ECLI:NL:RBAMS:2026:7302

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
1323311124
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:6:21 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke PIJ-maatregel wegens onvoldoende naleving bijzondere voorwaarden

De rechtbank Amsterdam heeft op 16 juli 2026 uitspraak gedaan over de vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke PIJ-maatregel die op 8 april 2025 aan de veroordeelde was opgelegd met een proeftijd van twee jaar. De rechter-commissaris had op 22 juni 2026 de voorlopige tenuitvoerlegging bevolen, waarna de officier van justitie de vordering tot definitieve tenuitvoerlegging indiende.

Tijdens de zitting op 2 juli 2026, die achter gesloten deuren plaatsvond, werden de standpunten van de veroordeelde, zijn advocaat, de officier van justitie, de Raad voor de Kinderbescherming en de jeugdreclassering besproken. De jeugdreclassering en de Raad adviseerden de tenuitvoerlegging omdat de behandeling onvoldoende voortgang vertoonde en de risicofactoren voor recidive hoog bleven. De veroordeelde en zijn raadsvrouw betoogden dat hij wel had meegewerkt en dat een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel niet langer passend was.

De rechtbank constateerde dat de veroordeelde wisselend gedrag vertoonde, met terugval in negatief gedrag en onvoldoende naleving van de bijzondere voorwaarden, zoals meewerken aan klinische behandeling en middelencontroles. De behandeling had niet het gewenste effect en de veiligheid van de veroordeelde en de maatschappij vereiste een intensievere, meer gestructureerde setting. De rechtbank wees de vordering toe en gelastte de tenuitvoerlegging van de PIJ-maatregel in een JJI, waarbij zij geen aanleiding zag voor nader onderzoek naar alternatieve behandelsettings.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke PIJ-maatregel toe wegens onvoldoende naleving van bijzondere voorwaarden en gelast plaatsing in een JJI.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Team Familie & Jeugd
Jeugdstrafrecht
Parketnummer: 13.233111.24
Datum uitspraak: 16 juli 2026
Beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (PIJ-maatregel)
in de zaak van:

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedag] 2008 in [geboorteplaats] ,
woonplaats: [woonadres] ,
verblijfplaats: in de [penitiaire inrichting] ,
hierna: [veroordeelde] of de veroordeelde.

De procedure

De rechtbank heeft op 8 april 2025 onder meer aan [veroordeelde] een voorwaardelijke PIJ-maatregel opgelegd met een proeftijd van 2 jaar. Daarbij heeft de rechtbank de voorwaarden verbonden aan de PIJ-maatregel dadelijk uitvoerbaar verklaard.
De rechter-commissaris heeft op 22 juni 2026 de voorlopige tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke PIJ-maatregel bevolen. Op dezelfde datum heeft de officier van justitie een vordering tot de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke PIJ-maatregel bij de rechtbank ingediend.
De rechtbank heeft verder kennis genomen van de processtukken, waaronder:
  • het proces-verbaal van het verhoor van de verdachte door de rechter-commissaris van 22 juni 2026
  • het op 30 juni 2026 uitgebrachte advies van de Jeugdbescherming regio Amsterdam.
De rechtbank heeft de vordering op de zitting van 2 juli 2026 achter gesloten deuren behandeld.
Op de zitting hebben [veroordeelde] en zijn advocaat, mr. J.P.W. Temminck Tuinstra, de officier van justitie, mr. L. van Esk Rasmussen, [medewerker De Raad] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) en [medewerker jeugdreclassering] namens Jeugdbescherming regio Amsterdam (hierna: de jeugdreclassering), hun mening gegeven.

