ECLI:NL:RBAMS:2026:7301

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
1313961925
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 45 SrArt. 55 SrArt. 77a SrArt. 77g Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Jeugddetentie voor poging ontploffing, wapenbezit en medeplegen diefstal

De rechtbank Amsterdam heeft verdachte, geboren in 2007, veroordeeld voor meerdere strafbare feiten waaronder poging tot het teweegbrengen van een ontploffing met een vuurwerk brandstof combinatie (VBC) in Oosthuizen, wapenbezit, medeplegen diefstal van een invalidenwagen in Amsterdam en het weigeren van deelname aan een bloedonderzoek. De rechtbank sprak verdachte vrij van openlijke geweldpleging wegens onvoldoende bewijs.

Het bewijs bestond uit camerabeelden, DNA- en vingerafdruksporen op een witte plastic tas met explosief materiaal, telefoonlocaties en getuigenverklaringen. De verdediging voerde alternatieve scenario's aan, maar deze werden door de rechtbank als onaannemelijk verworpen. De rechtbank oordeelde dat het handelen van verdachte een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel en schade aan goederen met zich meebracht.

De rechtbank legde een jeugddetentie van 200 dagen op, waarvan 191 dagen voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden en een proeftijd van twee jaar. Daarnaast werd een taakstraf van 40 uur opgelegd. De vorderingen van benadeelden werden deels toegewezen: immateriële schadevergoeding van €500 aan benadeelde partij 1 en materiële schadevergoeding van €1.233,45 aan benadeelde partij 2. De vordering van benadeelde partij 3 werd niet-ontvankelijk verklaard.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 200 dagen jeugddetentie, deels voorwaardelijk, en taakstraf voor poging ontploffing, wapenbezit, medeplegen diefstal en weigering bloedonderzoek; vrijspraak openlijke geweldpleging; gedeeltelijke schadevergoeding toegewezen.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Team Familie & Jeugd
Parketnummers: 13.139619.25 (zaak A), 13.389143.24 (zaak B) en 13.127623.25 (zaak C)
Parketnummer tul: 13.115433.24
Datum uitspraak: 16 juli 2026
Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen
[de verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2007,
wonende op het adres [woonadres]

1.Onderzoek ter terechtzitting

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren van 2 juli 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. L. van Eck Rasmussen en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. N. El Farougui, naar voren hebben gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van wat onder meer door [de Raad] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna de Raad) en [de jeugdreclassering] namens de William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering (hierna: de jeugdreclassering) naar voren is gebracht.
De benadeelde partijen [benadeelde partij 1] (zaak A) en [benadeelde partij 2] (zaak C) zijn ter zitting vertegenwoordigd door respectievelijk [naam 1] en [naam 2] , namens Slachtofferhulp Nederland.

2.Tenlastelegging

Aan de verdachte is, kort gezegd, ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan
Zaak A
ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde:
een poging tot het teweegbrengen van een ontploffing op 21 februari 2025 te Oosthuizen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar of zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was;
subsidiairvoorbereiding van het teweegbrengen van een ontploffing op 21 februari 2025 te Oosthuizen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar of zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was;
ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:
het voorhanden hebben van een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwerk brandstof combinatie bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing, op 21 februari 2025 te Oosthuizen;
Zaak B
ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:
openlijke geweldpleging, in vereniging gepleegd tegen [benadeelde partij 3] op 4 december 2024 te Amstelveen;
ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:
het voorhanden hebben van een wapen van categorie IV onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een Stanleymes, op 4 december 2024 te Amstelveen;
Zaak C
ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde:
diefstal van een invalidenwagen toebehorende aan [benadeelde partij 2] , in vereniging gepleegd op 26 april 2025;
subsidiairaan opzetheling van een invalidenwagen, in vereniging gepleegd in de periode van 26 april 2025 tot en met 27 april 2025 in Amsterdam;
ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:
het in strijd handelen met artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 door geen gevolg te geven aan het bevel zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen en/of geen medewerking daaraan te verlenen op 27 april 2025 in Amsterdam.
De tekst van de integrale tenlasteleggingen is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Voorvragen

De dagvaardingen zijn geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ook ontvankelijk in de zaken. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs in zaak A

