ECLI:NL:RBAMS:2026:7267

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
C/13/786327 / FA RK 26/2996
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:1 lid 5 WvggzArt. 6:2 lid 2 WvggzArt. 6:2 lid 4 WvggzArt. 6:4 WvggzArt. 6:6 lid 2 Wvggz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlening zorgmachtiging op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg

De rechtbank Amsterdam behandelde het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een zorgmachtiging op grond van artikel 6:4 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) ten aanzien van betrokkene, die lijdt aan psychoses, een antisociale persoonlijkheidsstoornis en middelenafhankelijkheid.

Na een eerste mondelinge behandeling waarbij betrokkene niet verscheen, werd het verzoek aangehouden voor nader onderzoek naar de wilsbekwaamheid. Uit een aanvullende medische verklaring bleek dat betrokkene geen wilsbekwame beslissing kan nemen over zijn behandeling. De voortgezette mondelinge behandeling vond plaats in de kliniek waar betrokkene is opgenomen.

De rechtbank stelde vast dat betrokkene ernstig nadeel ondervindt door zijn stoornis, waaronder lichamelijk letsel, psychische schade en maatschappelijke teloorgang. Vrijwillige zorg bleek niet mogelijk, mede door het middelengebruik en het gebrek aan ziektebesef en motivatie bij betrokkene. De verplichte zorg is noodzakelijk en evenredig, met diverse maatregelen zoals medicatietoediening, bewegingsbeperkingen, insluiting en toezicht, voor een periode van twaalf maanden.

De rechtbank wees het verzoek toe en bepaalde dat de zorgmachtiging geldt tot uiterlijk 26 mei 2027. De beschikking is mondeling gegeven op 26 mei 2026 en schriftelijk uitgewerkt op 4 juni 2026. Tegen deze beschikking staat cassatie open.

Uitkomst: De rechtbank verleent een zorgmachtiging voor verplichte zorg aan betrokkene voor de duur van twaalf maanden.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugd
zaaknummer / rekestnummer: C/13/786327 / FA RK 26/2996
kenmerk: ZM/IND/195362
Machtiging tot het verlenen van verplichte zorg
Beschikking van 26 mei 2026van de rechtbank Amsterdam naar aanleiding van het door de officier van justitie ingediende verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:4 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), ten aanzien van:
[betrokkene],
geboren op [geboortedag] 1989 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres 1] ,
verblijvende te [adres 2] ,
zorgaanbieder: Arkin,
hierna te noemen: betrokkene,
advocaat: mr. A.M. Neijzen te Amsterdam.

1.Procesverloop

1.1.
Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen ter griffie op 14 april 2026.
De mondelinge behandeling vond aanvankelijk plaats op 28 april 2026 in het gebouw van de rechtbank alwaar betrokkene niet was verschenen. Mede gezien het verweer namens betrokkene dat er sprake was van wilsbekwaam verzet heeft de rechtbank het verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging aangehouden voor maximaal één maand voor verder onderzoek omdat niet gebleken was dat er een beoordeling had plaatsgevonden door de onafhankelijk deskundige van de wilsbekwaamheid; nader onderzoek naar de wilsbekwaamheid van betrokkene werd noodzakelijk bevonden. Op 11 mei 2026 is bij de rechtbank de aanvullende medische verklaring van de onafhankelijke deskundige van 7 mei 2026 binnengekomen waarin de onafhankelijk deskundige kortgezegd aangeeft dat betrokkene geen wilsbekwame beslissing kan maken over zijn behandeling. De mondelinge behandeling van het verzoek is voortgezet op 26 mei 2026 in het gebouw van de zorgaanbieder op de locatie [locatie].
Ter zitting in de kliniek aan de [locatie] waren aanwezig en heeft de rechtbank de volgende personen gehoord:
- betrokkene;
- de advocaat;
- mw. [naam], psychiater.
Omdat de officier van justitie een nadere toelichting op of motivering van het verzoek niet nodig acht, is hij niet bij de mondelinge behandeling verschenen.