De adviezen

De jeugdreclasseringis van mening dat de voorwaardelijk opgelegde PIJ-maatregel ten uitvoer moet worden gelegd. Ondanks de stappen die [veroordeelde] in de afgelopen periode heeft gezet, is de behandeling nog onvoldoende van de grond gekomen. De jeugdreclassering (en [inrichting] ) zijn van mening dat [veroordeelde] , gezien de complexe diagnostische bevindingen, gebaat is bij een langdurige en verplichte behandeling. [inrichting] geeft aan geen aanknopingspunten meer te zien voor behandeling binnen hun setting. De aanwezige risicofactoren maken dat het risico op recidive nog altijd hoog is. Daarom is de jeugdreclassering van mening dat [veroordeelde] op dit moment een intensievere, meer begrensde en meer gestructureerde setting nodig heeft dan [inrichting] kan bieden. Op basis van het advies in de pro Justitia rapportage, dat ten grondslag ligt aan de opgelegde PIJ-maatregel, is de jeugdreclassering van mening dat de behandeling van [veroordeelde] verder vorm moet krijgen in een onvoorwaardelijk kader binnen een JJI. Er zijn geen andere geschikte alternatieven voor verblijf en behandeling mogelijk. Een nader onderzoek naar een andere behandellocatie heeft volgens de jeugdreclassering dan ook geen meerwaarde, omdat verschillende alternatieven zijn overwogen, echter deze zijn niet passend.
De Raadadviseert de voorwaardelijke PIJ-maatregel ten uitvoer te leggen, omdat er onvoldoende voortgang is ten aanzien van de behandeldoelen. Dit heeft niet te maken met onwil bij [veroordeelde] , maar met zijn een onvermogen. De combinatie van resocialisatie en behandeling tegelijkertijd blijkt te uitdagend voor [veroordeelde] . Hij verblijft inmiddels geruime tijd bij [inrichting] en zou op grond van de tijdsduur in de uitstroomfase moeten zitten, terwijl hij bij veel behandeldoelen -die verband houden met het verminderen van het recidiverisico- nog in de startfase verkeert. De Raad sluit zich aan bij de jeugdreclassering wat betreft de alternatieve mogelijkheden en concludeert dat behandeling op een andere locatie ontoereikend wordt geacht.

Standpunten

De officier van justitieheeft verzocht de vordering toe te wijzen. [veroordeelde] heeft de kans gehad om binnen een voorwaardelijk kader met duidelijke afspraken en kaders te laten zien dat hij tot gedragsverandering kan komen. Uit de rapportages blijkt dat dit [veroordeelde] al geruime tijd niet lukt. [inrichting] concludeert dat verdere behandeling binnen hun setting niet meer mogelijk is en adviseert omzetting naar een onvoorwaardelijk PIJ-maatregel. Dit is zowel in het belang van de beveiliging van maatschappij als van [veroordeelde] en sluit aan bij wat de deskundigen nodig achten voor een positieve ontwikkeling van [veroordeelde] richting de toekomst.
[veroordeelde] en zijn raadsvrouwhebben bepleit dat de vordering moet worden afgewezen, omdat [veroordeelde] wel heeft meegewerkt aan zijn bijzondere voorwaarden. [veroordeelde] heeft veel geleerd tijdens zijn verblijf bij [inrichting] en hij heeft verschillende therapieën doorlopen en afgerond. Na meer dan een jaar zijn best doen bij [inrichting] en zonder nieuwe strafbare feiten, is het ten uitvoerleggen van de PIJ-maatregel onevenredig schadelijk voor zijn ontwikkeling. Een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel is inmiddels een gepasseerd station en bovendien wordt niet langer voldaan aan de voorwaarden van oplegging daarvan . Er is immers geen sprake meer van een ernstig recidivegevaar en de pij-maatregel staat de ontwikkeling van [veroordeelde] in de weg. Dit blijkt ook uit de overwegend positieve rapportages. Ten slotte merkt de raadsvrouw op dat de pro Justitia rapportage waarop de adviezen zijn gebaseerd ouder zijn dan één jaar.
Subsidiair verzoekt de raadsvrouw de behandeling van de vordering bepaald aan te houden om nader onderzoek mogelijk te maken. De verdediging verdient meer tijd en gelegenheid om naar alternatieven te zoeken voor de onvoorwaardelijke pij-maatregel, zoals onderzoek door een BIG geregistreerde onafhankelijke gedragsdeskundige (psychiater of psycholoog) naar de geschiktheid van plaatsing bij [naam] . Er dient terughoudend te worden omgegaan met behandeling in een inrichtingssetting en de Raad en JBRA doen voorkomen alsof dit de enige oplossing is. [veroordeelde] heeft zichtbaar veel geprofiteerd van de hem aangeboden behandeling en verdere individuele behandeling heeft nu de voorkeur. Mogelijk is juist een minder intensieve setting nodig en daar is gedegen onderzoek voor nodig door een gedragsdeskundige.

