ECLI:NL:RBAMS:2026:7340

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
C/13/788907
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:271 lid 2 BWArt. 1 sub f Besluit specifieke groepen tijdelijke huurovereenkomstArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering tot ontruiming na afloop tijdelijke huurovereenkomst

Schipper B.V. is eigenaar van een woning die tijdelijk werd verhuurd aan [gedaagde] op basis van een huurovereenkomst voor bepaalde tijd, lopende van 15 november 2024 tot 31 mei 2026. Na afloop van deze periode heeft Schipper de huurovereenkomst beëindigd en ontruiming gevorderd omdat [gedaagde] de woning nog steeds bewoont zonder recht of titel.

[gedaagde] betoogt dat de huurovereenkomst onder dreiging is aangegaan en daarom vernietigd moet worden. Tevens verzoekt hij om verlenging van de huur vanwege vertraging in de uitkoop van zijn ex-partner en zijn moeilijke woonsituatie. De rechtbank oordeelt dat er geen bewijs is voor dreiging en dat de huurovereenkomst rechtsgeldig is aangegaan, mede omdat [gedaagde] destijds werd bijgestaan door een advocaat.

De belangenafweging leidt tot toewijzing van de ontruimingsvordering, waarbij het belang van Schipper om de woning aan een ander te verhuren zwaarder weegt dan het belang van [gedaagde]. Ook de huurachterstand van ruim €3.500,- speelt mee. De rechtbank stelt een termijn van een maand na betekening voor ontruiming en veroordeelt [gedaagde] tevens in de proceskosten en wettelijke rente.

Uitkomst: De vordering tot ontruiming wordt toegewezen en [gedaagde] wordt veroordeeld tot ontruiming binnen een maand en betaling van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht, voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/13/788907 / KG ZA 26-472 EAM/KH
Vonnis in kort geding van 8 juli 2026
in de zaak van
H & J SCHIPPER B.V.,
te Amstelveen,
eisende partij bij dagvaarding van 16 juni 2026,
hierna te noemen: Schipper,
advocaat: mr. I.C.J. van den Broek,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
in persoon verschenen.

1.De procedure

1.1.
Ter zitting van 24 juni 2026 heeft Schipper de vorderingen zoals omschreven in de dagvaarding toegelicht. [gedaagde] heeft, mede aan de hand van een zelf opgesteld verweerschrift, verweer gevoerd. Beide partijen hebben producties ingediend. Na verder debat is vonnis bepaald op vandaag.
1.2.
Ter zitting waren aanwezig, voor zover relevant:
- namens Schipper: [naam] (beheerder Tel Vastgoedmanagement) met mr. M.J. Sarfaty (kantoorgenoot van mr. Van den Broek),
- [gedaagde] .

2.De feiten

2.1.
Schipper is eigenaar van de woning aan de [adres] (hierna: de woning). [gedaagde] huurt de woning van Schipper en daartoe bestond een huurovereenkomst tussen Tel Vastgoedmanagement (als beheerder en onmiddellijk vertegenwoordiger van Schipper) en [gedaagde] .
2.2.
De huurovereenkomst is aangegaan op de voet van artikel 7:271 lid 2 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) en artikel 1 sub f van Pro het Besluit specifieke groepen tijdelijke huurovereenkomst voor de periode van 15 november 2024 tot en met 31 mei 2026.
2.3.
Bij brief van 2 maart 2026 heeft Tel Vastgoedmanagement de beëindiging van de huur per 31 mei 2026 aangezegd.
2.4.
Bij e-mail van 12 mei 2026 aan Tel Vastgoedmanagement verzoekt [gedaagde] om verlenging van de huurtermijn met ten minste twee maanden. Dat verzoek is bij e-mail van 13 mei 2026 afgewezen.
2.5.
Bij brief van 28 mei 2026 sommeert de advocaat van Schipper [gedaagde] om de woning uiterlijk op 1 juni 2026 om 09:30 uur leeg en ontruimd aan Schipper ter beschikking te stellen. De ontruiming heeft tot op heden niet plaatsgevonden.

3.Het geschil

3.1.
Schipper vordert – samengevat – om bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:
I. [gedaagde] te veroordelen om de woning te ontruimen en ontruimd te houden, met machtiging aan Schipper om, indien hij daar niet (tijdig) uitvoering aan geeft, die ontruiming zelf en op kosten van [gedaagde] te bewerkstelligen, zo nodig met behulp van de sterke arm,
II. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten, inclusief nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
3.2.
Schipper legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [gedaagde] had een relatie met de kleindochter van de aandeelhouder van Schipper, uit welke relatie een kind is geboren. Na beëindiging van de relatie heeft Schipper de woning tijdelijk aan [gedaagde] verhuurd, om hem in de gelegenheid te stellen elders woonruimte te vinden. De huurperiode is geëindigd en dat einde is ook aangezegd. [gedaagde] verblijft momenteel zonder recht of titel in de woning, reden waarom Schipper ontruiming vraagt. Schipper wil de woning niet langer aan [gedaagde] verhuren, mede omdat er een huurachterstand is ontstaan.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. Hij meent dat hij de huurovereenkomst is aangegaan onder de dreiging dat hij anders zijn kind niet meer zou zien. De huurovereenkomst moet daarom vernietigd worden. Verder wil hij langer in de woning blijven wonen. Het was de bedoeling van partijen dat de huurovereenkomst pas zou eindigen zodra zijn ex hem had uitgekocht uit hun echtelijke woning. Die uitkoop is vertraagd waardoor hij meer tijd nodig heeft. Hij verwacht met die opbrengst een andere huurwoning te kunnen vinden. Op dit moment valt hij tussen wal en schip. Hij ontvangt uit de ziektewet te veel om een sociale huurwoning te krijgen en andere woningen kan hij niet betalen.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Vaststaat dat de huurovereenkomst is aangegaan voor een tijdelijke periode, tot en met 31 mei 2026. Namens Schipper is het einde van de huurovereenkomst aangezegd bij brief van 2 maart 2026. Desondanks verblijft [gedaagde] momenteel nog steeds in de woning. Nu hij daar zonder recht of titel verblijft, wordt de gevorderde ontruiming toegewezen.
4.2.
Het verweer van [gedaagde] dat de huurovereenkomst is aangegaan onder bedreiging wordt zo begrepen dat hij – zonder die dreiging – geen
tijdelijkehuurovereenkomst was aangegaan. Dat verweer wordt niet gevolgd, nu die dreiging op geen enkele manier is gebleken. In dat kader is mede relevant dat [gedaagde] ten tijde van het aangaan van de huurovereenkomst werd bijgestaan door een advocaat.
4.3.
Een belangenafweging leidt niet tot een ander oordeel. Het is begrijpelijk dat [gedaagde] langer in de woning wil blijven wonen omdat hij moeite heeft met het vinden van een andere woning in de buurt. Het belang van Schipper om de woning aan iemand anders te kunnen verhuren weegt in dit geval echter zwaarder, mede gelet op het feit dat ter zitting is gebleken dat [gedaagde] een huurachterstand van ruim € 3.500,00 heeft laten ontstaan. Verder kan de vertraging in de uitkoop van [gedaagde] Schipper niet worden tegengeworpen.
4.4.
Voor de ontruiming zal worden uitgegaan van een termijn van een maand na betekening, om [gedaagde] in de gelegenheid te stellen een alternatief te vinden.
4.5.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Schipper worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
125,57
- griffierecht
735,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.226,57
4.6.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen een maand na betekening van dit vonnis de woning aan de [adres] , met het zijne en de zijnen te ontruimen en onder afgifte van alle in omloop zijnde sleutels, leeg en bezemschoon, aan Schipper ter vrije beschikking te stellen en vervolgens ontruimd en verlaten te houden,
5.2.
machtigt Schipper om met behulp van de sterke arm van justitie en politie de tenuitvoerlegging van deze beslissing te bewerkstelligen, indien [gedaagde] in gebreke blijft aan het onder 5.1 van dit vonnis bepaalde te voldoen,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] om, indien hij niet vrijwillig aan de veroordeling onder 5.1 voldoet, en Schipper de ontruiming met inschakeling van een gerechtsdeurwaarder dient te bewerkstelligen, aan Schipper de kosten van ontruiming te voldoen op vertoning van en conform de specificatie van die kosten in het proces-verbaal van ontruiming,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.226,57, te vermeerderen met
€ 98,00 plus de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend,
5.5.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na vandaag zijn betaald en tot betaling van de wettelijke rente over € 98,00 plus de kosten van betekening vanaf veertien dagen na die betekening,
5.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Messer, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. K. Hogeman, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026. [1]

Voetnoten

1.Coll: BB