4.1.
Bewezenverklaring feit 1 primair
4.1.1.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging stelt zich op het standpunt dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte degene is die op 21 februari 2025 bij de woning aan [adres 1] te Oosthuizen aanwezig is geweest. Het signalement op basis van de camerabeelden komt niet volledig overeen met dat van de verdachte. Het aantreffen van DNA- en dactyloscopisch materiaal op gebruikte voorwerpen die in de omgeving van de plaats delict zijn aangetroffen zegt uitsluitend iets over mogelijk contact met de voorwerpen, maar betreffen geen dadersporen en is onvoldoende om te kunnen concluderen dat de verdachte de uitvoerder is geweest. Het dossier bevat verder een contra-indicatie voor de stelling dat de verdachte de uitvoerder is geweest; zijn telefoon straalde immers om 04:55 en 07:38 uur aan bij een zendmast in de buurt van zijn woning. Nu er geen (objectief) steunbewijs is, moet de verdachte van dit feit worden vrijgesproken.
Mocht de rechtbank ervan uitgaan dat het de verdachte is die het ten laste gelegde feit heeft begaan, dan kan volgens de raadsvrouw niet bewezen worden dat sprake is geweest van levensgevaar voor personen.
4.1.2.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is, anders dan de raadsvrouw heeft bepleit en de verdachte heeft verklaard, met de officier van justitie van oordeel dat bewezen kan worden dat de verdachte de uitvoerder is geweest van de poging tot het teweegbrengen van een ontploffing op 21 februari 2025 bij een woning gelegen aan [adres 1] in Oosthuizen.
Betrokkenheid van de verdachte
De poging tot het teweegbrengen van een ontploffing staat niet ter discussie, maar wel de betrokkenheid van de verdachte daarbij. In dat kader overweegt de rechtbank als volgt.
Het dossier bevat geen direct bewijs dat de verdachte op het moment van de overval op het erf van de woning aan [adres 1] in Oosthuizen was. Daarentegen blijken uit de bewijsmiddelen diverse omstandigheden die wel degelijk op de betrokkenheid van de verdachte wijzen.
De bewijsmiddelen duiden aan dat er een jongen van ongeveer 1,65/1,70 meter lang, met een slank postuur, donkerkleurkleurige pet, jas met capuchon, broek en schoenen, en een telefoon in zijn linkerhand en witte plastic tas in zijn rechterhand voor de woning aan [adres 1] in Oosthuizen loopt. Deze persoon is ongeveer een minuut uit beeld en komt vervolgens uit de naastgelegen steeg weer het erf van [adres 1] opgelopen. Uit de witte plastic tas steekt een doorzichtige fles. Op dat moment wordt het raam door aangeefster geopend en schrikt hij, waarna hij wegrent met de tas in zijn hand. Nabij de plaats delict (op 100 meter van de woning) wordt in een sloot een witte plastic tas met dezelfde uiterlijke verschijningsvorm aangetroffen, met daarin een grote plastic fles met een vloeistof en daaromheen twee Cobra’s 6 getapet. Op de hengsels van de witte plastic tas en de lonten van de Cobra 6 wordt DNA-celmateriaal van minimaal drie personen aangetroffen, waaronder dat van de verdachte. Daarnaast zijn er vier dactyloscopische sporen op de witte plastic tas aangetroffen die wijzen in de richting van de verdachte.
Onder deze omstandigheden, te weten het kort ná de overval in de directe nabijheid, in een sloot, aantreffen van eenzelfde witte plastic tas en fles als vlak daarvoor te zien is op de camerabeelden van de woning aan [adres 1] , in combinatie met het aantreffen van DNA-celmateriaal dat matcht met het DNA-profiel van de verdachte en dactyloscopische sporen die passen bij de verdachte, is de rechtbank van oordeel dat wel sprake is van een daderspoor. De rechtbank overweegt voorts dat het signalement de verdachte niet uitsluit.
Anders dan de verdediging heeft betoogd is dit niet het enige bewijs dat wijst op de betrokkenheid van de verdachte bij de poging tot het teweegbrengen van een ontploffing. Zo is het telefoonnummer van de verdachte aangestraald om 04:55 uur en 07:38 uur bij de mast aan [adres 2] in Amsterdam, een zendmast bij de woning van de verdachte. De aangeefster heeft verklaard dat zij de jongen voor het eerst rond 06:35 uur heeft gezien en op de camerabeelden is de jongen om 06:44 uur eveneens zichtbaar. Volgens Google Maps is het ongeveer 29,5 kilometer en 27 minuten rijden van deze zendmastlocatie naar de plaats delict. De tijdsduur om deze afstand te overbruggen sluit aldus goed aan bij het tijdstip van het ten laste gelegde
De rechtbank is van oordeel dat deze omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien zodanig belastend en redengevend voor het bewijs van het ten laste gelegde zijn, dat van de verdachte kan worden gevergd dat hij hieromtrent een ontzenuwende en aannemelijke verklaring aflegt.
Alternatieve scenario onaannemelijk
De verdachte heeft verklaard dat hij alleen met het openbaar vervoer reist en dat Oosthuizen niet dichtbij is. Het is puur toeval dat hij die dag zo vroeg wakker was. Zijn DNA-celmateriaal en vingerafdrukken zijn mogelijk op de tas gekomen omdat er veel toko’s zijn die dit soort plastic tassen uitgeven en hij wellicht een tas in zijn bezit heeft gehad en deze daarna heeft weggegooid. Iemand anders moet deze tas toen hebben meegenomen. Ten slotte heeft de verdachte verklaard dat het kort na nieuwjaar was en hij mogelijk daarom het vuurwerk heeft aangeraakt.
Het alternatieve scenario van de verdachte acht de rechtbank onaannemelijk en niet geloofwaardig. Het is daarbij van belang dat er zowel DNA-celmateriaal als dactyloscopische sporen zijn aangetroffen op verschillende onderdelen van het aangetroffen materiaal. De omstandigheid dat iemand de tas van de verdachte heeft meegenomen nadat de verdachte deze had weggegooid en dat er juist in die tas vuurwerk van de nieuwjaarsviering wordt aangetroffen met het DNA van de verdachte acht de rechtbank onaannemelijk. Ook acht de rechtbank het onaannemelijk dat de verdachte die dag toevallig vroeg wakker was, nu zijn telefoon enkel en alleen aanstraalt op tijden die passen bij de afstand naar de plaats delict. De rechtbank concludeert dat de verdachte het tegen hem opgespoorde bewijs niet heeft weten te ontzenuwen en acht hem schuldig aan de ten laste gelegde poging tot het teweegbrengen van de ontploffing.
Te duchten gevaar
Door het handelen van de verdachte in de gegeven omstandigheden waren de gevaren naar algemene ervaringsregels voorzienbaar. Uit het dossier blijkt dat de aangeefster en haar zoontje in de woning aanwezig waren op het tijdstip van het delict. Het is een feit van algemene bekendheid dat zwaar vuurwerk, zoals een Cobra 6, zeer gevaarlijk is en zwaar lichamelijk letsel voor personen en gevaar voor goederen kan veroorzaken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte in dit geval de aanmerkelijke kans aanvaard dat iemand als gevolg van het ter ontploffing brengen van de Cobra 6 zwaar lichamelijk letsel zou oplopen en goederen beschadigd of vernietigd zouden worden. Het dossier bevat geen aanknopingspunten dat levensgevaar bestond. De rechtbank zal de verdachte van dit onderdeel vrijspreken.
4.1.3.
Bewezenverklaring feit 2
De raadsvrouw heeft bepleit de verdachte vrij te spreken van het ten laste gelegde wapenbezit, nu niet vaststaat dat sprake is geweest van een vuurwerk brandstof combinatie (VBC). Het is niet duidelijk wat voor vloeistof er in de fles zat, waardoor niet met voldoende zekerheid kan worden gesteld dat sprake was van een VBC en dus een wapen als bedoeld in categorie II van de Wet wapens en munitie.
De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte een vuurwerk brandstof combinatie voorhanden heeft gehad. Anders dan de raadsvrouw, is de rechtbank van oordeel dat het strafdossier voldoende aanwijzingen bevat die duiden op de daadwerkelijke aanwezigheid van een brandbare vloeistof. De vloeistof is aangetroffen in een fles met daaraan twee Cobra’s 6 getapet. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat deze constructie van een vuurwerk brandstof combinatie wordt gebruikt voor het teweegbrengen van een ontploffing. Nader onderzoek naar de vloeistof, zoals door de verdediging bepleit, is onder deze omstandigheden (constructie en gebruikt voor een poging tot het teweegbrengen van een explosie, zoals hiervoor onder feit 1 is overwogen) niet vereist voor de vaststelling dat sprake is geweest van een vuurwerk brandstof combinatie.

5.Waardering van het bewijs in zaak B

5.1.
Vrijspraak feit 1
De rechtbank is, met de officier van justitie en raadsvrouw, van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor een bewezenverklaring van de ten laste gelegde openlijke geweldpleging. De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken van dit feit.
5.2.
Bewezenverklaring feit 2
De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de bewezenverklaring van het ten laste gelegde wapenbezit. De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat het ten laste gelegde wapenbezit wettig en overtuigend is bewezen, omdat de verdachte dit feit heeft bekend en dit steun vindt in de overige bewijsmiddelen.

6.Waardering van het bewijs in zaak C

6.1.
Bewezenverklaring feit 1 primair
6.1.1.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde medeplegen van diefstal, nu het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat. De verdachte heeft verklaard dat hij aanvankelijk als passagier is ingestapt en later pas achter het stuur is gaan zitten en is weggereden. De verklaring van getuige [getuige] ondersteunt het door de verdachte geschetste scenario. Er zijn verder geen aanwijzingen waaruit volgt dat de verdachte de Canta heeft opengebroken en de motor heeft gestart.
6.1.2.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is, anders dan de raadsvrouw heeft bepleit en de verdachte heeft verklaard, met de officier van justitie van oordeel dat de verdachte schuldig is aan diefstal van een Canta, in vereniging met een ander gepleegd op 26 april 2025 in Amsterdam. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Beoordeeld dient te worden of er in dit geval sprake is geweest van een diefstal. Hiervan is sprake als de verdachte handelt met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening Dat oogmerk dient hij (al) ten tijde van het wegnemen te hebben. Voor de beoordeling van de betekenis die aan de handelingen van de verdachten moeten worden gegeven – met het oog op de strafrechtelijke waardering van die handelingen – zijn de feiten en omstandigheden van het geval van belang.
De aangever heeft verklaard dat hij zijn Canta op 26 april 2025 om 23:30 uur heeft geparkeerd op de [straat] ter hoogte van [huisnummer] in Amsterdam. De Canta was afgesloten met een sleutel en de aangever had een stuurslot om het stuur gedaan. Om 23:50 uur ziet getuige [getuige] dat de Canta was verplaatst. Getuige [getuige] rende daarop samen met zijn vriend, getuige [benadeelde partij 2] (de broer van aangever), naar de Canta waarna zij zagen dat de medeverdachte uit de auto sprong. De getuigen probeerden vervolgens de Canta tegen te houden, maar de verdachte die nog in de Canta zat, reed weg. Vervolgens is de verdachte gevolgd door een politieagent. Die zag geen sleutel in het contactslot en dat er een stuurslot op de grond in de Canta lag. Later bleek dat er gerommeld was met de kabel die in verbinding staat met de startmotor.
Bij deze omstandigheden mag van de verdachte verlangd worden dat hij een verklaring aflegt over zijn aanwezigheid in de Canta met een geforceerd contactslot, vlak nadat deze is geparkeerd en afgesloten. Direct na zijn aanhouding heeft de verdachte tegen de politieagent gezegd dat de auto niet van hem was en opeens begon te bewegen. Tijdens zijn verhoor bij de politie heeft hij verklaard niet te weten hoe de auto is gestart en dat hij in de Canta is gaan rijden om sneller thuis te zijn. Op de zitting heeft de verdachte verklaard dat hij in de Canta is gaan zitten om een routebeschrijving te geven aan de jongen met wie hij samen was, omdat die met de Canta uit Rotterdam was gekomen (!) en de weg in Amsterdam niet goed kende. De verdachte zou in de passagiersstoel zijn gaan zitten, omdat ze extra drank zouden gaan halen. Hoe de deuren van de Canta zijn geopend weet de verdachte niet want hij was op dat moment een joint aan het kopen. De rechtbank acht de verklaring van de verdachte, voor zover die verklaring zou moeten worden gezien als een alternatief scenario, inconsistent en volstrekt onaannemelijk en zij schuift deze terzijde als ongeloofwaardig.
6.2.
Bewezenverklaring feit 2
De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de bewezenverklaring van de ten laste gelegde weigering deelname aan een bloedonderzoek. De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat het ten laste gelegde handelen in strijd met artikel 163 Wegenverkeerswet Pro 1994 wettig en overtuigend is bewezen, omdat de verdachte dit feit heeft bekend en dit steun vindt in de overige bewijsmiddelen.

7.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
Zaak A
ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde:
op 21 februari 2025 te Oosthuizen, in de gemeente Edam-Volendam, aan [adres 1] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ontploffing teweeg te brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten de in de nabijheid staande woningen en de zich in die woningen bevindende goederen en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel, te weten voor de bewoners van
eenwoning, te duchten was, met dat opzet met een tas met daarin een VBC (vuurwerk brandstof combinatie), bestaande uit onder andere twee Cobra 6 en een ontstekingsmechanisme en een brandbare stof, naar de woning gelegen aan [adres 1] is toegegaan en vervolgens het erf van voornoemde woning heeft betreden en vervolgens naar de voordeur van voornoemde woning is toegelopen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:
hij op 21 februari 2025 te Oosthuizen, in de gemeente Edam-Volendam, een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een VBC (vuurwerk brandstof combinatie), zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing voorhanden heeft gehad;
Zaak B
ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:
op 4 december 2024 te Amstelveen, terwijl hij de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, een wapen van categorie IV, onder I van de Wet wapens en munitie, te weten een Stanleymes, voorhanden heeft gehad.
Zaak C
ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde:
op 26 april 2025 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander een invalidenwagen van het merk Canta Lx, die geheel aan [benadeelde partij 2] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:
op 27 april 2025 te Amsterdam als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een invalidenwagen (van het merk Canta Lx) te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een hulpofficier van justitie, zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen en geen medewerking daaraan heeft verleend;

8.Bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat de verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.
Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkorte vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkorte vonnis gehecht.

9.Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

10.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.

8.Motivering van de straf en maatregelen

10.1.
Het standpunt van het openbaar ministerie
De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat de verdachte ter zake van de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie van 200 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan 191 voorwaardelijk moeten worden opgelegd. Dit betekent dat de jeugddetentie gelijk is aan het voorarrest. Aan het voorwaardelijke strafdeel moeten de bijzondere voorwaarden zoals door de Raad is geadviseerd worden verbonden.
Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd een taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen voor de duur van 40 uren, te vervangen door 20 dagen jeugddetentie.
10.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om in de strafmaat in strafverlagende zin rekening te houden met een aantal omstandigheden. Allereerst is inmiddels al lange tijd sprake van positief gedrag bij de verdachte. Hij is uit beeld bij de politie en de toekomst ziet er positief uit voor hem, qua huisvesting en schoolgang. De band met zijn moeder gaat beter, hij heeft zijn coachingstraject positief afgerond en hij is gemotiveerd om weer naar school te gaan. De verdachte kan zich vinden in het advies tot oplegging van de hulpverlening, met uitzondering van de behandelverplichting. De verdediging refereert zich wat betreft de noodzaak van de voorwaarden aan het oordeel van de rechtbank. Tot slot wordt verzocht bij een bewezenverklaring rekening te houden met de eendaadse samenloop in zaak A.
10.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze voor het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt een poging tot het teweegbrengen van een ontploffing. De verdachte heeft hiermee het gevoel van de bewoners van de woning ernstig geschaad. Dat blijkt ook uit de toelichting bij de vordering tot schadevergoeding. Het handelen van de verdachte heeft niet alleen gevolgen gehad voor de bewoners zelf, maar ook voor de samenleving in het algemeen. Dit soort misdaden zorgen voor gevoelens van angst en onveiligheid.
Daarnaast heeft de verdachte samen met een andereen invalidenwagen gestolen. Hij heeft hierbij alleen aan zijn eigen gemak en financiële voordeel gedacht en heeft geen moment stilgestaan bij de gevolgen voor een mogelijk invalide persoon. Hij heeft daarbij ook onveilig rijgedrag laten zien door onder invloed te rijden in Amsterdam tijdens een drukke Koningsnacht. Door de weigering van het bloedonderzoek heeft de verdachte verhinderd dat objectief kon worden vastgesteld in welke mate sprake is geweest van middelengebruik en in welke mate hij de verkeersveiligheid in gevaar heeft gebracht.
Ten slotte heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een wapen (stanleymes). Ongecontroleerd bezit van een stanleymes brengt het risico op gebruik daarvan met zich mee, met alle mogelijke gevolgen van dien. Het brengt dan ook een onaanvaardbaar veiligheidsrisico voor de veiligheid van personen mee.
De rechtbank het de verdachte aan dat hij zich herhaaldelijk schuldig heeft gemaakt aan ernstige strafbare feiten, waarbij hij op geen enkel moment oog heeft gehad voor de gevolgen en veiligheid van andere personen.
Persoon en persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een Uittreksel Justitiële Documentatie van 30 mei 2026 waaruit blijkt dat de verdachte eerder strafrechtelijk is veroordeeld en dit weegt de rechtbank in zijn nadeel mee.
De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van de volgende rapportages, die in het kader van de persoonlijke omstandigheden van verdachte zijn opgemaakt:
  • de rapportage Pro Justitia van [GZ-psycholoog 1] ,GZ-psycholoog, onder supervisie van [GZ-psycholoog 2] , GZ-psycholoog, opgemaakt 16 september 2025;
  • het rapport van de Raad, opgemaakt op 27 februari 2026;
  • de evaluatie van de jeugdreclassering, opgemaakt op 26 mei 2026.
De
psycholoogkomt tot de conclusie dat bij de verdachte sprake is van een cannabisverslaving, oppositioneel opstandige gedragsstoornis en een normoverschrijdende gedragsstoornis. Daarnaast speelt er ouder-kind relatieproblematiek. De verdachte heeft geen volledige openheid van zaken gegeven en daardoor kan er geen duidelijk beeld worden geschetst over de doorwerking van zijn problematiek in het handelen bij het ten laste gelegde. Daarom onthoudt de psycholoog zich van een uitspraak over de toerekenbaarheid. Zonder inzet van langdurige behandeling en begeleiding is er sprake van een hoog recidiverisico. Daarbij is de verdachte gebaat bij veel structuur, duidelijkheid, toezicht en duidelijke consequenties. Er wordt geadviseerd om een gedragsbeïnvloedende maatregel (GBM) op te leggen voor de duur van twaalf maanden.
De
deskundige van de Raadadviseert een onvoorwaardelijke straf op te leggen voor de periode dat de verdachte in voorarrest heeft gezeten en een voorwaardelijke jeugddetentie met daaraan de bijzondere voorwaarden dat de verdachte meewerkt aan de begeleiding vanuit de jeugdreclassering, het vinden en behouden van een opleiding en vrijetijdsbesteding. De verdachte staat niet open voor behandeling en daarom vindt de deskundige een GBM niet passend. De verdachte heeft stappen gezet en er is inmiddels zicht op hem. Het is vooral belangrijk dat hij praktische ondersteuning krijgt in de vorm van toezicht en begeleiding voor de duur van één jaar. Langere begeleiding is niet nodig, omdat hij al geruime tijd wordt begeleid.
De
deskundige van de jeugdreclasseringheeft toegelicht dat de begeleiding wisselend is verlopen, maar dat de verdachte zich de afgelopen twee maanden goed laat begeleiden. Hij heeft momenteel geen dagbesteding en heeft hierbij hulp van een jobcoach vanuit de gemeente. Het blowen van de verdachte blijft een aandachtspunt. Verder is de coaching van de verdachte door ComeOn onlangs positief afgerond. De deskundige kan zich vinden in een proeftijd van één jaar.
De straffen
Alle hiervoor genoemde omstandigheden afwegende legt de rechtbank, conform de eis van de officier van justitie, aan de verdachte een deels voorwaardelijke jeugddetentie op. De rechtbank ziet met name in de ernst van de feiten aanleiding om aan de verdachte een jeugddetentie op te leggen. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat door de deskundigen voldoende is onderbouwd dat de verdachte begeleiding nodig heeft bij het verder uitbouwen van de positieve ontwikkeling om zo ook de kans op herhaling op nieuwe strafbare feiten te verkleinen. Aan het voorwaardelijk strafdeel worden daarom de bijzondere voorwaarden verbonden die zijn geadviseerd door de Raad. In afwijking van het advies zal de rechtbank een proeftijd van twee jaar verbinden aan de bijzondere voorwaarden. Ook zal de rechtbank een taakstraf in de vorm van een werkstraf opleggen, zodat de verdachte een consequentie van zijn gedrag ondervindt door onbetaalde arbeid in de maatschappij te verrichten.

11.Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 13.115433.24 betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 8 juli 2024 van de kinderrechter in deze rechtbank. Bij dat vonnis is aan de verdachte onder meer een jeugddetentie van 69 dagen, met aftrek, waarvan 30 dagen voorwaardelijk opgelegd, met bevel dat deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of voor het einde van de proeftijd één van de gestelde bijzondere voorwaarden heeft overtreden.
Uit de documentatie van 30 mei 2026 van de verdachte blijkt voorts dat het bezwaar van de verdachte tegen de gedeeltelijke omzetting van 12 dagen jeugddetentie gegrond is verklaard. De kinderrechter heeft bij vonnis van 7 januari 2026 de beslissing tot toepassing van de vervangende jeugddetentie opgeheven en bepaald dat de verdachte binnen 6 maanden 25 uur taakstraf, te vervangen door 12 dagen jeugddetentie, dient te verrichten.
De deskundige van de Raad heeft op de zitting geadviseerd om de vordering tot tenuitvoerlegging toe te wijzen en de jeugddetentie om te zetten in een werkstraf.
11.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ter zitting gevorderd de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen omdat ditniet opportuun wordt geacht nu er reeds een taakstraf is gevorderd en de verdachte binnenkort met school start.
11.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw is het eens met de officier van justitie dat het tenuitvoerleggen van de voorwaardelijk opgelegde straf niet opportuun is. De verdachte start in augustus met school en voorkomen moet worden dat hij wordt overvraagd.
11.3.
Het oordeel van de rechtbank
Gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf te gelasten. De verdachte heeft eerder een kans gehad toen aan hem een voorwaardelijke straf werd opgelegd en heeft deze niet gegrepen. Daarom dient hij de consequenties van zijn daden nu er te ervaren. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de verdachte op dit moment voldoende vrije tijd heeft en gaat ervan uit dat de jeugdreclassering en de Raad zijn draagkracht in ogenschouw houden. Zoals reeds overwogen acht de rechtbank het niet in het belang van de verdachte of van de maatschappij dat hij op dit moment gedetineerd raakt en zij zal daarom de voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie van 18 dagen omzetten naar een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 36 uur, te vervangen door een jeugddetentie van 18 dagen.

12.De benadeelde partijen

12.1.
Zaak A – benadeelde partij [benadeelde partij 1]
De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert € 7.289,73 aan schade, bestaande uit € 4.289,73 aan materiële schade en € 3.000 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde grondt haar vordering tot immateriële schadevergoeding op een aantasting in de persoon op andere wijze, niet zijnde geestelijk letsel, als bedoeld in artikel 6:106 lid 1 sub b van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
12.1.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering gedeeltelijk kan worden toegewezen. Uit het dossier blijkt dat er meerdere incidenten op het adres van de benadeelde partij hebben plaatsgevonden. Dat betekent dat het lastig te bepalen is welk deel voor rekening van de verdachte moet komen. Ten aanzien van de materiële schade merkt de officier van justitie op dat de offerte op naam staat van een bedrijf, hetgeen betekent dat de belasting kan worden verrekend en het geen volledige schade betreft. De immateriële schade moet in elk geval worden gematigd tot een bedrag van € 1.500. De toe te wijzen schade moet worden vermeerderd met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel moet worden opgelegd.
12.1.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs en verzoekt om die reden de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering. Subsidiair verzoekt de verdediging om de gevorderde materiële schade af te wijzen nu geen sprake is van rechtstreekse schade en in lijn met de jurisprudentie hoogstens een bedrag van € 1.000 aan immateriële schade toe te kennen.
12.1.3.
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit in zaak A onder 1 primair heeft gepleegd. Dit betekent dat de verdachte onrechtmatig heeft gehandeld jegens benadeelde [benadeelde partij 1] en dat hij verplicht is haar (rechtstreekse) schade te vergoeden.
De rechtbank stelt vast dat de verdediging gemotiveerd het causale verband tussen de materiële schade en het bewezenverklaarde heeft betwist. Nu vaststaat dat in de periode voorafgaand aan het bewezenverklaarde feit in elk geval een soortgelijk feit heeft plaatsgevonden, is niet zonder nader onderzoek vast te stellen in hoeverre de door de benadeelde partij gestelde angst en daaruit voortvloeiende beveiligingsmaatregel in de vorm van een hek haar oorzaak vindt in die eerdere gebeurtenis. Daarbij komt dat er vragen zijn over de hoogte van de schade nu is gebleken dat de offerte van de schade is gedaan door een bedrijf en niet duidelijk is of het bedrijf btw-plichtig is. Aanhouding van de behandeling van deze strafzaak om de gelegenheid te geven voor een nadere onderbouwing zou een onevenredige belasting voor het strafproces opleveren. De benadeelde partij wordt daarom voor dit deel van de vordering tot materiële schade niet-ontvankelijk verklaard.
Immateriële schade
Vaststaat voorts dat de benadeelde door het in zaak A onder 1 primair bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 aanhef Pro en onder b BW heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade. Naar het oordeel van de rechtbank is de aard en ernst van de normschending in samenhang bezien met de specifieke gevolgen daarvan voor de benadeelde van zodanig gewicht, dat dit verder reikt dan een enkele schending van een fundamenteel recht. De rechtbank concludeert dat de benadeelde is aangetast in de persoon op andere wijze, niet zijnde geestelijk letsel, als bedoelde in artikel 6:106 sub b BW Pro.
De normschending heeft er in dit geval uit bestaan dat de verdachte geprobeerd heeft een ontploffing teweeg te brengen bij de woning van de benadeelde, terwijl zij en haar 6-jarige zoon in de woning verbleven. Enkele dagen hiervoor is er ook een explosief voor de deur van de benadeelde geplaatst en de benadeelde was bang dat er nog meer zou gebeuren. Zij was daardoor extra alert en zij raakte in paniek toen ze de verdachte zag, temeer nu haar 6-jarige zoon in de woning lag te slapen. Benadeelde en haar zoon hebben moeten onderduiken en doodsangsten uitgestaan. Sinds het incident ervaart de benadeelde spanningsklachten, durft zij niet goed alleen thuis te zijn met haar zoon en is haar gevoel van onveiligheid blijvend aangetast.
De hoogte van de vordering is door de verdediging betwist, althans verzocht is om matiging. De rechtbank is van oordeel dat met de huidige stand van zaken op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden als gevolg van dit incident en rekening houdend met de bandbreedte van de Rotterdamse schaal ‘tot € 2.000 (deel C, smartengeld anders dan vanwege aangetoond letsel, hoofdstuk 19.4 bedreigde situaties door opzettelijke brandstichting categorie ernstig vanwege brandstichting in of nabij de woning van de benadeelde waar deze op dat moment in wakkere toestand aanwezig was) en rekening houdend met vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, een bedrag van € 500,- aan immateriële schade billijk en toewijsbaar is. Het overige zal niet-ontvankelijk worden verklaard.
De rechtbank zal daarom de vordering inzake de immateriële schade tot een bedrag van € 500 toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van ontstaan van de schade, te weten 21 februari 2025.
Nu vaststaat dat de verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [benadeelde partij 1] opleggen om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed. Omdat de rechtbank het jeugdstrafrecht toepast, zal deze verplichting niet worden aangevuld met gijzeling voor het geval de verdachte niet betaalt.
12.2.
Zaak B – benadeelde partij [benadeelde partij 3]
De benadeelde partij [benadeelde partij 3] vordert € 125 aan materiële schadevergoeding, met vermeerdering van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat verdachte van de verdenking met betrekking tot [naam 3] wordt vrijgesproken.
12.3.
Zaak C – benadeelde partij [benadeelde partij 2]
De benadeelde partij [benadeelde partij 2] vordert € 1.233,45 aan materiële schadevergoeding, met vermeerdering van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
12.3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij geheel kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en daarbij aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
12.3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw van de verdachte heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering dient te worden verklaard, gelet op het verweer strekkende tot vrijspraak.
Subsidiair wordt de omvang van de gevorderde schade betwist. Het causaal verband tussen het handelen van de verdachte en de opgevoerde herstelkosten ontbreekt. Beoordeling van dit onderdeel van de vordering zou een nader onderzoek naar de oorzaak en omvang van de schade vereisen en daarmee een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Derhalve is subsidiair eveneens het verzoek om de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering te verklaren.
Meer subsidiair verzoekt de verdediging enkel de gevorderde schade ten behoeve van het contactslot en deursloten ad € 250,23, de taxikosten ad € 34,50 en de reiskosten ad € 11,20 toe te kennen, en de loonkosten ad € 310 naar evenredigheid toe te kennen.
12.3.3.
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit in zaak C onder 1 primair heeft gepleegd. Dit betekent dat de verdachte onrechtmatig heeft gehandeld jegens benadeelde [benadeelde partij 2] en dat hij verplicht is zijn (rechtstreekse) schade te vergoeden.
Anders dan de raadsvrouw heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat het causale verband tussen de gevorderde schade en het handelen van de verdachte voldoende is onderbouwd. Uit het dossier blijkt dat de verdachte na een achtervolging door de politie de gestolen Canta klemreed op een gele steen. De overige reparatiekosten van de Canta zien op herstel van het defecte deurslot en kabels, welke bij de diefstal beschadigd zijn geraakt. Omdat het deurslot defect is, kan de Canta niet meer worden afgesloten en er is ook gerommeld met de kabels. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de gevorderde bedragen voldoende onderbouwd en komen zij de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor zodat de vordering in zijn geheel zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van ontstaan van de schade, te weten 26 april 2025.
Nu vaststaat dat de verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [benadeelde partij 2] opleggen om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed. Omdat de rechtbank het jeugdstrafrecht toepast, zal deze verplichting niet worden aangevuld met gijzeling voor het geval de verdachte niet betaalt.