De beoordeling

De rechtbank stelt vast dat het verloop van de voorwaardelijk opgelegde PIJ-maatregel van [veroordeelde] wisselend is geweest. [veroordeelde] heeft periodes gehad waarin hij meer openheid, zelfinzicht en samenwerking heeft laten zien, maar tegelijkertijd is gebleken dat het hem onvoldoende lukt om deze positieve groei vast te houden en blijvend keuzes te maken die zijn toekomst ten goede komen. Er is een patroon zichtbaar waarin [veroordeelde] na een korte periode van positief gedrag terugvalt in oud (negatief) gedrag. Dit bleek ook tijdens het verlofweekend in juni waarin [veroordeelde] geen van de afspraken uit het actieplan is nagekomen.
De primaire copingstrategie waarop [veroordeelde] omgaat met spanning en emoties is nog steeds blowen. Bij terugval in oud gedrag kiest hij vaak voor vermijding, handelt hij impulsief en komt hij zijn (behandel)afspraken niet na. De rechtbank ismet [inrichting] van oordeel dat de behandeling de kern van de problematiek niet heeft weggenomen. De rechtbank vindt weliswaar dat het [veroordeelde] niet volledig valt te verwijten dat de behandeling onvoldoende effect heeft gehad om de doelen te bereiken, mede omdat het lijkt dat [veroordeelde] wordt overvraagd, maar ook kan worden geconcludeerd dat de inzet van [veroordeelde] niet voldoende is geweest. Zo blijkt uit de rapportages dat [veroordeelde] vaak in een programma is gekomen vanwege zijn gedrag, dat hij te laat urinecontroles inlevert en urinecontroles inlevert die te waterig zijn voor een betrouwbare uitslag. Hierdoor is onder meer de CATunited therapie voor [veroordeelde] gestopt en heeft zijn verlof en vrijetijdsbesteding lange tijd geen doorgang gehad. Dit heeft geleid tot stagnatie in de behandeling, wat een direct gevolg is van de keuzes van [veroordeelde] . Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat [veroordeelde] op 2 april 2026 nog een officiële waarschuwing heeft gehad naar aanleiding van zijn minimale inzet.
De rechtbank komt een en ander overziend tot de conclusie dat [veroordeelde] vóór het einde van de proeftijd de bijzondere voorwaarden, (i) meewerken aan een klinische gesloten behandeling bij [inrichting] en (ii) meewerken aan middelencontroles, niet voldoende heeft nageleefd. Gelet op artikel 6:6:21 van Pro het Wetboek van Strafvordering acht de rechtbank daarom termen aanwezig de gevorderde tenuitvoerlegging te gelasten. De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging toewijzen en zal hieronder haar overwegingen toelichten.
De rechtbank is van oordeel dat voldoende is onderbouwd dat de veiligheid van [veroordeelde] en de maatschappij eisen dat de intensieve behandeling en begeleiding in een omgeving met meer duidelijke kaders en begrenzing moet plaatsvinden. In een ambulant kader wordt resocialisatie gecombineerd met behandeling, terwijl bij [veroordeelde] behandeling nog vooropstaat. [veroordeelde] beschikt volgens [inrichting] nog over onvoldoende vaardigheden voor de uitstroomfase, terwijl dit qua tijdsduur wel aangewezen is. In de maanden voorafgaand aan het verlofweekend heeft [veroordeelde] meerdere kansen gekregen om te laten zien dat hij zijn gedrag kan veranderen. Gebleken is echter dat [veroordeelde] terugvalt in risicovol gedrag zodra er meer vrijheden worden toegekend en dat hij blijft blowen. Gezien het verloop van het traject acht de rechtbank het niet realistisch dat de risicofactoren die zorgen voor een matig tot hoog recidiverisico nog kunnen afnemen door behandeling in een ambulant kader, terwijl tegelijkertijd wordt gewerkt aan resocialisatie. De rechtbank ziet dat [veroordeelde] enorm gemotiveerd is om ander gedrag te laten zien, maar concludeert, evenals de deskundigen, dat hij niet in staat is om alle voorwaarden na te leven. De rechtbank ziet geen aanleiding nader onderzoek te gelasten naar een andere behandelsetting, nu zij van oordeel is dat behandeling in de gestructureerde setting van de JJI passend en geboden is. In een instelling kan [veroordeelde] in zijn tempo de behandeling doorlopen met de sturing en begeleiding die hij nodig heeft voor een gezonde ontwikkeling richting de toekomst. Bij dit oordeel heeft de rechtbank meegewogen dat de jeugdreclassering bekend is met [naam] en dat zij op de zitting te kennen heeft gegeven dat voor deze instelling dezelfde afwegingen gelden als voor de alternatieven die de jeugdreclassering heeft onderzocht.

De beslissing

De rechtbank:
- heft op het bevel tot voorlopige tenuitvoerlegging van de maatregel van 22 juni 2026 met ingang vanaf heden;
- wijst de vordering van de officier van justitie toe en gelast dat de niet ten uitvoer gelegde maatregel, te weten de maatregel Plaatsing in een Instelling voor Jeugdigen, alsnog zal worden ten uitvoer gelegd.
Deze beslissing is gegeven door
mr. I.M. Nusselder, voorzitter en kinderrechter,
mrs. W. van Aardenburg en S. Groot, kinderrechters,
in aanwezigheid van mr. D. van Amelsvoort, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2026.