1] kan de zorg niet meer bieden en is van mening dat [de minderjarige] een meer gesloten en begrensde setting nodig heeft. Deze visie wordt volgens [zorgaanbieder 1] gedeeld door Levvel, Obama, de betrokken psychiater en het gebiedsknooppunt. Gelet op deze nieuwe informatie zal de GI weer op zoek moeten naar een passend vervolgtraject voor [de minderjarige]. De GI overweegt nog of dit een gesloten groep zou moeten zijn. De GI verzoekt het verzoek voor de duur van één maand toe te wijzen, zodat [de minderjarige] in ieder geval een plek heeft om te verblijven en de GI meer tijd heeft om een plan op te stellen.
3.2.
Moeder heeft tijdens de zitting naar voren gebracht dat zij niet meer goed weet wat op dit moment het beste voor [de minderjarige] is. Moeder denkt dat een gesloten setting uiteindelijk het meest passend is, zodat de kans het grootst is dat zij van haar verslaving af komt. Daarbij wijst de moeder erop dat [de minderjarige] geen vertrouwen meer heeft in Levvel, gelet op hoe de eerdere plaatsing daar is verlopen, en dat het dus zinvol is om een andere plek te zoeken.
3.3.
Namens vader is verzocht het verzoek af te wijzen. De open setting is niet passend voor [de minderjarige]. Het is zeer zorgelijk dat geen enkele hulpverleningsinstantie zich verantwoordelijk lijkt te voelen voor de situatie van [de minderjarige]. Het systeem in [plaats] lijkt volledig te falen. Het is echt belangrijk dat de GI hier de komende periode meer regie in gaat voeren. Mogelijk dat gekeken kan worden naar een bijzondere curator voor [de minderjarige], zodat zij iemand krijgt die echt meekijkt naar wat er in haar belang is.
3.4.
De advocaat van [de minderjarige] heeft tijdens de zitting ingestemd met het voorstel van de GI om de machtiging voor de duur van één maand te verlenen. Op dit moment is er geen andere optie voor [de minderjarige].

4.De beoordeling

4.1.
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1]
4.2.
De kinderrechter constateert dat de ernstige zorgen en problematiek zoals vastgelegd in de spoedbeschikking van 25 juni 2026 nog onverkort aanwezig zijn. Daarbij staan een ernstige middelenverslaving en grote problemen met emotieregulatie op dit moment op de voorgrond, waardoor de fysieke veiligheid van [de minderjarige] en die van anderen in het gevaar is. Zij wordt vaak door instanties onder invloed op straat gezien en laat daarbij ontregeld en extreem gedrag zien. Onduidelijk is waar en met wie zij is. Daardoor zijn grote zorgen over haar veiligheid op straat. [de minderjarige] heeft herhaaldelijk gedreigd zichzelf of anderen iets aan te doen.
4.3.
Het verloop van de plaatsingen van [de minderjarige] tot nu toe schetst een onthutsend beeld van het onvermogen van de huidige Jeugdzorgorganisatie in [plaats] om kinderen in nood te bieden wat zij nodig hebben. De inzet van de individuele jeugdbeschermers in deze zaak is daar eenvoudigweg niet tegen opgewassen gebleken. Na een ondertoezichtstelling van ruim een jaar is [de minderjarige] op 29 december 2025 met spoed uit huis geplaatst bij crisisgroep Het Rijk bij Levvel. Daarop zou in juni 2026 een klinische opname bij [zorgaanbieder 2] plaatsvinden om haar verslaving te behandelen. [de minderjarige] was daarvoor gemotiveerd en de opname was door [zorgaanbieder 2] akkoord bevonden. Op 9 juni 2026 heeft [zorgaanbieder 2] echter alsnog besloten de opname te annuleren vanwege de problematiek die zich tijdens het opnamegesprek met [de minderjarige] en haar moeder openbaarde, ondanks het feit dat die problematiek eerder met [zorgaanbieder 2] was gedeeld en deze niet aan akkoord voor opname in de weg had gestaan. De jeugdbeschermers waren bij dat opnamegesprek niet aanwezig. Het Rijk kon [de minderjarige] niet meer terugnemen, zodat [de minderjarige] vervolgens op een spoedbed bij [zorgaanbieder 3] is geplaatst. [zorgaanbieder 3] heeft vervolgens te kennen gegeven [de minderjarige] niet te kunnen handhaven. [zorgaanbieder 3] heeft daarop de vader gebeld, die [de minderjarige] heeft opgehaald en mee naar huis heeft genomen. Kort daarop, op 11 juni 2026, heeft de vader de politie gebeld omdat de situatie met [de minderjarige] escaleerde en het hem niet lukte de veiligheid te handhaven. Hij meldde daarbij dat [de minderjarige] al langere tijd suïcidale uitspraken deed. Op 15 juni 2026 is [de minderjarige] met spoed weer gesloten geplaatst, ditmaal bij groep Obama van Levvel. Omdat onvoldoende was gebleken dat deze plek passend was, en evenmin duidelijk was geworden waarom de opname bij [zorgaanbieder 2] was geannuleerd, is de machtiging voor het vervolg van de plaatsing bij Obama op 18 juni 2026 afgewezen door de kinderrechter. [de minderjarige] is daarop op 23 juni geplaatst bij [zorgaanbieder 1], op een plek waarvan van meet af aan vaststond dat deze niet passend is. Tijdens de mondelinge behandeling van deze zaak blijkt dat [de minderjarige] daar niet kan blijven en binnen twee dagen weg moet.
4.4.
Concluderend zijn [de minderjarige], haar ouders en broertje in een periode van een half jaar geconfronteerd met plaatsing in vijf verschillende instellingen. De toch al zeer zorgwekkende situatie van [de minderjarige] is alleen maar bergafwaarts gegaan en haar ouders zijn wanhopig. [de minderjarige] gebruikt inmiddels THC-vapes, met kans op gevaarlijke fysieke bijwerkingen en verergering van haar psychische problemen. De huidige situatie is onaanvaardbaar. [de minderjarige] heeft met spoed hulp en een passende verblijfplek nodig met voldoende grenzen, steun en veiligheid voor de langere duur, zodat haar gevaarlijke middelengebruik stopt, zij behandeling kan ondergaan en weer perspectief kan gaan ervaren. Als die plek niet binnen de gemeente Amsterdam beschikbaar is, zal per direct een plek buiten de gemeentegrenzen beschikbaar moeten worden gesteld.
4.5.
De kinderrechter acht het minimaal noodzakelijk dat er voor de komende vier weken een machtiging loopt voor verblijf in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, zodat [de minderjarige] in ieder geval een plek heeft om te verblijven. Haar huidige woongroep, [zorgaanbieder 1], heeft een zorgplicht en kan [de minderjarige] niet zomaar op straat zetten. De GI zal de komende vier weken hard aan de slag moeten met een alomvattend plan voor [de minderjarige].
4.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 7 juli 2026 tot 7 augustus 2026;
5.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
5.3.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026 door mr. V. Zuiderbaan, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. A.J.A. Diederen als griffier, en op schrift gesteld op 13 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek.