ECLI:NL:RBAMS:2026:7294

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
13/201249-25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 45 SrArt. 63 SrArt. 287 SrArt. 41 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak poging moord en veroordeling poging doodslag met vuurwapen

Op 28 juni 2025 schoot verdachte op circa tien meter afstand met een vuurwapen op het slachtoffer, waarbij deze in de buik en darmen werd geraakt. De rechtbank oordeelde dat sprake was van poging doodslag met voorwaardelijk opzet, maar onvoldoende bewijs voor voorbedachte rade, waardoor verdachte werd vrijgesproken van poging moord.

Verdachte stelde dat het wapen per ongeluk afging en dat sprake was van noodweer, noodweerexces of putatief noodweer. De rechtbank verwierp deze verweren omdat de schiethandeling aanvallend was en niet meer in een noodweersituatie plaatsvond. De rechtbank hield rekening met persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder mogelijke persoonlijkheids- en middelenproblematiek, maar achtte een langdurige gevangenisstraf passend.

De rechtbank veroordeelde verdachte tot zes jaar gevangenisstraf met aftrek van voorarrest. De vordering van het slachtoffer tot materiële en immateriële schadevergoeding werd toegewezen, terwijl de vorderingen van andere benadeelden wegens onvoldoende onderbouwing niet-ontvankelijk werden verklaard. De vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf werd afgewezen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf voor poging doodslag en vrijgesproken van poging moord; schadevergoeding aan slachtoffer toegewezen.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/201249-25
Parketnummer vordering tenuitvoerlegging: 13/198047-23
Datum uitspraak: 16 juli 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 2000 in [geboorteplaats] [land van herkomst] ),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in: [detentieplaats]

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 2 juli 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. B. Grünfeld, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M.J.R. Roethof, naar voren hebben gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] en van wat hun advocaat, mr. W. van Egmond, daarover naar voren heeft gebracht. Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van de verklaring die namens [benadeelde partij 1] in het kader van het spreekrecht is afgelegd.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 28 juni 2025 te Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan een poging moord dan wel poging doodslag op [benadeelde partij 1] (hierna: [benadeelde partij 1] ).
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de impliciet primair ten laste gelegde poging moord. Er is onvoldoende bewijs voor voorbedachte raad.
Wel kan volgens de officier van justitie de impliciet subsidiair ten laste gelegde poging doodslag worden bewezen. Verdachte heeft op korte afstand één keer gericht op [benadeelde partij 1] geschoten, waardoor een kogel in de buik en darmen van [benadeelde partij 1] is terechtgekomen. Naar de uiterlijke verschijningsvorm is deze gedraging zozeer gericht op het intreden van de dood dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte die kans willens en wetens heeft aanvaard.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van zowel de impliciet primair ten laste gelegde poging moord als de impliciet subsidiair ten laste gelegde poging doodslag.
Met de officier van justitie is de raadsvrouw van mening dat geen sprake is van voorbedachte raad. Ook ontbreekt volgens de raadsvrouw het opzet op het schieten en daarmee het opzet op de dood van [benadeelde partij 1] . Verdachte was van plan het wapen enkel als afschrikmiddel te gebruiken. Terwijl verdachte werd geduwd en geslagen is het wapen – per ongeluk – afgegaan. Verdachte heeft daarbij op de grond gericht.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Feiten en omstandigheden
De rechtbank gaat op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting van de volgende feiten en omstandigheden uit.
Op 28 juni 2025 is verdachte op uitnodiging van [persoon 1] , de vader van zijn ex-partner [ex-partner verdachte] , naar de woning van [persoon 1] toe gegaan om te praten over het co-ouderschap van verdachte en [benadeelde partij 2] . [benadeelde partij 2] en verdachte hebben samen een dochter van – inmiddels – vier jaar oud. Verdachte kwam om 18:33 uur aan in het flatgebouw [naam flatgebouw] en is met de lift naar de woning van [persoon 1] gegaan, waar op dat moment in ieder geval [persoon 1] en [benadeelde partij 2] aanwezig waren. Om 18:35 uur kwam de huidige partner van [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 1] ( [benadeelde partij 1] ), aan in het flatgebouw met in ieder geval zijn moeder, [benadeelde partij 3] . Ook zij begaven zich naar de woning van [persoon 1] . In de woning is vervolgens onenigheid ontstaan. Aldaar is op enig moment een schaar ter hand genomen door [benadeelde partij 1] . Om 18:43 uur is verdachte weer naar beneden gekomen met de lift. Hij was toen alleen. Verdachte heeft vervolgens buiten aan iemand gevraagd of diegene ‘iets voor hem had’, naar eigen zeggen iets om zichzelf te beschermen. Zes minuten later, om 18:49 uur, kwamen ook [benadeelde partij 1] en zijn moeder naar beneden met de lift.