2.Beoordeling

2.1.
Uit de overgelegde stukken en het behandelde ter zitting is gebleken dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, in de vorm van psychoses, een antisociale persoonlijkheidsstoornis en afhankelijkheid van middelen, te weten o.a. basecocaïne en cannabis.
2.2.
Deze stoornis leidt tot ernstig nadeel, gelegen in ernstig lichamelijk letsel, ernstige psychische schade, ernstige verwaarlozing en maatschappelijke teloorgang.
2.3.
Om het ernstig nadeel af te wenden of de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen of de door de stoornis bedreigde of aangetaste fysieke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen, heeft betrokkene zorg nodig.
2.4.
Anders dan de advocaat namens betrokkene heeft bepleit, is gebleken dat er geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis zijn.
Gebleken is dat betrokkene inmiddels (met inzet van verplichte zorg) is opgenomen in de kliniek.
De psychiater heeft toegelicht dat betrokkene opgeknapt is in de kliniek. Hij is aangesterkt en de zelfverzorging lukt ook beter. Het is moeilijk om betrokkene in zorg te houden. Hij houdt het contact met het ambulante team af. Betrokkene heeft levenslang medicatie nodig om hem te beschermen tegen psychoses. Hij gebruikt echter ook middelen, waardoor de medicatie geen goede bescherming biedt. Betrokkene heeft weinig ziektebesef en -inzicht en ook niet de motivatie om te stoppen met het middelengebruik. Verplichte zorg is noodzakelijk.
2.5.
Van de in het verzoekschrift genoemde vormen van zorg, die zijn gebaseerd op het zorgplan en het advies van de geneesheer-directeur, alsmede gelet op hetgeen bij de mondelinge behandeling naar voren is gekomen acht de rechtbank de volgende vormen van verplichte zorg noodzakelijk voor de duur van twaalf maanden:
  • toedienen van vocht en voeding,
  • toedienen van medicatie;
  • het verrichten van medische controles of andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening;
  • beperken van de bewegingsvrijheid;
  • insluiten,
  • uitoefenen van toezicht op betrokkene,
  • onderzoek aan kleding of lichaam,
  • onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedrag-beïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen
  • controleren op de aanwezigheid van gedrag-beïnvloedende middelen,
  • aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen en het nakomen van afspraken met het ambulant behandelteam,
  • opnemen in een accommodatie,
2.6.
De verplichte zorg is evenredig en naar verwachting effectief. Uit de stukken blijkt dat bij het bepalen van de juiste zorg rekening is gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen, alsmede met de veiligheid van betrokkene. Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben.
2.7.
Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor en doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz. De advocaat heeft subsidiair verzocht om de zorgmachtiging te beperken tot de duur van zes maanden, in verband met het overschrijden van de beslistermijn ex artikel 6 lid 2 aanhef Pro en onder a Wvggz. De rechtbank gaat hier niet in mee. De mondelinge behandeling van de zaak is op 28 april 2026 aangehouden voor de duur van een maand voor het verkrijgen van een verklaring van de onafhankelijke deskundige waaruit blijkt of betrokkene tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake in staat is, ex artikel 6:1 lid 5 Wvggz Pro. Met dat mede op grond van het verweer ingezette nadere onderzoek maakt dat, artikel 6:2 lid 4 Wvggz Pro daarbij betrekkend, de beslistermijn met betrekking tot een aansluitende zorgmachtiging is verlengd met drie weken. Ondersteuning voor dit standpunt vindt de rechtbank in de voetnoot bij rechtsoverweging 3.1.5 van de beslissing van de Hoge Raad van 4 februari 2022 (ECLI:NL:HR:2022:123). Deze toepassing maakt vervolgens dat de voorgaande machtiging nog niet op grond van artikel 6.6 lid 2 Wvggz is vervallen doordat de mondelinge behandeling van het verzoek en de te nemen beslissing nog binnen de (verlengde) beslistermijn vallen. De rechtbank zal om die reden het verzoek toewijzen voor de (verzochte) duur van twaalf maanden.

3.Beslissing

De rechtbank:
verleent een zorgmachtiging ten aanzien van
[betrokkene], geboren op [geboortedag] 1989 te [geboorteplaats], inhoudende dat
gedurende de looptijd van de machtigingbij wijze van verplichte zorg de in rechtsoverweging 2.5 genoemde maatregelen kunnen worden getroffen;
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met uiterlijk 26 mei 2027.
Deze beschikking is op 26 mei 2026 mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken door
mr. H.P.E. Has, rechter, bijgestaan door mr. K.W. de Haan als griffier en op 4 juni 2026 schriftelijk uitgewerkt.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.