13.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:
  • 36f, 45, 55, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 157 en 311 van het Wetboek van Strafrecht;
  • 26, 54 en 55 Wet wapens en munitie;
  • 163 Wegenverkeerswet 1994.

14.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek zeven is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Zaak A
ten aanzien van het in zaak A onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde eendaadse samenloop van:
poging tot opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen te duchten is;
en
ten aanzien van het in zaak A onder 2 ten laste gelegde:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie
Zaak B
ten aanzien van het in zaak B onder 2 ten laste gelegde:
handelen in strijd met artikel 26, vijfde lid, van de Wet wapens en munitie
Zaak C
ten aanzien van het in zaak C onder 1 primair ten laste gelegde:
diefstal door twee of meer verenigde personen
ten aanzien van het in zaak C onder 2 ten laste gelegde:
overtreding van artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994;
Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.
Verklaart de verdachte,
[de verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie van
200 (tweehonderd) dagen.
Beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorarrest is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Beveelt dat een gedeelte, groot
191 (honderdeenennegentig) dagen, van deze jeugddetentie
nietzal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.
Stelt de proeftijd vast op
2 (twee) jarenonder de voorwaarden dat de veroordeelde:
1. zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;
2. meewerkt aan het vinden en behouden van dagbesteding in de vorm van een opleiding (of anders werk), en zich houdt aan alle bijbehorende regels daar;
3. zich houdt aan de begeleiding en aanwijzingen van de jeugdreclassering (William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering), ook als dit inhoudt deelname aan enige vorm van begeleiding, hulpverlening en behandeling indien de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;
4. meewerkt aan het vinden en behouden van een zinvolle en positieve vrijetijdsbesteding (sport/bijbaan of soortgelijke invulling);
Van rechtswege gelden tevens de voorwaarden dat veroordeelde:
5. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet Pro op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;
6. zijn medewerking zal verlenen aan het door de reclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.
Geeft opdracht aan
de William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Veroordeelt de verdachte voorts tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van
40 (veertig) uren.
Beveelt dat, als de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van
20 (twintig) dagen.
Vorderingen benadeelde partijen
Zaak A
Benadeelde partij [benadeelde partij 1]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] toe tot een bedrag van
€ 500 (vijfhonderd euro)aan vergoeding van
immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (21 februari 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt de verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 1] voornoemd.
Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij [benadeelde partij 1] en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij 1] voor het
overige niet-ontvankelijkin haar vordering is.
Legt de verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 1] aan de Staat
€ 500 (vijfhonderd euro),bestaande uit immateriële schade te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 21 februari 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 0 dagen.
Bepaalt dat, indien en voor zover de verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Zaak B
Benadeelde partij [benadeelde partij 3]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 3]
niet-ontvankelijkin zijn vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij 3] en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Benadeelde partij [benadeelde partij 2]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] toe tot een bedrag van
€ 1.233,45 (duizend tweehonderd drieëndertig euro en vijfenveertig eurocent)aan vergoeding van
materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (26 april 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededader tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 2] en veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Veroordeelt de verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 2] , behalve voor zover deze vordering al door of namens anderen is betaald.
Legt de verdachte hoofdelijk de
verplichtingop ten behoeve van [benadeelde partij 2]
aan de Staat € 1.233,45 (duizend tweehonderd drieëndertig euro en vijfenveertig eurocent)te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (26 april 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van
0 (nul) dagen.
Bepaalt dat, indien en voor zover de verdachte of zijn mededader aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Voorlopige hechtenis
Heft ophet geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. W. Aardenburg, voorzitter tevens kinderrechter,
mrs. I.M. Nusselder en S. Groot, kinderrechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. van Amelsvoort, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 juli 2026.
[…]