Vervolgens ontstond buiten om 18:51 uur op de parkeerplaats P2 wederom onenigheid tussen verdachte en [benadeelde partij 1] . Daar waren meerdere mensen bij betrokken. [benadeelde partij 1] is toen achter verdachte aangerend en werd vervolgens tegengehouden door een derde. Verdachte rende ondertussen weg richting parkeerplaats P1. [benadeelde partij 1] heeft zich omgedraaid en is weggelopen richting parkeerplaats P3, waar zijn auto geparkeerd stond. Terwijl [benadeelde partij 1] naar de parkeerplaats liep, kreeg verdachte bij de parkeerplaats P1 een gele tas aangereikt door een onbekend gebleven persoon. In de gele tas bevond zich een vuurwapen. Verdachte is met de gele tas achter in een zwarte auto gestapt, waarvan de bestuurder zijn vriendin, [persoon 2] , was. Samen reden zij van parkeerplaats P1 voorbij parkeerplaats P2 en kwam de auto tot stilstand in de bocht. Op dat moment is verdachte uit de auto gestapt en is hij, met de gele tas, richting de parkeerplaats P3 gerend. Op ongeveer tien meter afstand van [benadeelde partij 1] heeft verdachte het vuurwapen uit de gele tas gehaald en is er eenmaal op [benadeelde partij 1] geschoten. Verdachte is vervolgens met de gele tas in zijn hand terug gerend naar de zwarte auto, waarna de auto is weggereden. De kogel is door de buik van [benadeelde partij 1] gegaan. Hij heeft daardoor darmletsel opgelopen, waarbij meerdere delen van zijn darmen zijn gehecht of weggesneden.
4.3.2.
Opzet op het schieten?
De rechtbank stelt op grond van de aangifte en de getuigenverklaringen van [benadeelde partij 2] en [getuige] vast dat verdachte het wapen op [benadeelde partij 1] heeft gericht en vervolgens heeft geschoten. Het verweer van de raadsvrouw dat het wapen per ongeluk is afgegaan en dat verdachte op de grond zou hebben gericht, wordt door deze bewijsmiddelen weerlegd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte opzet heeft gehad op het schieten.
4.3.3.
Opzet op de dood?
Verdachte heeft van ongeveer tien meter afstand met een vuurwapen gericht geschoten op [benadeelde partij 1] . [benadeelde partij 1] is daarbij geraakt in zijn buik Het is een feit van algemene bekendheid dat zich in de buik vitale organen bevinden en dat het schieten op iemands buik, zeker op relatief korte afstand, een aanmerkelijke kans op de dood in het leven roept. Naar de uiterlijke verschijningsvorm is deze gedraging zozeer gericht op het intreden van de dood dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte die kans willens en wetens heeft aanvaard. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het doden van [benadeelde partij 1] .
4.3.4.
Voorbedachte raad?
Dan rijst nog de vraag of verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad. Voor de bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet vast komen te staan dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
Met de officier van justitie en de raadsvrouw ziet de rechtbank onvoldoende bewijs voor voorbedachte raad. Hoewel verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit, biedt het dossier onvoldoende aanknopingspunten om vast te kunnen stellen wat dat besluit was. Daarmee is niet vast te stellen dat het besluit ertoe strekte [benadeelde partij 1] om het leven te brengen. Verdachte zal daarom van de impliciet primair ten laste gelegde poging moord worden vrijgesproken.
4.3.5.
Conclusie
Uit het voorgaande volgt dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging doodslag. Verdachte zal worden vrijgesproken van poging moord.

5.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in
bijlage IIopgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
op 28 juni 2025 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [benadeelde partij 1] , van het leven te beroven, met een vuurwapen op die voornoemde [benadeelde partij 1] heeft geschoten, waarbij die voornoemde [benadeelde partij 1] in zijn buik en darmen is geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6.De strafbaarheid van het feit en de strafbaarheid van verdachte

6.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie is van mening dat de door verdachte gestelde toedracht dat hij door [benadeelde partij 1] zou zijn aangevallen, niet aannemelijk is geworden. Uit het dossier volgt dat verdachte degene was die zich agressief in de woning heeft gedragen en op de camerabeelden is geen daadwerkelijke aanval of fysiek contact waar te nemen. Zelfs indien de rechtbank de gestelde toedracht aannemelijk zou achten, is van een noodweersituatie geen sprake geweest. De gedraging van verdachte was louter aanvallend van aard.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte een geslaagd beroep op noodweer, noodweerexces dan wel putatief noodweer toekomt, waardoor hij ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging.
De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat verdachte mogelijk gelokt is naar de woning van zijn ex-schoonvader. In de woning kwam [benadeelde partij 1] plotseling binnen, vergezeld door meerdere personen. Verdachte is vervolgens aangevallen met een schaar door [benadeelde partij 1] . Hij is toen geraakt in zijn nek. Het is verdachte vervolgens gelukt om de woning te ontvluchten. De omstandigheid dat verdachte daarna aan een persoon heeft gevraagd om een voorwerp waarmee hij zichzelf kon beschermen, laat zien dat verdachte in paniek verkeerde. De aanval zette zich voort buiten op de parkeerplaats. Een groep personen, waaronder [benadeelde partij 1] , rende achter verdachte aan. Al deze omstandigheden maken dat sprake was van een noodweersituatie, waarin verdachte zichzelf mocht verdedigen. Verdachte dacht dat hij achtervolgd werd toen hij in de auto zat en is daarom uit de auto gestapt. Hij verkeerde ook toen nog in een noodweersituatie. Mocht de rechtbank oordelen dat het handelen van verdachte niet subsidiair of proportioneel was, dient dit te worden toegeschreven aan een hevige gemoedsbeweging. Verdachte verkeerde in angst en paniek door de aanval. Meer subsidiair wordt gesteld dat verdachte door de hevige gemoedsbeweging in de veronderstelling verkeerde dat hij werd aangevallen.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
Om een geslaagd beroep te kunnen doen op noodweer(exces) in de zin van artikel 41 van Pro het Wetboek van Strafrecht, is vereist dat de gedraging van verdachte was geboden ter noodzakelijke verdediging van zijn lijf tegen een (onmiddellijk dreigende) ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.
Blijkens de wettelijke omschrijving van noodweer gaat het bij deze strafuitsluitingsgrond om de ‘verdediging’ van bepaalde rechtsgoederen tegen een (wederrechtelijke) aanranding. Dit betekent dat een beroep op noodweer niet kan worden aanvaard ingeval de gedraging van degene die zich op deze exceptie beroept, noch op grond van diens bedoeling noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van de gedraging kan worden aangemerkt als verdedigend, maar - naar de kern bezien - als aanvallend, bijvoorbeeld gericht op een confrontatie. In zo een geval kan ook een beroep op noodweerexces of op putatief noodweer niet slagen.
De rechtbank stelt voorop dat, gelet op de feiten en omstandigheden weergegeven in rubriek 4.3.1, aannemelijk is geworden dat in de woning en op straat op enig moment een noodweersituatie heeft bestaan. In de woning is een schaar ter hand genomen door [benadeelde partij 1] terwijl er onenigheid was. De stelling van de verdediging dat verdachte ook is geraakt met die schaar, vindt onvoldoende steun in het dossier. Wel acht de rechtbank aannemelijk dat het ter hand nemen van de schaar voldoende was om een dreiging van een wederrechtelijke aanranding op te kunnen leveren. Dat geldt ook voor de situatie buiten op straat, mede bezien in het licht van wat er in de woning was voorgevallen, waarin [benadeelde partij 1] achter verdachte is aangerend.
De vraag is of verdachte ook (nog) in een noodweersituatie verkeerde op het moment dat hij met een vuurwapen op [benadeelde partij 1] schoot. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.
Verdachte heeft zich onttrokken aan de eerste dreigende situatie die in de woning van [persoon 1] plaatsvond, door de woning te verlaten en met de lift naar beneden te gaan. Pas zes minuten later kwam [benadeelde partij 1] naar beneden. Na het verlaten van de woning verkeerde verdachte dan ook niet meer in een noodweersituatie. Vervolgens ontstaat er een tweede dreigende situatie op straat, waarna verdachte wegrent en [benadeelde partij 1] omkeert en naar zijn auto op parkeerplaats P3 loopt. Verdachte krijgt een vuurwapen overhandigd en stapt even later bij zijn vriendin in de auto. Ze rijden weg. Daarmee kwam aan de tweede noodweersituatie ook een volledig eind. Dat verdachte, toen hij met zijn vriendin in de auto wegreed, achtervolgd werd, of kon denken dat hij achtervolgd werd, is niet aannemelijk geworden. Voor die stelling is geen enkele aanwijzing in het dossier aanwezig.
In de bocht voorbij parkeerplaats P2 stopt de auto en is verdachte uitgestapt met de gele tas met daarin het vuurwapen. Hij is naar parkeerplaats P3 gerend waar [benadeelde partij 1] stond en heeft van circa tien meter afstand gericht met het wapen op hem geschoten. Deze gedragingen zijn naar uiterlijke verschijningsvorm zodanig gericht op confrontatie dat deze uitsluitend als aanvallend kunnen worden aangemerkt.
Nu op het moment dat verdachte met een vuurwapen op [benadeelde partij 1] schoot geen sprake was van een noodweersituatie waarin verdediging door verdachte noodzakelijk was, wordt het beroep op noodweer (exces) dan wel putatief noodweer verworpen.
Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit dan wel van verdachte uitsluit. Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar en verdachte is strafbaar.

7.Motivering van de straf en maatregel

7.1.
Eis van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte poging doodslag zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven jaar, met aftrek van het voorarrest. Hij heeft daarbij aansluiting gezocht bij de richtlijnen van het Openbaar Ministerie (hierna: OM-richtlijnen) ter zake van een poging doodslag door middel van schieten met een vuurwapen met
zwaar lichamelijk letseltot gevolg, gelet op de aard van het letsel, het medisch ingrijpen en de gevolgen voor [benadeelde partij 1] .
Gelet op de duur van de gevorderde straf ziet de officier van justitie af van het vorderen van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. Een reclasseringstraject is pas in een later stadium opportuun.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht bij het bepalen van de straf rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Hoewel geen stoornis is vastgesteld door het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC), is in het PBC-rapport wel te lezen dat verdachte mogelijk te maken heeft met persoonlijkheids- en middelenproblematiek en cognitieve beperkingen. Uit het reclasseringsadvies volgt dat bij verdachte sprake is van instabiliteit op meerdere leefgebieden. Verder heeft de raadsvrouw gewezen op soortgelijke zaken, waarin straffen van ten hoogste 36 maanden zijn opgelegd. Zij is van mening dat aansluiting moet worden gezocht bij de OM-richtlijnen ten aanzien van een poging doodslag door middel van schieten met een vuurwapen met
zwaarder letseltot gevolg, gelet op het ontbreken van actuele medische informatie over [benadeelde partij 1] . Tot slot heeft de raadsvrouw verzocht om rekening te houden met het feit dat verdachte in België nog een straf moet uitzitten die hem in september 2025 aldaar is opgelegd.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit feit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging doodslag door met een vuurwapen op [benadeelde partij 1] te schieten. Dit heeft hij gedaan op klaarlichte dag op de openbare weg, terwijl daar omstanders – waaronder de zwangere partner en de moeder van [benadeelde partij 1] – getuige van waren. [benadeelde partij 1] is door de kogel in zijn buik en darmen geraakt. Hij heeft een operatie moeten ondergaan waarbij meerdere darmletsels zijn gehecht of weggesneden, waarna hij vijf dagen in het ziekenhuis heeft moeten verblijven. Uit het verslag van de psycholoog volgt dat [benadeelde partij 1] als gevolg van het letsel nog altijd fysieke klachten ondervindt. Gelet op het voorgaande is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat aansluiting moet worden gezocht bij de richtlijnen ten aanzien van
zwaar lichamelijk letsel.
Daarnaast volgt uit het verslag van de psycholoog dat [benadeelde partij 1] forse psychische gevolgen heeft ondervonden van het schietincident. Ook die klachten zijn nog altijd aanwezig en door de psycholoog worden aanwijzingen gezien voor posttraumatische stressklachten. Uit de namens [benadeelde partij 1] voorgelezen slachtofferverklaring komt naar voren dat de gebeurtenis niet alleen enorme impact heeft gehad op hemzelf, maar ook op zijn partner en zijn moeder.
Verdachte heeft door zijn handelen op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [benadeelde partij 1] . Dit rekent de rechtbank verdachte zwaar aan. Bovendien zorgt vuurwapengeweld, zeker op de openbare weg zoals hier het geval was, voor gevoelens van onveiligheid en angst in de samenleving.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 14 januari 2026. Daaruit volgt onder meer dat verdachte in september 2025 is veroordeeld door de rechtbank in België tot een gevangenisstraf van 30 maanden en een geldboete van € 8.000,- in verband met deelneming aan een criminele organisatie en de handel in verdovende middelen. De rechtbank weegt [naam stichting] dat deze buitenlandse veroordeling heeft plaatsgevonden nadat verdachte het onderhavige strafbare feit heeft gepleegd.
Verdachte heeft tijdens het strafrechtelijk onderzoek niet willen meewerken aan enige vorm van psychologisch of psychiatrisch onderzoek, om vast te stellen of het door hem gepleegde feit onder invloed van een psychische of psychiatrische stoornis heeft plaatsgevonden. Wel is verdachte gedurende enige tijd in het PBC geobserveerd.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het PBC-rapport van 28 april 2026, opgesteld door GZ-psycholoog [persoon 3] en psychiater [persoon 4] en het reclasseringsadvies van 15 juni 2026 van de Reclassering Nederland, opgesteld door reclasseringsmedewerker [persoon 5] .
Uit het PBC-rapport komt onder andere het volgende naar voren:
De antisociale cognities en/of trekken van een antisociale persoonlijkheidsstoornis zijn gelegen in de justitiële documentatie en de uitgebreide politiemutaties. Betrokkene komt herhaaldelijk tot gedragingen die aanleiding vormen voor aanhouding, hij toont een terugkerend onvermogen om vooruit te plannen, en er is sprake van een persistent patroon van het niet kunnen vasthouden van werk en het niet nakomen van financiële verplichtingen. Dit kan wijzen op antisociale cognities - waaronder gebrekkig normbesef en een instrumentele houding jegens anderen - alsook van persoonlijkheidstrekken die passen bij een antisociale persoonlijkheidsstoornis.
Gezien deze aanwijzingen hadden onderzoekers graag zicht gekregen op zijn cognities, emoties en drijfveren, en in het bijzonder op functies als gewetensontwikkeling, normbesef, empathische vermogens, zelfsturing, impulscontrole en agressieregulatie, alsook op de kwaliteit van interpersoonlijke relaties en hechting. De informatie die de onderzoekers hebben verkregen, is onvoldoende om een persoonlijkheidsstoornis vast te stellen of uit te sluiten. Evenmin kan worden uitgesloten dat het disfunctioneren van betrokkene (volledig of ten dele) voortkomt vanuit zijn sociaal-maatschappelijke omstandigheden. Daarnaast is er onvoldoende zicht verkregen op de cognitieve vaardigheden van betrokkene. Er zou eerder een licht verstandelijke beperking zijn vastgesteld, waarvoor betrokkene zelf hulp zocht bij Stichting [naam stichting] en bewindvoering heeft. Het patroon van disfunctioneren op diverse levensgebieden kan mede samenhangen met cognitieve beperkingen, maar zonder intelligentieonderzoek kan een forensisch relevante verstandelijke beperking of een disharmonisch intelligentieprofiel niet worden vastgesteld noch uitgesloten. Tot slot is over het middelengebruik van betrokkene onvoldoende bekend geworden. Betrokkene heeft ten minste periodes dagelijks cannabis gebruikt, maar in welke mate dit van invloed is geweest op zijn functioneren en ontwikkeling is niet duidelijk. Evenmin is duidelijk geworden wat voor betrokkene de functie was van zijn cannabisgebruik. Een stoornis in het gebruik van middelen kan niet worden vastgesteld, maar ook niet worden uitgesloten.
Samenvattend zijn er op basis van de beschikbare informatie geen aanwijzingen voor een actuele psychiatrische stoornis of ontwikkelingsstoornis, zoals ADHD en een autismespectrumstoornis. Wel zijn er op grond van de observaties, het milieuonderzoek en de voorgeschiedenis gedragingen en patronen zichtbaar die mogelijk voortkomen uit antisociale persoonlijkheidstrekken of antisociale cognities.
Hoewel door de onderzoekers geen stoornis kan worden vastgesteld en evenmin kan worden bepaald of sprake is geweest van een eventuele doorwerking van een stoornis in het bewezenverklaarde, houdt de rechtbank niettemin rekening met de bevindingen uit het PBC-rapport over de persoon van verdachte. Zowel uit de rapporten van het PBC en de reclassering als uit het verhandelde ter terechtzitting komt het beeld naar voren van een jonge, kwetsbare man met problematiek op meerdere leefgebieden. Verdachte bleek eerder een positieve ontwikkeling door te maken binnen een begeleid wonen traject en onder begeleiding van een bewindvoerder. Het bewezenverklaarde feit is echter van zodanige ernst dat de rechtbank niet kan volstaan met een andere modaliteit dan een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het ontbreken van diagnostiek biedt de rechtbank bovendien geen aanknopingspunten om tot een andersoortige of meer persoonsgerichte afdoening over te gaan.
Strafoplegging
Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank gelet op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van zes jaren, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden. De rechtbank komt tot een lagere gevangenisstraf dan door de officier van justitie is gevorderd, omdat zij, anders dan de officier van justitie, de bevindingen uit het PBC-rapport heeft betrokken bij de bepaling van de strafmaat.

8.De vorderingen van de benadeelde partijen

8.1.
De vorderingen
De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert een bedrag van in totaal € 15.563,- te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de pleegdatum en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering bestaat uit € 563,- aan materiële schade en € 15.000,- aan immateriële schade.
De benadeelde partij [benadeelde partij 2] vordert een bedrag van in totaal € 8.330,- te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de pleegdatum en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering bestaat uit € 1.330,- aan materiële shockschade en € 7.000,- aan immateriële shockschade.
De benadeelde partij [benadeelde partij 3] vordert een bedrag van in totaal € 7.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de pleegdatum en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering bestaat uit immateriële shockschade.
8.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gehele vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] voldoende onderbouwd en toewijsbaar is. Hij heeft dan ook verzocht de gehele vordering toe te wijzen en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Daarnaast heeft hij verzocht het toe te wijzen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de pleegdatum.
Ten aanzien van de vorderingen van [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] is de officier van justitie van mening dat beide benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vorderingen. In beide gevallen is het bestaan van een psychisch erkend ziektebeeld op dit moment onvoldoende onderbouwd.
8.3.
Het standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft de vordering van [benadeelde partij 1] voor wat betreft het materiële schadebedrag niet betwist. Ten aanzien van het gevorderde immateriële schadebedrag is zij van mening dat het bedrag dient te worden gematigd, wegens het ontbreken van medische informatie over de restklachten en de duur van het herstel.
Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] is de raadsvrouw met de officier van justitie van mening dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vorderingen.
8.4.
Het oordeel van de rechtbank
8.4.1.
Vordering benadeelde partij [benadeelde partij 1]
De vordering van [benadeelde partij 1] is voor wat betreft het materiële schadebedrag niet door de verdediging betwist. De rechtbank zal dit deel van de vordering toewijzen. Ten aanzien van het gevorderde immateriële schadebedrag overweegt de rechtbank als volgt.
Vast staat dat [benadeelde partij 1] door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft [benadeelde partij 1] recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade omdat hij ten gevolge van het strafbare feit zowel lichamelijk als geestelijk letsel heeft opgelopen en er een ernstige inbreuk is gepleegd op zijn lichamelijke integriteit.
Voor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de Rotterdamse schaal. De rechtbank is van oordeel dat de schade valt in categorie 4.9 onder d (minder ernstige aantasting van de darmen, bandbreedte € 8.500 tot € 17.000). Het gaat om diepe verwondingen die tot enige blijvende schade leiden. Voor wat betreft de psychische schade valt de schade in categorie 14.1 onder c (middelzwaar geestelijk letsel algemeen € 13.000 tot € 37.000). De rechtbank heeft bovendien gekeken naar bedragen die in soortgelijke zaken worden toegewezen. Alles afwegend acht de rechtbank het gevorderde bedrag van
€ 15.000,- aan immateriële schade, billijk. Zij zal ook dit deel van de vordering toewijzen.
De rechtbank zal dan ook de gehele vordering van [benadeelde partij 1] van € 15.563,- toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de pleegdatum tot het moment van de algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.4.2.
Vorderingen benadeelde partijen [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3]
Ten aanzien van de vorderingen van [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] overweegt de rechtbank als volgt.
Met betrekking tot shockschade stelt de rechtbank voorop dat dit begrip inhoudt dat vergoeding van immateriële schade als gevolg van aantasting in de persoon op andere wijze (artikel 6:106, aanhef en onder b BW) kan plaatsvinden in het geval dat door het waarnemen van het strafbare feit of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan, een hevige emotionele schok bij de benadeelde partij is teweeggebracht, waaruit ernstig geestelijk letsel is voortgevloeid, dat gelet op aard, duur en/of gevolgen ernstig is, en in voldoende mate objectiveerbaar. Dit dient doorgaans te blijken uit een rapportage van een ter zake bevoegde en bekwame deskundige – waarbij gedacht kan worden aan een ter zake bevoegde en bekwame psychiater, huisarts of psycholoog. Daarbij is niet vereist dat in die rapportage een diagnose wordt gesteld van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.
De rechtbank gaat er zonder meer vanuit dat [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] psychische gevolgen hebben ondervonden van het schietincident dat in hun bijzijn heeft plaatsgevonden. Op dit moment is het geestelijk letsel dat wordt omschreven in de vorderingen echter onvoldoende objectiveerbaar, gelet op het ontbreken van een rapportage van een deskundige. Daarmee zijn de vorderingen onvoldoende onderbouwd en zal aanhouding van de zitting voor nadere onderbouwing daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partijen [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] worden daarom niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen. De benadeelde partijen kunnen de vorderingen bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

9.Vordering tot tenuitvoerlegging

Verdachte is bij vonnis met parketnummer 13/198047-23 door de politierechter van de rechtbank Amsterdam op 18 augustus 2023 veroordeeld tot een taakstraf van 106 uren subsidiair 53 dagen vervangende hechtenis, waarvan 40 uren subsidiair 20 dagen vervangende hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De proeftijd is ingegaan op 1 september 2023.
De officier van justitie en de raadsvrouw hebben de rechtbank verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen.
De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd heeft schuldig gemaakt aan het hiervoor bewezenverklaarde strafbare feit. Gelet op de aard en de duur van de aan verdachte opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf, acht de rechtbank de toewijzing van de vordering tenuitvoerlegging echter niet opportuun. De vordering zal daarom worden afgewezen.

10.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 45, 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

11.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
poging doodslag
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
6 (zes) jaren.
Beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Ten aanzien van de vorderingen benadeelde partijen:
Wijstde vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]
toetot een bedrag van € 563,- (vijfhonderd drieënzestig euro) aan vergoeding van materiële schade en € 15.000,- (vijftienduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 28 juni 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 1] .
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 1] aan de Staat € 15.563,- (vijftienduizend vijfhonderd drieënzestig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 28 juni 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 102 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij 2]
niet-ontvankelijkin haar vordering is.
Bepaalt dat de benadeelde partij en verdachte ieder de eigen proceskosten dragen.
Bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij 3]
niet-ontvankelijkin haar vordering is.
Bepaalt dat de benadeelde partij en verdachte ieder de eigen proceskosten dragen.
Ten aanzien van de vordering tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling:
Wijst afde vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 13/198047-23, te weten een taakstraf van 40 uren subsidiair 20 dagen vervangende hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. C.P.E. Meewisse, voorzitter,
mr. P. Sloot en mr. C. Işıtman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S.G.E. Spaander, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 juli 2026.